Zalmkoorts
Mijn 72-jarige vader en ik zijn, zij het met wat tussenpozen, al heel lang sportvissers. Zelf ben ik ook al vijfendertig jaar vliegvisser; maar verre van “fly only”. Op de een of andere manier zijn noch mijn vader noch ik er echter toegekomen om ons aan de zalmvisserij te wijden. Een manco, zeggen sommigen. Een gemis, vonden we zelf ook. Voor mijzelf gold als excuus dat ik lekker warme want tropische voorkeuren heb. Toch bleef het verlangen naar de zalmvisserij al die jaren wel degelijk levend.
Het lijkt eind 2009, als ik op de website stuit van Jos Vanrunxt en zijn Atlantic Salmon Safari en een verhaal van Hans Boomsluiter lees op Flyfever, dat zich het moment aandient om ons manco te verhelpen. Na wat correspondentie en uiteindelijk een goed gesprek met Jos besluiten we om net als Hans een jaar eerder met hem naar Kola te gaan om daar met de tweehandige hengel en de vlieg op zalm te vissen.
Omdat mijn vader al meer dan tien jaar geen vliegenhengel heeft vastgehouden besluiten we om uitsluitend de tweehandige hengel te gaan gebruiken. De cursus Modern Flycasting Doublehanded I wordt gevolgd en onder het toeziend oog en corrigerend hang- en trekwerk van Bas de Bruin, Sepp Fuchs en René van Heezik ontstaan de contouren van twee nieuwe underhand casters. René, die in het dagelijks leven Martin Hengelsport drijft en zich vergaand gespecialiseerd heeft in de vliegvisserij op zalm, fungeert daarbij tevens als onze (onmisbare) materiaalman.
Sneller dan verwacht is het moment van de waarheid daar. Met het vliegtuig reizen we naar St. Petersburg, waar de nachttrein ons in 24 uur naar een totaal verregend Apatity aan de poolcirkel brengt. Daar is het wachten op een helikopter die in de regen en mist niet kan vertrekken, maar uiteindelijk toch een gaatje vindt in het wolkendek om onze groep af te zetten in het Upper Varzuga Camp in de wildernis - na een adembenemende tocht laag over de totaal verlaten toendra.
En dan liggen er zes visdagen voor, helaas aan een rivier die 80 cm hoger staat dan normaal door het aanhoudend slechte weer voorafgaand aan onze komst. Wat het vissen elders nagenoeg kansloos zou maken; de pools zijn verdronken, je kunt eigenlijk nauwelijks waden, maar feit is dat dit één van de beste zalmrivieren ter wereld is en dat er dus ook onder slechte omstandigheden nog wel iets mogelijk moet zijn. Wat ook zal blijken.
Om daar meteen maar uitsluitsel over te bieden: onze groep van 11 vissers, het merendeel beginners, ving deze zes dagen 52 zalmen, al werden er veel meer gehaakt. Is dat op zich niet verkeerd, voor deze rivier is het beslist geen best resultaat want normaal gesproken kun je hier, als je een beetje kunt werpen met de doublehander, toch echt op een fors aantal zalmen tussen twee en vijf kilo de man rekenen, zelfs ook met een drijvende lijn en lekker over het oppervlak skatende Bombers - in plaats van met diep geviste vliegen aan sinktip lijnen.
Later zal blijken dat deze week door het slechte weer op heel Kola als “lastig” de boeken ingaat.
Mijn vader, met wie ik een zalm ging proberen te vangen in Rusland, ving binnen een paar uur meteen maar die zalm en leverde onmiddellijk daarna strijd met een grote vis, die in één run tachtig meter van z’n zwaar afgestelde slip scheurde en toen hoog boven het water sprong – om terug te vallen op de leader. Gids Jeroen Wohe heeft het voorval, een onbetaalbare ervaring, op video vastgelegd. Mijn vader was hevig geëmotioneerd; niet zozeer omdat hij de vis kwijtraakte alswel door de kracht en de snelheid waarmee het schouwspel zich in een paar seconden aan hem voltrok. De diagnose was simpel: de lichte verhoging die zalmkoorts heet.
Dezelfde dag ving ik ook nog twee zalmen, waaronder eentje van vier kilo, en de dagen erop was het weliswaar hard werken maar gericht en geconcentreerd vissen leverde toch elke dag weer “takes” op. Gewoon de vlieg stroomafwaarts plaatsen op de goede plekken, en een klein lusje bij de reel houden zodat de zalm na de “take” iets lijn mee kan nemen bij zijn draai na het nemen van de vlieg. Het is een schitterend moment als de lijn uit je vingers wordt getrokken. Een aantal hard vechtende zalmen was het even schitterende resultaat. De vele, ook grote, gevangen vlagzalmen en enkele snoek tellen we zoals het echte zalmvissers betaamt natuurlijk niet eens mee.
Het weer bleef tijdens onze trip donker en regenachtig; op de ene echt zeer zonnige dag die we meemaakten waren we blij dat we onze Bug Shirts bij ons hadden; zo onwaarschijnlijk stil als de toendra is, zo druk is namelijk de insectenwereld in deze streken.
Het Upper Varzuga Camp waar wij verbleven was gezien de ligging in “No Mans Land” eigenlijk best comfortabel, met jetboats, cabins, warm water, een sauna en prima maaltijden. De groep vissers was zeer kameraadschappelijk; Jelle, Libbe, Harm, Zladko, Dragan, Carl, Hans, Henny en Gerard – allemaal mannen om mee uit vissen te gaan.
Inmiddels zijn we weer terug en kijken we nog eens terug. Ik had willen schrijven: en bladeren we door de foto’s, maar dat valt tegen omdat mijn onderwatercamera met bijna alle “natte” foto’s bij terugkomst in St. Petersburg uit mijn jas gestolen is. Zoiets drukt natuurlijk wel een beetje een stempel op de reis. De hoge waterstand zou ook een stempel op onze reis hebben gedrukt als de laatste middag niet een verrassing voor ons in petto zou hebben gehad.
Jeroen Wohe, die in British Columbia woont en werkt (als Guide) en als gids mee was en die tot mijn grote verbazing in de Camp sauna niet zo gespikkeld als een zalm bleek te zijn, verdient het om hier met name genoemd te worden. Zijn kennis, gevoel en vooral watersense zijn echt ongeëvenaard. Jeroen wees mij de bewuste middag een langzaam stromend stuk achter een rots aan op grote afstand en adviseerde mij een standplaats in de rivier die met enig risico nog wel te bewaden was. Wat dan nog resteerde was een (voor mij vrijwel onmogelijke) worp stroomafwaarts naar de bewuste plek.
De eerste pogingen met een drijvende lijn liepen op niets uit. Ik haalde door de tegenwind de benodigde afstand van 30-35 meter net niet met m’n twaalf voet lange hengel voor een #8 lijn, die met een drijvende lijn was opgetuigd. Ook liep de vlieg te hoog in de drift. Ik waadde terug en schakelde om naar een langzaam zinkende shooting head. Opnieuw waadde ik naar m’n lanceerplaats.
Kort daarna kwam de Cascade op haakmaat 8 wel op de goede plek neer. De vlieg was nog geen meter onderweg of het lusje werd met grote snelheid uit m’n handen gegrist en de lijn trok strak. De vis zwom op circa vijfendertig meter een tijdje heen en weer. Toen ik nog wat meer spanning op de hengel zette en wat lijn terugdraaide trok de vis terug.
De daarop volgende twintig minuten waren klassiek. Staande in de snel stromende rivier, aangemoedigd door mijn vader, hangend in de tot barstens toe gebogen hengel, met een vis aan de lijn die onophoudelijk tientallen meters lijn van de Ross reel scheurde en soms hoog boven water kwam, wist ik de vis uiteindelijk tot dichtbij te krijgen en was het voor Jeroen, die inmiddels naar mij was gewaad met een net, mogelijk om de vis te netten.
