Van 1.500 naar 150 uur per jaar (deel 1)
Eind jaren ‘80 hing ik mijn hengels aan de wilgen. Daarvoor maakte ik deel uit van de Haagse karperscène, waarbij ik eerst de Westlandse polderwateren onveilig maakte en me in tweede instantie op de kanalen richtte. Ik viste toen nog veel met (hele) aardappels als aas en maakte nog net het begin van het boilietijdperk mee. Freelining was de meest gehanteerde methode. In die tijd stelde je nog wat voor als je meer dan 10 twintigponders in één seizoen wist te vangen. Een dertigponder was al helemaal een uitzondering! In die tijd visten we zo’n 1.500 uur per jaar. Begin jaren ‘90 kwamen er andere dingen in mijn leven. Een vrouw, een baan die steeds meer tijd vroeg, sportactiviteiten en uiteindelijk ook kinderen. Voor vissen was er even geen tijd. Toch begon het weer te kriebelen. Ik had mijn hengels niet weggedaan, maar keurig bewaard. Op een gegeven moment, eind jaren ‘90, heb ik weer een hengel opgetuigd. Met een pennetje en wat maïs trok ik erop uit. De vangst van drie kleine karpertjes luidde de start van mijn tweede vissersleven in. In dat tweede vissersleven heb ik een eigen wijze van karpervissen ontwikkeld.
Die viswijze laat zich typeren als een actieve vorm van karpervissen en bestaat uit een combinatie van het vissen met drijvend aas, met name hondenbrokken, en penvissen. Het drijvend vissen vormt de hoofdmoot, het penvissen doe ik vooral als ik nog geen vis op het drijvende aas verwacht. Ik zal met name mijn methode waarop ik het drijvend vissen bedrijf toelichten. Waarom eigenlijk drijvend vissen vraagt u. Het antwoord is vooral dat ik het zo’n spannende en actieve manier van vissen vind. Je kunt de vissen vrijwel altijd op je aas zien komen, soms kan je al inschatten om wat voor vis het gaat. Je kunt ook de vis opzoeken en proberen je aas voorzichtig in de buurt van de vis te brengen. Belangrijk voor mijn manier van drijvend vissen is het soort stekken dat ik uitzoek. Kenmerkend voor die stekken is dat ze in staat moeten zijn om een groot deel van de gevoerde hondenbrokken vast te houden. Niet alles mag worden afgevoerd door de stroom die vrijwel altijd op het polderwater aanwezig is. De stekken die ik daarvoor uitzoek hebben altijd begroeiing, vaak in de vorm van riet, maar soms ook in de vorm van wier of plompenbladeren. Bijna altijd vis ik ’s avonds. Ik ga meestal om een of 8 van huis en ga (afhankelijk van de omstandigheden) door tot 12 à 2 uur. En dat doe ik zo´n 30 à 35 avonden in een jaar. Zo kom ik aan ongeveer 150 visuren.
Als ik op pad ga voer ik eerst op 3 of 4 stekken hondenbrokken. Ik voer vaak vrij ruime hoeveelheden (een paar handen vol). Een deel daarvan blijft op de stek liggen, een deel drijft af en vormt zo een voerspoor. Als de watervogels (ook zij lusten hondenbrokken) actief zijn voer ik wat extra. Daardoor hoop ik te bereiken dat er nog hondenbrokken overblijven als de watervogels verzadigd zijn. Mijn ervaring is dat dit een betere strategie is dan te proberen de watervogels te verjagen. Bij de hoeveelheden die ik voer hou ik rekening met de omstandigheden. Soms is er gewoon weinig activiteit (van zowel vissen als watervogels) en dan voer ik minder. Te veel voeren werkt ook in je nadeel. Als er nog teveel hondenbrokken liggen is de kans dat het hondenbrokje met je haak eraan wordt genomen klein.
Als ik de stekken heb aangevoerd laat ik ze een poosje (al gauw 1 à 2 uur) met rust. In de buurt van de laatste stek die heb aangevoerd met hondenbrokken ga ik vervolgens penvissen. In het verleden heb ik met het penvissen ook wel gebruik gemaakt van boilies en Evert Aaltens afroommethode. Dit werkt wel, maar vraagt wel extra tijd om te voeren. Op een gegeven moment heb ik van het voeren van boilies afgezien en ben ik instant gaan vissen. Dit jaar doe ik dat met maden en wormen als aas en 2,5 mm bloodwormpellets als voer. Ook dat is succesvol. Af en toe heb je een bijvangst in de vorm van zeelt, brasem of zelfs snoekbaars. Maar ook de karper is niet vies van een Korda Maggot Klip vol maden of een trosje wormen.
Belangrijk daarbij is dat de dobber moet kunnen worden voorzien van een breekstaafje, ik vis immers in het donker. Ik gebruik daarvoor wedstrijdpennetjes met een kort drijflichaam die 0,5 tot 1,0 gram lood vragen. De glasfiber steel onder het drijflichaam kort ik in tot iets meer dan 1 cm. Direct onder het drijflichaam monteer ik een loodhagel die ervoor zorgt dat het dobbertje mooi gaat staan. Daaronder bevestig ik een oog waarin ik een schuifconnector bevestig. De dobber is na deze aanpassingen 8 à 10 cm lang en wordt op de lijn gemonteerd met stuitjes en gebruikt als een engelse schuifdobber. Bij het penvissen gebruik ik dan nog een loodhagel op de lijn om de dobber zinkend uit te loden.Ik begin met penvissen tot ik het tijd vind om de “hondenbrokkenplekken” af te gaan lopen, of tot ik de bekende slurpgeluiden van de laatst aangevoerde en dichtstbijzijnde voerplek hoor. Het kan ook zijn dat ik vind dat het tijd is om over te schakelen op drijvend vissen. Dan ga ik de aangelegde stekken aflopen. Is er op de eerste hondenbrokkenstek geen vis dan ga ik naar de volgende stek. Ik leg mijn haakaas niet in als er geen vis op het voer zit. Ik wacht meestal een half uurtje op een stek om te zien of er vis op het voer komt. Als dat het niet geval is ga ik door naar de volgende stek. Een enkele keer is het gebeurd dat ik op een avond vissen mijn aas niet eens heb ingelegd omdat er geen vis op het voer zat op mijn voerplekken!