Aan de kant gekomen werd de vis onthaakt en knipte Jeroen de leader met de vlieg af op de lengte van de vis. Dat stuk leader ligt hier bij mij op tafel en meet 102 centimeter. Ik zal de lezer het scala aan emoties besparen wat na de vangst de revue passeerde. Ook hier was er echter sprake van de enigszins verwijde pupillen die typerend zijn voor zalmkoorts.
Jos Vanrunxt’s Ryba Adventures verzorgde de reis naar deze uithoek van Rusland. Hij is overigens als geen ander in ons land bekend met de ins en outs van Kola. Bedenk wel dat Rusland geen Ierland of Zweden is; het land heeft zo z’n eigen mores en het gaat er soms net wat anders aan toe dan je zou denken of verwachten. Jos spreekt Russisch en weet de weg. Als je zelf voor een flexibele instelling zorgt is het plaatje compleet.
De slotsom is hoe dan ook dat wie van zalm durft te dromen eigenlijk, ook al is het maar eens in z’n leven, een keer naar Kola moet. Sommige dromen worden daar namelijk gewoon werkelijkheid. Zelfs die van twee koortsige debutanten.
Rini Groothuis: “Belangrijk is met wie en waar ik vis”
Onderweg naar het adres in Hilvarenbeek, waar Rini Groothuis in een mooi gelegen woonwijk woont, hadden mijn vismaat Marcel en ik het erover dat deze man, die we binnen nu en een uur rijden gaan bezoeken voor een interview, toch wel erg grote invloed op ons vissen op karper heeft gehad. Ik vertelde Marcel dat ik al aan mijn derde Karper - het eerste boek van Rini - bezig was. De vorige twee waren door het vele lezen helemaal uit elkaar gevallen. De tweede zat bij mij helemaal met nietjes vastgemaakt; keurig op volgorde, dat dan weer wel. Maar een tijdje geleden heb ik via Marktplaats weer een vrij goed exemplaar van mijn jeugdheld weten te bemachtigen. Dit boek Karper uit 1977 heeft mijn karperkoorts toen doen aanwakkeren en die koorts is tot op de dag van vandaag nooit meer verdwenen. Nu was de dag daar, dat wij onze jeugdheld en inspirator Rini Groothuis zouden gaan ontmoeten en horen wat hem vandaag de dag allemaal beweegt en bezighoudt.
Ik heb in ons interview de periodes van het hengelsportleven van Rini Groothuis in een logische opbouw proberen te plaatsen. Het werd een erg leuke en plezierige dag met een zeer gastvrije Rini, maar dit is bij Brabanders, zoals ik dat gewend ben, niet vreemd.
Rini, nu 61 jaar oud, geniet volop van zijn vrije tijd en besteedt veel daarvan aan zijn koikarpers, zijn huidige passie. Dit merk je goed als hij hierover begint te praten: de energie spat er dan vanaf en dat is mooi om te zien.
Ik hoop dat jullie aan dit interview net zoveel plezier beleven als ik en misschien leidt het ook bij jullie wel tot enige inspiratie. Rini’s gedachtegoed past goed bij ons forum (of andersom!).
Wie of wat heeft je tot vissen bewogen?
Mijn vader viste en ook mijn opa, vooral met die laatste heb ik erg veel gevist. Hij had hier op het kanaal (Wilhelmina Kanaal) een bootje liggen van waaruit ik veel op de grondel viste, die je nu bijna nergens meer ziet of vangt. Althans niet meer in die aantallen van vroeger. Maar ook brasem en bliek en zo ook mijn eerste karper en toen was ik meteen verkocht aan deze sportvis.
Van oorsprong kwam de familie van Rini uit Zwolle. Ze zijn i.v.m. de oorlog op de één of andere manier richting Biesbosch gekomen en nooit meer teruggegaan. Bij Zwolle viste Rini met zijn vader en opa ook wel eens op de IJsel met zware bamboehengels. Als ze er dan een karper aan kregen, werd de hengel op een gegeven moment het water ingegooid en als dan de hengel later weer eens kwam bovendrijven, omdat de karper moe was geworden, dan lag er een bootje klaar en werd het zaakje vervolgens opgehaald.
Waarom ben je gaan vissen op karper?
Ik ging met mijn vader op een gegeven moment hier in de buurt naar een aantal putten om te vissen op karper. En ook dan verdween de hengel wel eens in het water. Dan was mijn vader helemaal niet zo moeilijk, hij deed zijn kleren uit om zwemmend zijn hengel te halen. En dit soort dingen maakten toch wel erg grote indruk op mij. Ik dacht toen: zo wil ook worden en doen. In de jaren zijn die putten erg veranderd en niet meer te vergelijken met vroeger. Vroeger had je een erg mooi putje bij knooppunt de Baars. Prachtig met mooie plompenblaren erin en bomen rondom. Dit is nu een grote plas geworden en niet meer wat het geweest is, maar ik kwam er veel in mijn jonge jaren.
Herinner je nog een karper uit je jeugd die een grote indruk gemaakt heeft?
Veel indruk maakten de vissen die je niet ving maar verspeelde. Mijn eerste dertigponder was voor mij toch wel een mijlpaal. Maar één van de mooiste vissen die ik gevangen heb was een prachtige rijenkarper. Die heb ik twee keer gevangen, een vis met een massieve kop en een grote bek en dan is de grootte helemaal niet zo relevant.
Ik heb nou toch niet echt dat ik zeg van wel deze of die, want het hoeft ook per se niet de grootste te zijn. Het is toch meestal de dag in zijn totaliteit, die het voor mij als herinnering compleet en speciaal maakt.
Wanneer is de karperkoorts echt los gebroken?
Je moet je voorstellen dat toen ik fanatiek werd, er niet erg veel informatie was. De fanatieke karpervissers hier uit de buurt waren mensen die met die zware vaste stokken visten. In hengelsportbladen heb ik toen wel eens wat over de Engelsen gelezen en dat het daar toch net allemaal even anders ging dan hier. Ik heb toen rondgekeken in Engeland en hengels van daar laten overkomen. Ook een groot karpernet, wat toen hier helemaal niemand had. Dat net was natuurlijk het Springbow-net wat voor die tijd een zeer groot net was. En zo is het eigenlijk allemaal begonnen.
Ik werd al snel als tweede Nederlander lid van The British Carp Study Group (B.C.S.G.) Ook schreef ik in die tijd brieven aan Jack Hilton en Chris Yates hetgeen later uitmondde in briefwisseling met beiden. Ik heb deze brieven nog steeds.
Qua materiaal en mentaliteit was Hilton voor mij toch echt een man apart, een visser met zeer vooruitstrevende ideeën. Yates daarentegen was een gepassioneerde dromer en meer met de natuur bezig. Richard Walker heb ik ook ontmoet, ondanks zijn vooruitstrevende Mark IV hengel en zijn eerste elektrische beetverklikker was hij voor mij toch meer een veredelde hengelaar. Ik vond hem meer een soort nestor van de hengelsport, tot aan de knieën door de modder, dat deed hij niet. Jack Hilton weer wel, die was niet gauw iets te bont. Zijn mentaliteit en zijn allround manier van vissen op karper sprak mij zeer aan.
Had je destijds enig idee dat je eerste boek Karper zoveel te weeg zou brengen?
Ik schreef in die tijd al een rubriek in Voor & Door de Visser en had al zoveel geschreven, dat het schrijven van een boek min of meer een logisch vervolg was en een ambitie werd. Maar toen ik ongeveer de helft van het boek klaar had, en neem van mij aan dat dit in die tijd erg veel werk was, moest ik alles nog typen op een typemachine. En dat wat fout ging eruit knippen en vervolgens er weer verbeterd inplakken. Ook ging ik op zoek naar een uitgever. Ik heb er drie benaderd waarvan Interdijk toen het snelste reageerde. De eerste druk was binnen drie maanden al uitverkocht. En ik weet nog goed dat ik toen bij de directeur van Interdijk kwam en dat hij tegen mij vertelde: ‘Ik ben je zeer dankbaar want ik heb inmiddels al een ton aan je boek verdiend’. En dat ik antwoordde ‘Dat is mooi, maar ik nog lang niet!’. Maar het loopt nog steeds door, toevallig nog vorige week een royalty gekregen en een overzicht van hoeveel boeken ik tot nu toe verkocht heb. Dat zijn toch al zo’n 43.000 exemplaren.
Mijn beste boek is toch echt mijn eerste boek Karper, vooral ook omdat ik bij dit boek bijna niet hoefde na te denken. Dit ging als in een flow zo makkelijk. De andere boeken, daar moest ik toch meer bij samenstellen.
Je viste toen al met meerdere bekende merken hengels, maar had u ook een bepaalde favoriet die u eigenlijk altijd als eerste pakte?
Het waren eerst gele glashengels van ik weet niet meer welk merk, maar het waren vrij slappe hengels, een soort Avon types. En daarna ging ik over op de Gerry Savage S/U en de Jim Gibbesons Clooper en de Jack Hilton natuurlijk. Terug kijkend vond ik toen de Gerry Savage, dit vond ik een hele fijne hengel. En dan met name de zware Stepped Up versie, daar kon ik lekker mee pennen tussen de plompenbladeren .
Hierbij is het niet gebleven want later ben je in contact gekomen met Bruce & Walker?
Het was zo dat een vriend van mij uit het Belgische Gent een hengelsportzaak wilde beginnen. Hij vroeg mij mee te rijden naar Herfordshire, want daar zat die Simpson (Jack Simpson is later bekender geworden door de Kevin Maddocks hengels) maar ook Bruce & Walker. Hij wilde toen die echte typische Engelse hengels kopen voor zijn winkel in Gent. Zo gezegd, zo gedaan en we kwamen als eerste aan bij Jack Simpson en daar leerde ik ook Jack Hilton kennen. Aansluitend zijn we naar Bruce & Walker gegaan en zijn de besprekingen begonnen over een hengel. Ik moest toen investeren, maar ik had op dat moment een vrouw en twee kinderen en zag dit eigenlijk niet zo zitten. Terug in Nederland is later tijdens een gesprek met Frans Knuth, Bruce & Walker te sprake gekomen en vertelde ik dat ik al mensen bij Bruce & Walker kende en had gesproken. En zo is Frans Knuth betrokken geraakt bij het B&W project en heeft dit qua financiën gedragen.
De Bruce and Walker hengels zijn toen echt naar mijn idee en inmenging gemaakt. Ze moesten toen mallen maken en zoals je weet is dit een kostbare aangelegenheid. Ik gaf dan de specificaties op voor de blank althans hoe ik deze wilde hebben. Zij bouwden vervolgens de mal en de hengel. Ze begonnen in die tijd net met grafiet en ik kreeg toen ook die hengels van grafiet. Er was nauwelijks ervaring met dit nieuwe materiaal. Ik kreeg bijvoorbeeld hengels met te weinig hars deze waren te hard en te bros en binnen no time waren deze hengels in tweeën. Later begonnen ze met een ander soort carbon wat compound grafiet heette. Deze kwaliteit was echt een stuk beter, al ging er ook toen nog wel eens eentje kapot.
De Booster benaderde die de ideale karperhengel.
Ik heb ze tot op de dag van vandaag nog liggen en vis er nog steeds veel mee. En zoals ik al eerder zei, viste ik ook vroeger veel met de Gerry Savage tussen de lelies. En hierdoor moet ik zeggen dat ik het liefste toch met glas vis, het is toch net iets smeuïger. Carbon is toch harder, stugger en welke carbon hengel ik ook pak, het heeft niet dat smeuïge dat glas wel heeft. Op een gegeven moment ging natuurlijk het glas eruit en kwamen er carbon, boron en weet ik het allemaal niet meer. Ik wilde eigenlijk een carbonhengel maken met de eigenschappen van glas, dat was mijn streven met de Booster. Deze hengel moest van mij ook een kurkengreep hebben want een foam greep vind ik helemaal niks het ziet er goedkoop en ik vind ook niet lekker vasthouden.
Terugkomend op de vraag kan ik niet zeggen dat de Booster helemaal mijn ideale is geworden maar het komt toch heel dicht in de buurt.
Heb je nog contact met vismaten van toen jij, Bram Groothuis, Ad van Sande en Arthur van Helvert waren toen in Nederland de rest ver voor.
We gingen met zijn vieren al naar Frankrijk. Balen maïs in de auto’s, afgeladen met spullen. Voor ons natuurlijk één groot avontuur! We visten daar toen veel op de Saône en vingen ook heel grote meervallen. Vooral Bram heeft ze er heel groot gevangen. Ik heb nog steeds contact met Jan Junge. Ad van Sande waar ik ook vroeger veel mee viste, is gestopt. Arthur van Helvert vist nog wel, die zit nog veel in België te vissen op het Kempisch kanaal.
Om op Frankrijk terug te komen, vind je ook niet dat de mystiek die vroeger heerste over een water waar een dertiger zat, is weggenomen door het toch relatief makkelijk vangen van veertigers daar en soms ook vijftigers? Ook door mensen die in hun eigen land nog geen fatsoenlijke vis gevangen hadden.
Wel ik moet zeggen dat natuurlijk de boilie al een heel stuk charme van het vissen heeft weggenomen. Ik bedoel hier onder andere de concentratie mee die je daarvoor nodig hebt en je het af zitten vragen wat die vis aan het doen is, als je aluminium waker een stukje omhoog of omlaag gaat. Die charme is eigenlijk met de boilievisserij geheel verdwenen. Ook als je ziet hoe er vandaag de dag door de jeugd meestal gevist wordt, dus vaak met een happie en een snappie erbij. De concentratie die wij vroeger hadden is zo totaal verloren gegaan nu het meer voor de gezelligheid is. En begrijp me goed, ik veroordeel hier niemand mee. Als ze er zo veel plezier aan beleven, laat het dan zo zijn. Maar het vissen beleven zoals wij dat deden, kennen zij niet helaas.
Ik was eigenlijk vroeger een visser die niet zoveel viste, maar als ik een water ontdekte ging met een lokale visser over het water praten en daarna ging me dan voorbereiden. Dus dat hield in: observeren en voeren op bepaalde plekken. En op een gegeven moment wist ik dat ik klaar was en kon er vervolgens gevist worden. Ik ving dan in een paar dagen tijd een hoop vis en ging dan vervolgens weer verder naar een ander water. Eigenlijk zat bij mij de meeste tijd in de voorbereiding en niet zozeer in het vissen zelf. Ik viste sowieso ook ‘s zomers heel weinig. Wat je hier ziet in de omgeving, is dat de vissen dan overgaan op het natuurlijk voedsel. En eigenlijk daarom viste ik het meest in het voorjaar en het najaar. Maar ook in de winter, dit vond ik ook een goede periode en ik ving dan ook veel. Ik zat er dan lekker alleen want je grootste tegenstander bij het vangen van een karper is uw collega visser en het voeren van hem. Deze bepaalt vaak waar je moet of mag zitten. Hier had je toen in de winter weinig last van.
Als je terugkijkt, welke periode vond je het leukst?
Toch wel de jaren zeventig, maar ook de beginperiode van de boilie toen er een hoop zelf uit te zoeken was. Dat was een leuke tijd en je ving met de boilie in het begin abnormaal veel vis, echt ongelooflijk. Op een gegeven moment zat ik ergens op een water met de boilie en ving erg veel vis. Maar zoals jullie wel weten: als je een hoop vis vangt trek je ook de aandacht van andere mensen. We viste daar toen met vismeelboilies en hadden op de boilies in onze tas een heel brood gelegd, zodat als ze in je tas keken het net leek of je met brood zat te vissen. Op een geven moment had ik op een dag een tiental mensen om me heen staan toen ik een aanbeet kreeg. Op een gegeven moment moet je natuurlijk weer uitgooien. Maar ik wilde dit natuurlijk niet doen met een boilie, dus kneedde ik een vlok op mijn hair. Ik gooide uit en dacht ‘Laat maar liggen, dat komt dadelijk wel als ze weer weg zijn’. Maar binnen twee minuten had ik op die vlok brood aan de hair óók beet! De volgende dag zat op hetzelfde water iedereen daar met brood op een hair te vissen.
Had je, toen je al een beetje aan het afbouwen was, ooit gedacht dat er zulke grote vissen zouden zwemmen in Nederland?
Nee niet echt, maar als ik per se zou willen en ik zou dit jaar een vis van twintig kilo willen vangen, dan vang ik hem dit jaar. Hier in de omgeving weet ik er zo al een stuk of tien te zitten. Maar aan de andere kant dit boeit me niet meer zo omdat ik zie hoe ze hier zitten te vissen. De manier wekt bij mij irritatie op en die ergernis wil ik mij besparen. Vissen met halen in de bek door het zeer zware vissen vandaag de dag, het is niet mijn ding meer. De behandeling van de vis ná de vangst is beter als ervoor.
Vind je ook dat de natuurbeleving ondergeschikt geraakt is aan het vangen van enkel grote vissen?
Ja, de natuur is voor veel vissers helaas oninteressant aan het worden, maar naarmate ik ouder word, wordt dit steeds belangrijker voor mij. Ik zou bijvoorbeeld niet meer in hartje Den Haag kunnen vissen, wat ik vroeger wel deed. Ik vis nu voornamelijk in de winter en dan vooral in poldersloten. Meestal in het gebied van Maas en Waal. Daar zoeken wij de diepere stekken op, bij bruggen of kuilen. Zeker als het water een graad of 4-5 is geworden, liggen de meeste vissen in diepere kuilen. Dan maken wij voerplekjes en wij vangen praktisch altijd. Dit doe ik dan altijd met mijn broer Bram en hij vang ze dan tot een kilo of 15 en allemaal met de pen. Wij voeren dan met gewoon kippenvoer en vissen met maïs. Wij voeren ook veel met hennep, hoewel dit geen aas is waar makkelijk mee te vissen is. Hier vissen wij dan met kattenbrokken uit blik overheen.
Wat is je meest ultieme viservaring?
Dan moet ik toch zeggen op de meerval en een aantal extreme weersomstandigheden. Zoals een enorme onweersbui op de Oriënt. Hier zag je echt toen complete bivvy’s voorbij waaien van een stel Duitsers verderop. En de volgende morgen hoorden we dan dat er die nacht iemand verdronken was. Die was toch met dat weer het water opgegaan om een karper vanuit zijn boot te drillen. Die onweerbui heeft ook een grote indruk op mij gemaakt.
Ben je nog wel betrokken bij het karpervissen van nu?
Wel ik krijg nog wel bladen thuis zoals de Karperwereld, de Beet en af en toe de Spiegel. Maar weet je wat is? Het is allemaal één pot nat. Als ik alle bladen bekijk dan zie ik de mooiste en de grootste vissen staan, maar ook dat gaat na verloop van tijd tegenstaan en het lijkt allemaal op elkaar. Ik vind dat het vissen toch iets meer behelst dan alleen maar groot. Ik vind het nu belangrijker wáár ik vis, met wie ik vis en iets vangen is eigenlijk helemaal niet zo belangrijk. Waarmee ik wil zeggen dat formaat niet belangrijk is voor mij en ik offer daar dus zeker niet alles voor op.
Leidt fanatisme naar een dood spoor?
Altijd, ja altijd. Het wordt op een gegeven moment een passie, een soort religie. Want heel je hoofd gaat er naar staan en je kijkt dan in een soort van tunnel, van dít wil ik vangen en dát wil ik bereiken. Daar is op zich niks mis mee, maar dan ga je wel eens terugdenken. Zo van: waar doe ik dit eigenlijk allemaal voor? Doe ik dit voor mijn eigen ego, doe ik dit omdat het een uitdaging is of om bepaalde vissen op een bepaald soort water te vangen?
Karper Bijbel, leven lang visser of een leven lang schrijver en tot slot natuurlijk: je beste aas?
Zonder meer Quest For Carp van Jack Hilton. En Redmire van Kevin Clifford en Len Arbery vind ik ook erg mooi. En natuurlijk ben ik een visser, schrijven is er toevallig bij gekomen.
Het aas, dat is op afstand hennepdeeg geweest. Hier zit hennep in, fijn geprakte aardappelen, custardpoeder, hennepolie en roggebrood.
De oorsprong van het ultralichte spinnen
Het ultralichte spinnen is in Nederland vanaf het einde van de jaren veertig van de vorige eeuw tot ontwikkeling is gekomen. Verreweg het meeste baanbrekende en propagerende werk is daarbij verricht door de grote man van de Nederlandse hengelsport in de twintigste eeuw, Jan Schreiner. De oorsprong van het ultralichte spinnen ligt echter in Frankrijk en de uit dat land geïmporteerde materialen en technieken zijn van belangrijke invloed geweest op de manier waarop de ultralichte kunstaasvisserij bij ons werd en wordt beoefend.
Wat verstaan we in dit artikel eigenlijk onder ultralicht spinnen? Het begrip ’spinnen’ is het gemakkelijkst te omschrijven. We nemen het wat ruimer dan alleen het vissen met spinners en rekenen er het vissen met al het denkbare kunstaas toe - voorzover dat natuurlijk met ultralicht materiaal te werpen en te vissen valt. Dan het begrip ‘ultralicht’. Als je uitgaat van de vissoorten waar je op uit bent, is dat een relatief begrip. Je kunt ultralicht vissen op baars, met een 4-grams spinhengeltje, maar je kunt ook ultralicht op haai gaan, bijvoorbeeld met een 40-grams plughengel of een baitcaster. In dit artikel gaan echter we niet uit van vissoorten maar van hengels, meer precies van spinhengels. Daarmee nemen we het begrip ultralicht dus niet relatief maar absoluut. Naar wat volgens de Nederlandse traditie het meest gebruikelijk is, rekenen we er de spinhengels toe met een maximaal werpgewicht tot en met 6 gram. Sommigen leggen die grens liever bij 5 gram en in andere landen gelden weer andere grenzen, al is het verschil vaak maar minimaal. In Amerika bijvoorbeeld kiest men algemeen voor een bovengrens van 1/4 oz. wat overeenkomt met 7 gram. Alles daaronder heet ultralight. De keuze van zo’n grens is natuurlijk niet van levensbelang en berust ook niet op een of andere noodzakelijkheid, het gaat er alleen maar om dat we een afspraak maken over de afbakening van wat we ‘ultralicht’ noemen, zodat tenminste duidelijk is waar we het met die term over hebben.
Waaraan dankt het ultralichte spinnen zijn bestaansrecht? Of anders gezegd: wat is het nut of de aantrekkingskracht van deze manier van vissen, die immers meer risico’s op het verspelen van vis of het vastraken van kunstaas met zich meebrengt dan wanneer er zwaarder materiaal wordt ingezet? Het ultralichte spinnen staat in feite op twee benen. Ten eerste heeft het een functioneel doel en om die reden is het ook ontstaan: het maakt het mogelijk om bijzonder lichte kunstaassoorten te werpen en aan een vis te presenteren, die met grover geschut of aan opvallender materiaal in bepaalde omstandigheden moeilijker of helemaal niet te verleiden zou zijn geweest. Ten tweede - maar zeker niet minder belangrijk - is het ultralichte spinnen een methode die een hoge mate van raffinement en fijnzinnige perfectie met zich meebrengt, en dat geldt ook voor de materialen die erbij worden gebruikt. Voor degene die daar gevoelig voor is, heeft deze visserij alleen al daardoor zoveel genoegen te bieden, dat de functionaliteit desnoods op de tweede plaats mag komen. Je kiest dan voor ultralicht spinnen ook al is een andere methode op dat moment misschien effectiever, een keuze puur dus voor het plezier - en daar gaat het toch in de eerste plaats om.
Frankrijk
Zoals gezegd steunde het ultralichte vissen in Nederland, toen het hier vanaf het einde van de jaren veertig van de twintigste eeuw tot ontwikkeling kwam, vooral op de ontwikkelingen die eerder in dat decennium hadden plaats gehad in Frankrijk. Daar had dr. Pierre Barbellion in 1941 in zijn boek Lancer léger et poissons de sport voor het eerst de term lancer extra-léger (extra licht werpen) gebruikt voor het werpen van gewichtjes van 1,5 tot 3 gram. Dit gebeurde met behulp van ragfijne splitcane werphengeltjes met een werpvermogen van rond de 2 gram. Het was in de jaren veertig en vijftig zowel in Frankrijk als in Nederland gebruikelijk om werphengels behalve naar hun werpvermogen ook te klasseren naar hun ‘arbeidsvermogen’: de minimale belasting waaronder een horizontaal gehouden hengel 90 graden naar beneden buigt (wat de Engelsen test curve noemen). Het maximale werpgewicht voor 7-voets splitcane spinhengels werd dan vastgesteld als zijnde 1/50 deel van het arbeidsvermogen. De hengeltjes die Barbellion gebruikte voor het ‘extra lichte werpen’ hadden een arbeidsvermogen van niet meer dan 90 of 100 gram. Ze werden onder meer ingezet om met kleine spinnertjes en ander licht kunstaas op forel of baars te jagen.
De term lancer ultra-léger (ultralicht werpen) werd in de literatuur voor het eerst gebruikt door Pierre Lacouche in zijn boek Le lancer léger de surface uit 1945. Het jaar daarop publiceerde Sylvain Massé het boek Au léger - ultra-léger, waarin hij het ultralichte werpen definieerde als het werpen met gewichten tot en met 2 gram. Daarbij werden in die tijd lijnen gebruikt van 0,09 tot 0,14 mm bij een trekkracht van ongeveer 0,5 tot 0,8 kg. De categorie daarboven was dan het lancer extra-léger met gewichten van 3 tot 6 gram en lijnen van 0,14 tot 0,18 mm, gevolgd door het lancer léger met gewichten van 7 tot 10 gram en lijnen van 0,18 tot 0,22 mm. Maar tegenwoordig wordt de term lancer extra-léger niet of nauwelijks meer gebruikt. Het ultralichte werpen wordt nu in Frankrijk algemeen gedefinieerd als het gebruik van werphengels met een werpgewicht tot 3 gram. Werpgewichten daarboven, van 4 gram oplopend tot 10 gram, worden tot het lichte werpen gerekend, gevolgd door het middelzware en zware werpen. Overigens, laat iemand zich geen vooral geen zorgen maken als hij alle termen, gewichten en begrenzingen inmiddels niet meer kan bijbenen.
In Frankrijk werd in de eerste decennia na de oorlog een heel scala aan fijne ultralichte splitcane spinhengeltjes gebouwd, met arbeidsvermogens van 60, 80, 90 en 100 gram (dus met maximale werpgewichten oplopend van 1,2 tot 2 gram). De leidende fabrikant hiervan was de gerenommeerde firma Pezon & Michel, die in 1948 haar eerste ultralichte splitcane spinhengeltjes op de markt bracht. Dezelfde firma produceerde inmiddels ook een voor die tijd superieure lichte werpmolen: de oorspronkelijke Luxor (model 1936), een molentje van 225 gram met kunststof spoel, dat al snel werd gevolgd en verdrongen door de iets degelijker en forser uitgevoerde versie met aluminium spoel, de Luxor-Luxe (260 gram). De producten van Pezon & Michel kwamen ook op de Nederlandse markt en met die materialen ook de vismethodes die ermee mogelijk waren. In de eerste druk van Jan Schreiners invloedrijke boek Flitsend Nylon (1950) zien we bijvoorbeeld al 7-voets Luxor spinhengels van Pezon & Michel afgebeeld, waarvan indertijd behalve 24, 18 en 12-grams modellen ook een 6-grammer verkrijgbaar was; in de 2e druk uit 1952 is bovendien een 4-grammer afgebeeld.
Nederland
De meest omvangrijke ontwikkeling die zich tot op heden in de Nederlandse hengelsport heeft voltrokken, een ware stroomversnelling feitelijk, had plaats in ruwweg de periode 1950-1970. Het vissen met werphengels en werpmolens, dat in ons land voordien nog slechts door weinigen werd toegepast - met als pionier A.M.J. Dresselhuys in de jaren twintig - vond in die twee decennia algemeen ingang. Allerlei nieuwe materialen kwamen beschikbaar, in de eerste plaats de nylon lijn, en fundamenteel nieuwe technieken werden gepropageerd en toegepast. Bovendien veranderden de inzichten en de mentaliteit ten aanzien van het vissen. Vissen werd nadrukkelijk spórtvissen: het genieten van het vissen zelf werd steeds belangrijker en het terugzetten van vis won terrein op het meenemen, dat altijd zo vanzelfsprekend was geweest. Doordat de buit niet meer allesbepalend werd gevonden, kón er ook meer aandacht komen voor de manier waarop de vis gevangen werd en telde niet meer alleen het eindresultaat in de vorm van een flink gevulde bun of juten zak. Sterker nog, de manier van vangen kwam voor velen voorop te staan. Helaas kreeg deze mentaliteitsontwikkeling later, vanaf de jaren zeventig, echter weer de wind tegen, vooral door invloed van het uit Engeland overgewaaide specimen hunting.
Dé grote man achter de evolutie - zo niet revolutie - van de Nederlandse hengelsport in de eerste dertig jaar na de oorlog was zonder twijfel Jan Schreiner. En zoals aan het begin al werd vermeld, was hij ook verreweg de belangrijkste man die in ons land het ultralichte kunstaasvissen heeft gepropageerd en tot ontwikkeling heeft gebracht. De ontwikkeling waarvoor Schreiner zich heeft ingezet omvat zowel de vistechnische vernieuwingen als de hierboven genoemde mentaliteitsverandering. Die twee elementen zijn nauw met elkaar verbonden. Zonder die mentaliteitsverandering, waarbij het genoegen van de vismethode belangrijker werd gevonden dan de hoeveelheid gevangen vis, zou het ultralichte vissen immers ondenkbaar zijn. Het zou als een veelal te weinig productieve en te riskante methode beschouwd worden en geen recht van bestaan hebben.
In zijn boeken publiceerde Jan Schreiner het eerst over ultralicht vissen in 1950. In dat jaar verscheen zowel de eerste druk van zijn standaardwerk Flitsend Nylon als het kleinere boek De pen duikt weg…! Om met het laatste boek te beginnen, hierin noemt Schreiner onder andere het vissen met kleine spinner-vlieg-combinaties. Die leveren volgens hem, “hoewel eigenlijk gemaakt voor ultralicht werk op forel, vooral in het vroege voorjaar vaak zeer goede resultaten op op de baars.” Hij viste die spinnertjes dan met 0,14 tot 0,18 mm nylon op hengeltjes van 4 of 6 gram werpvermogen en soms zelfs wel eens met 0,12 mm op een 2-grammertje. Ook op de snoekbaars zette hij wel eens een klein ‘Tarantella’-spinnertje in, met 0,14 mm nylon op een 6-grammertje. Voor 1950 is dat inderdaad ultralicht vissen. Vooral als je je bedenkt dat zo’n 0,14 mm lijntje toen niet meer trekkracht had dan 0,8 kilo!
In de eerste druk van Flitsend Nylon worden ook al dergelijke prestaties genoemd: “Met kunstaas dat bv. 3 à 5 gram weegt, kan men een snoek van 10 pond en zwaarder vangen. Met een tweepondslijn en een ultralichte hengel - ik ving er eens een van 10 pond aan een hengeltje dat 70 gram woog - kan men zo’n snoek overwinnen.” Maar het was toen, in 1950, kennelijk nog wel erg een visserij in de marge - een apart hoofdstuk heeft Schreiner dan nog niet aan het ultralichte spinnen gewijd. Dat voegde hij wel toe aan de tweede druk, die in 1952 verscheen. Daarin schrijft hij na een bevlogen romantische intro onder meer:
“Wij gaan ultra-licht spinnen. Dat splitcane-rapier, waar ik het al eerder over had, is een eersteklas 6½ ft stokje met een maximum-werpvermogen van 4 g en het nylon dat ge daar ziet glanzen, meet onder de micrometer geen honderdste millimeter meer dan 12/100. Het lokaas is een grappig klein spinnertje met een blad van 10 mm, waarachter een vliegje is gemonteerd op een enkel haakje. De enige bezwaring die hier nog bij komt is één enkel gespleten hageltje van middelmatige grootte.
Het werpen met dit lichte gewicht is zeer moeilijk en kan beschouwd worden als de hoogste vorm van lanceren. U kunt het gerust op één lijn stellen met het werpen van de vlieg.”
De ultralichte materialen die Schreiner in deze tweede druk van Flitsend Nylon liet afbeelden, geven een idee van wat er op dat gebied indertijd (1952) in Nederland verkrijgbaar was. Er zijn drie ultralichte hengels te zien: een ‘Luxor 200′ van Pezon & Michel met een werpvermogen van 4 gram, volgens Schreiner geschikt voor de voorn en brasemvisserij, en twee ultralichte spinhengels van het Nederlandse merk B&R (Bertram & Roelfs). De B&R hengels zijn een model ‘Tarantella 300′, een 6-grammer “voor het vissen op baars en snoek, buldobvissen, makreel, brasem en voorn”, en een ‘Zephyr 200′, een 4-grammer voor baarsspinnen en het vissen op voorn en brasem. Alle genoemde hengels zijn van splitcane. Nadat Jan Schreiner met zijn compagnon Willem Persoon enkele jaren later een eigen hengelsportzaak was gestart (’Hengelsporthuis Flitsend Nylon’ aan het Kleine Gartmanplantsoen in Amsterdam, geopend op 1 september 1956) begon hij ook zelf hengels te bouwen, onder de merknaam ‘Fair Play’. Daaronder waren ook ultralichte spinhengels, aanvankelijk vermoedelijk in splitcane, maar begin jaren zestig in ieder geval al in holglas.
Als ultralicht molentje vinden we al in de eerste druk van Flitsend Nylon (1950) de Alcedo Micron afgebeeld, een fraai Italiaans stukje techniek van maar 190 gram. Een paar jaar later kwam Pelican, een merk uit dezelfde Turijnse fabriek als Alcedo, met een ultralicht model, de Pelican 50, dat veel verkocht werd. Maar ook de al eerder genoemde kleine Luxor molen werd, hoewel wat zwaarder, indertijd veel voor het ultralichte werk gebruikt.
Zo kwam het ultralichte kunstaasvissen in Nederland langzaam maar zeker op de kaart te staan. Aanvankelijk, in de jaren vijftig, was dat nog op kleine schaal, maar naarmate in de jaren zestig de welvaart toenam, kwamen de relatief toch vrij kostbare materialen die voor deze visserij nodig waren voor steeds meer sportvissers binnen handbereik. Ik sluit graag af met een kort maar gloedvol pleidooi van Jan Schreiner uit 1969, te vinden in zijn Groot Sportvissersboek:
“Mij beperkend tot ultralicht spinnen kan ik dit zeggen: zo’n ultralichte uitrusting moet worden beschouwd als onmisbaar gereedschap. Zeker voor de sportvissers die de poldervisserij minnen. Want met een klein spinnertje, waarmee correct wordt gevist, schiet men maar zelden naast de roos.
Is dat nu zo, Schreiner?
Bij mijn ziel en zaligheid, het is zo.
Als het echt om ziel en zaligheid zou gaan, slechts te behouden door in de polder wat vis te vangen, zou ik als veiligste wapen een ultralichte hengel en een klein spinnertje kiezen. Om het risico - voor ziel en zaligheid - zo klein mogelijk te maken.”
——————————
TIPS. Boeken speciaal over het ultralichte spinnen zijn er in de Nederlandse taal jammer genoeg niet, op een enkele ‘print-on-demand’-uitgave na. Het ultralichte geweld speelt zich hier behalve aan de waterkant vooral af op websites, waarvan ik het weblog Struinen door de polder van Peter Linzell graag noem; deze site bevat ook links naar verwante websites. Een Amerikaanse publicatie die ik kan aanraden is het boeiende en prachtig verzorgde boek Ultralight Fishing van Tim Lilley (in te zien op Amazon.com).
Fair Play: oude liefde roest niet…
Het verhaal is al vaker verteld: de historie van Fair Play hengels begint in de tweede helft van de jaren ‘50 met een winkel in hengelsportmateriaal aan het Kleine Gartmanplantsoen in Amsterdam.
Het gebruikte merk Fair Play werd overigens pas wat later, in 1969, geregistreerd toen de winkel verhuisde naar het huidige vestigingsadres aan de Roelof Hartstraat 32.
Mijn eigen historie met Fair Play begint in de eerste helft van de jaren 70, toen ik als jongetje van veertien mijn eerste zelfstandige stappen in de winkel deed. En, enigszins in tegenspraak met die leeftijd: niet zonder eerbied.
Want daaraan vooraf ging het lezen van de nodige boeken van Jan Schreiner, die bij mijn vader keurig op een rijtje in de kast stonden, met voor mij als meesterstuk “Werphengel Wel en Wee” uit 1969. De veel geroemde pen van Schreiner was zeker destijds ongeëvenaard en zijn verhalen maakten op mij dan ook diepe indruk.
In die tijd, wonende in Amsterdam, en met als transportmiddel alleen een fiets, was mijn hengelsportwereld klein en werd die wereld voor mij geregeerd door Koning Jan en kroonprins John, die met zijn vader sinds 1964 ook fysiek inhoud gaf aan het begrip Schreiner & Zn.
Het was tegen deze achtergrond welhaast onontkoombaar dat mijn eerste met vakantiewerk vergaarde muntjes in 1975 opgingen aan een spiksplinternieuw ultralicht geel holglas Fair Play spinhengeltje. Daar waren overigens, ook toen al, hele polemieken in de winkel over de hengels en ook de noodzaak van de bussen aan vooraf gegaan. Die bussen waren voor mij overigens niet de halszaak die de Schreiners er zelf van maakten; ik was gegrepen door het evangelie van het lichter vissen zoals dat door de meester werd verkondigd en had wat minder oog en oor voor zaken als de bussen en de met de hengels opgediende mechanica. Ik wilde gewoon vissen met een maximum aan kansen en plezier.
En voor dat recept was je aan de Roelof Hartstraat natuurlijk aan het goede adres. Het concept van het sportvissen als spel en de onmiskenbare romantiek daarvan, belichaamd door ondermeer een hoepelrond gebogen hengel, de tikkende slip, de juiste verhoudingen tussen hengel, lijn en werpgewicht; het had mij allemaal volledig in de greep en ik voelde mij bevoorrecht dat ik de materie zo nadrukkelijk doorgrondde. Met ongekend vertrouwen zwierf ik met mijn kersverse bezit dan ook langs het hoofdstedelijke water.
Niet zonder succes; in dat voor mij eerste echte Fair Play jaar ving ik op een stomp spinnertje van 25 millimeter een snoek van 87 centimeter. Had ik het licht al gezien, nu werd ik van volgeling voorganger en ging het hek geheel van de dam. Bijbaantjes brachten al snel andere Fair Play’s in huis, zonder uitzondering lekker licht in relatie tot de te beoefenen visserij, zoals een Winston karperhengel voor 18-20/100. Ik vond namelijk 22/00 wat aan de al te stevige kant. Als onweerlegbaar bewijs voor de juistheid van de Fair Play stelling in zake lichter vissen en meer vangen ving ik verschrikkelijk veel vis, wat niet los kan worden gezien van het feit dat ik als scholier ook heel veel tijd had.
De devotie, want zo kun je het misschien wel noemen, nam in die tijd wel enigszins verontrustende vormen aan. Inherent aan de toewijding was dat ik het een beetje overdreef; ik viste soms zelfs met 12 of 14/100 gericht op karper met een brasemhengel – al was de passende nuance van Schreiner dat die visserij natuurlijk wel plaatsvond in cultuurwater - en op “edelkarper”.
Ik kan in het licht van het bovenstaande misschien niet geheel als strikt objectieve beschouwer worden aangemerkt, maar voor mij zijn de holglas hengels zoals die grofweg tussen 1970 en 1980 zijn gemaakt het summum van de Fair Play hengelbouw. Het zijn uitgekristalliseerde hengels ten opzichte van de eerdere perioden; er zijn veelal betere blanks gebruikt, er is sprake van meer innovatieve ontwerpen en ook zijn de hengels beter qua details als geleideogenverdeling. Eigenlijk waren ze niet of nauwelijks voor verdere verbetering vatbaar.
Niet alleen zijn de hengels superlicht, hebben ze vrijwel altijd reelringen, ook zijn ze voorzien van de dunste hardverchroomde ogen en meestal van de onvolprezen duraluminium busjes. Iets zwaardere hengels, zoals de karperhengels, zijn voorzien van een in eigen beheer ontwikkelde messing bus die werd geblauwd.
De hengels uit die tijd, die ik toen als perfect en vrijwel overal inzetbaar heb ervaren, blijken als mijn wereld zich verruimt en grenzen letterlijk wegvallen niet als enige zaligmakend. Maar misschien was het wel gewoon zo dat ik ooit het juiste water bij de hengels zocht en dat ik later die hengels meenam naar water waar ze minder perfect voor waren. Ik kwam op een punt dat andere merken een kans kregen hun waarde te tonen.
Wie veel vist ontwikkelt als hengelsporter niet alleen een bepaalde stijl, maar ook en vooral eigen voorkeuren en overtuigingen. Ik denk dat, op dat punt aangekomen, de gidsrol die Fair Play in het begin van menige hengelsportcarrière onmiskenbaar heeft vervuld voor velen ophield te bestaan. Zo zijn bijvoorbeeld veel vlieg- en karpervissers andere wegen ingeslagen; ook mij is het als vliegvisser zo vergaan. Wat overigens niet wil zeggen dat ik niet meer met Fair Play hengels viste.
Als ik na al die jaren nu nog eens terugblik stel ik vast dat het Fair Play assortiment groot is geweest en nog altijd is. Natuurlijk kan niet elk hengel ontwerp even geslaagd worden genoemd, maar voor welke hengelbouwer geldt dat wel? Daarbij valt over smaak niet te twisten, al denken we daar met z’n allen in relatie tot hengels natuurlijk heel anders over….
Belangrijker is de vaststelling dat sommige hengels echte klassiekers zijn geworden en onmiskenbaar verbonden zijn met onze Nederlandse hengelbouwhistorie.
De ultralichte en lichte spinhengels in holglas, de drie grams Floret voorop, en de brasem- en vlokhengels voor 10-12/00 bijvoorbeeld; de lange lichte karperhengels; maar ook een veel moderner grafiet twee grammertje als de Rapier heeft inmiddels cultstatus verworven.
Andere bijzondere hengels zijn de grafiet brasemhengel voor 10-12/100 en de lange vlokhengel van hetzelfde materiaal. Unieke hengels met een heel herkenbare signatuur.
Mijn persoonlijke slotsom is dat ook vandaag de dag Fair Play nog altijd een perfecte keus is, een keus die ik zelf maak voor een aantal modellen bedoeld voor de ultralichte visserij. Voor mij schijnt daar de Fair Play ster - net als toen - het helderst.
Niet alleen gebruik ik af en toe nog het materiaal waarmee het allemaal begon, maar ook bezit ik een aantal van de hedendaagse hengels uit het atelier van John; die overigens zelf nog altijd vist, wat niet van elke hengelbouwer gezegd kan worden maar wat ik zelf vanuit het oogpunt van de beleving wel sympathiek en daarmee een pluspunt vind.
En daarmee kom ik op het gegeven dat veel van de keuze om juist met Fair Play hengels te vissen vooral met gevoel en ook met smaak te maken heeft. Mij spreekt de consistent door de decennia heen gehanteerde stijl, zowel qua ontwerp alsook qua afwerking, erg aan.
En juist in deze tijd, na een periode waarin een kritische beschouwer componenten als de gebruikte geleideogen vaak terecht als (te) zwaar van gewicht taxeerde, zijn hengels als mijn persoonlijke favoriet, de grafiet vlokhengel in de lengte van 235 cm, maar ook bijvoorbeeld de Rapier en de Floret weer helemaal up to date. Voorzien van bijvoorbeeld de lichtere REC Recoil ogen, mooi kurk en geblauwde busjes zijn dit opnieuw geslepen klassieke juwelen.
Ook is er tijd en ruimte voor echt “custom” werk, wat natuurlijk bij een product in deze prijsklasse van handbouw past, maar bijvoorbeeld ook, en dat is niet alledaags, ten aanzien van kleurstellingen van de blanks. Zo beschikken sommige sportvissers inmiddels over moderne Fair Play hengels in retro Schreiner kleuren als geel en groen.
Vijfendertig jaar na dato ben ik dan misschien ongevoelig geworden voor het verhaal dat rond de hengels wordt verteld; feit is dat vele modellen simpelweg voor zichzelf spreken. Met mij is er een grote groep vissers die, vaak door jarenlange ervaring wijs geworden, uit de collectie z’n eigen keuze kan maken.
In een hengelsportwereld die met harde hand wordt geregeerd door investerings-maatschappijen, marketingafdelingen en de daarmee opgelegde continue vernieuwing, en waarin hengels naar het soms lijkt alleen maar nieuw of tenminste licht, strak en hard moeten zijn, betrap ik mij er zelf op dat ik net als destijds af en toe weer volop geniet van hengels die vooral ouderwets werpen en buigen en ook qua afwerking eigengereid of misschien wel gewoon een beetje wars zijn van de moderne tijd.
Echte hengels; oude liefde roest niet!
De rivier en de barbeel
Het is alweer een tijdje geleden dat ik mijn lijn nat kon maken in de rivier. Het wilde dit jaar niet echt lukken met de Barbus barbus. Sommige stukken van de rivier waren in de winter compleet veranderd en herbergen geen barbeel meer. Grindbanken waren helemaal verplaatst en een stuk verder opgeworpen, bomen ontworteld en ook diverse oeverkanten waren ingestort. De winter had duidelijk zijn voetsporen achtergelaten. Ik heb het de afgelopen winter ook nog een keer geprobeerd, maar een flinke tik op de top was alles wat ik voor elkaar kreeg, waarschijnlijk was dit wel een barbeel!
De laatste keer met vismaat Mark leverde helaas ook al geen barbeel op. Ik vertelde toen aan Mark “De eerst volgende keer als ik weer ga, gooi ik mijn laatste wapen in de strijd”. “En dat is?” vroeg Mark. “Mijn Allcock’s Super Wizard” antwoordde ik droog. “De naam alleen al moet genoeg zijn voor een barbeel”. Dit is een hengel met het onderste deel van bamboe en de twee volgende delen van splitcane. Zoals gezegd ging ik de daarop volgende keer met de Wizard op stap en laat ik nu op de eerste stek een hele mooie barbeel vangen van 65 cm. De rest van de dag ving ik niets meer, voor mij onbelangrijk want mijn dag kon al niet meer stuk.
In het verleden heb ik ook op de Waal op barbeel gevist en soms dagen gehad van 10 tot wel 16 aanbeten op een dag. Maar de manier van vissen hier staat mij niet aan en ik ben het dan ook altijd snel zat op de Waal. Hengels strak omhoog, zwaar lood uitgooien en ga maar in de wachtkamer zitten. Iets in mijn hart zei dan nee, dit is het niet. Als je naar de foto’s kijkt en je laat je vissershart spreken dan begrijp je wat ik hiermee bedoel. Ik heb ook nog van iemand een uitnodiging voor de IJssel liggen. Ik denk dat deze rivier wellicht beter bij mij past omdat het een wat intiemere rivier is.
Een rivier met vele grilligheden, daar kan ik mijn creativiteit kwijt en helemaal mijn ziel inleggen. Dit vanwege de afwisselingen: binnenbochten, buitenbochten, gezonken bomen, omgevallen bomen, overhangende bomen; noem maar op, het is er. Het vangen van hoeveelheden en de grootte van de vis zijn voor mij niet belangrijk. Voor mij is het vissen dan ook niet het leveren van een prestatie. Het leveren van prestaties doe ik op mijn werk, de plek waar dit moet als zelfstandig ondernemer. Vissen houd ik altijd zo simpel als mogelijk en dat ervaar ik als heerlijk. Met simpel bedoel ik een tas, een hengel (bijna altijd een splitcane), een schepnet en soms een stoeltje. Als het regent of gaat regenen trek een waxjas aan met capuchon en het wordt vanzelf wel weer een keer droog. Op deze manier ben ik mobiel en kan ik gemakkelijk grote stukken rivier afvissen met altijd weer ergens een avontuur of een nieuwe ontdekking.
Ook mijn aas is simpel, kaas is bij mij bij op afstand nummer één. Maar ik heb ook wel een blikje Smac of maïs bij me. Bij de kaas doe ik wel altijd een aantal poeders zoals kerrie-, knoflook- en gorgonzolapoeder. Dit doe ik omdat het blokje kaas alles is wat ik op mijn haak doe. Ik wil geen toestanden aan mijn lijn zoals korven en dergelijke. Het enige aan mijn lijn is een stukje lood aan een wartel dat open en dicht kan, zodat ik het gewicht van mijn lood kan aanpassen aan de omstandigheden van de stek. In mijn rivier ligt veel drijfhout op de bodem en stenen waar je makkelijk aan vast kan komen te zitten.
Mijn vismaat opperde de suggestie efficiënter te vissen door een aantal voerplekken aan te leggen en deze dan af te vissen. Ik maakte hem deelgenoot van mijn gedachtegang over mijn manier vissen en hij kon dit begrijpen. Voerplekken brengen verplichtingen met zich mee door die stekken weer af te moeten vissen. Bij mijn manier van vissen verplicht ik me tot niets. Als ik weer naar een andere stek toeloop weet ik niet wat me daar te wachten staat. Juist daarin ligt de voldoening van mijn manier van vissen.
Het afgelopen weekend was er weer die drang om een stuk te gaan sturen en te kijken of ik het de barbelen op mijn rivier moeilijk kon gaan maken. Misschien vreemd voor sommigen is de wetenschap dat ik vier uur of meer kwijt ben met reizen naar en van mijn favoriete stek. Maar de werkelijke schitterende ambiance van de omgeving compenseert dit meer dan voldoende.
Het was mooie maar warme dag, zeker tussen de soms hoge wallen van de rivier kon het akelig heet zijn. Je rook soms het groen uit de rivier dat aan het verdrogen was. Een andere mooie bijkomstigheid was dat het water door de geringe regenval erg helder was. Je kon aan de kanten zien hoe de rivier de afgelopen tijd gezakt was. Ook de oeverzwaluw had het erg druk met aan en af vliegen in de walkanten. Omdat het water helder was zag ik heel veel jongbroed maar ook kopvoorn, serpeling en elritsen, maar geen barbeel. Soms verraadt de barbeel zich door te flanken tegen de bodem, iets wat je ook regelmatig ziet op de Grensmaas, ook één op mijn lijstje van favoriete rivieren.
Na een tweetal plekken geprobeerd te hebben met nul op het scorebord, zouden dingen op de derde stek anders verlopen. Als er barbeel op de stek ligt, duurt het meestal niet lang voor je een aanbeet krijgt. Ook nu hoefde ik maar een half uurtje te wachten voor de eerste aanbeet kwam. Een barbeel pakte het stuk kaas en trok de hengel die ik meestel in mijn handen vasthoud rustig maar vastberaden krom. Waarop ik met de Fred Taylor Roach Rod kon aanslaan. De Roach Rod is een hol gebouwde splitcane van 12 voet en ondanks dat deze moet doorgaan voor een voornhengel is zij toch aardig pittig.
Groter uitgevallen dan normaal trok deze barbeel de hengel goed krom en nam een aantal flinke runs en verstoorde daarmee de stilte van het landschap. Ook maakte deze vis gebruik van de stroming in een poging weg te komen. Daarbij kwam zijn lichaamsvorm, vooral als het door de stroming naar beneden wordt gedrukt, goed van pas. Ik, toch al zwetend vanwege het warme weer, kreeg het nog een paar graden warmer! Ik denk dat de barbeel een centimeter of zeventig was, echt een pracht exemplaar.
Helaas kwam er een grote groep kanoërs voorbij als gevolg waarvan het in de uren daarna stil bleef. Later op de dag kreeg ik toch nog een mooie aanbeet en kon ik een nog een fraaie en gezonde kleinere barbeel landen. Tijdens de dril maakte deze vis karakteristieke stootbewegingen richting de bodem waardoor je gelijk weet dat de gehaakte vis een barbeel is. Verder bleef het die dag stil, maar het was wel een dag met mooie herinneringen. Voor de volgende keer en ik weet niet wanneer deze is, hoop ik wederom op een mooie dag als deze, al is het met wat slechter weer wel een stuk rustiger. Maar alles heeft zijn charmes en kijk uit bij het vissen op de rivier want “het doet rare dingen met vissers” zegt mijn vrouw, getuige de laatste foto.