Vaak begint het verorberen van de hondenbrokken voorzichtig. Pas als de karpers met overtuiging erop azen ga ik ook over op drijvend vissen. Ik verwijder dan de loodhagel van mijn lijn en monteer met behulp van één of twee baitbands een hondenbrok aan mijn haak. De afstand van mijn dobbertje tot de haak is klein. Kan ik de dobber en het aas makkelijk neerleggen in een open stukje water tussen het riet, wier of plompenbladen, dan houd ik zo’n 30 tot 40 cm aan. Moet ik het echter tussen de rietstengels in laten zakken of in een heel klein gaatje in het wier plaatsen dan hou ik slechts 15 à 20 cm aan. Het stuitje boven de dobber zet ik dan nog eens 15 à 20 cm hoger. De karpers laten zich niet afschrikken door een dobbertje dat zo dicht bij het aas ligt. Sterker nog, ik heb al vaak meegemaakt dat mijn dobber wordt gepakt in plaats van de hondenbrok. Als er karper op de hondenbrokken zit, probeer ik een patroon te ontdekken van de wijze waarop de vissen het aas benaderen. Vaak komen ze op hetzelfde plekje terug en benaderen ze dat steeds van dezelfde kant. Als ik een patroon denk te zien plaats ik mijn aas op de plek waar ik vis terug verwacht. Dan begint het wachten.
De visser
Er is verslaving in mijn staren
zodra ik uitgooi komt in mij
het woelen en het zoeken tot bedaren
mijn oog rust op de dobber, maar het is meer
dan rusten, het is alsof ik eindelijk
vrij ben op één plek te blijven,
en zo verstijft mijn blik - ik wacht niet
op het bijten van een vis - ik lijm
het ogenblik. Ik hoef niets hoef niet
te kijken. Bepaal mij tot de rimpelingen
bemoei mij niet in diepte door te dringen.
Los van wat boven of wat onder mij
verschijnt, verdwijnt, los van wat was
en los van wat nog te gebeuren staat.
De gladde kleuren die het vlakbij water glanst
zijn mij al veel te veel gebeuren
en kijk daar komt de eerste ring
van één of ander verre dompeling.
Wat kan ik beter doen dan niets,
dan niet bewegen. Zelfs het geringste
opslaan van een oog haalt onherstelbaar
overhoop en brengt teweeg en brengt teweeg.
Uit de bundel “Botshol” van Judith Herzberg, 1980.
Snowbee heuptasje
Voor wie niet graag een rug- of schoudertas draagt is het heuptasje van Snowbee een uitstekende optie. De tas met een sobere, klassieke uitstraling is vervaardigd van een stevig soort canvas. De afmetingen zijn circa: breedte 28 cm, diepte 14 cm, hoogte 19 cm (zijflappen niet meegerekend). Aan de bovenzijde is de tas door een ritssluiting af te sluiten. Aan de binnenkant bevinden zich onder het “deksel” twee vakjes, met klittenband afsluitbaar, van stevig maar soepel, rubberachtig gaas. Het is goed mogelijk hier een rolletje nylon in onder te brengen. Je steekt het nylon door het gaas en je hebt een soort leader dispenser.
In het hoofdvak van de tas bevinden zich aan de zijkanten twee gazen vakken; aan de achterkant een groot vak voor “vochtig” materiaal. Ook aan de beide zijkanten buiten bevinden zich twee van die gazen vakken. Het voorvak kan 90 graden openklappen en bestaat uit twee vakken, of eigenlijk vier, want ook hier zijn twee gazen vakken aangebracht. In twee platte lussen kun je nog zaken als een hakensteker, tangetje etc. steken.
Naast de zijkanten bevinden zich twee afneembare tasjes, het ene is een flessenhoudertje, en het andere een tasje voor bijvoorbeeld een fototoestel. Bij dit tasje hoort een aparte band waarmee je het om je nek kunt hangen. De zijflappen waaraan de tasjes bevestigd zijn, hebben aan de bovenzijde een ritssluiting waaronder je nog dingen als een portemonnee of sleutels kwijt kunt. Aan elke zijflap is een kunststof ring bevestigd waar je nog iets aan kunt hangen. Op de bovenkant bevinden zich twee karabijnsluitingen, waar je óók nog wat materiaal zou kunnen borgen. Dan is er ten slotte nog een blokje van foam (6 x 9 cm) dat je met klittenband aan de voorkant van het tasje kan bevestigen: handig voor het drogen van vliegen.
Het prettigste is het wanneer het tasje aan de achterkant hangt. Heb je het vóór je hangen, dan zit het een beetje in de weg; niet bij het werpen, maar bij het binnenvissen. Aan de zijkant dragen is echter ook heel goed te doen. Het belangrijkste reservemateriaal heb ik in mijn jaszakken zitten. In de tas gaan extra materiaaldoosjes, eten, reservespoel, dat soort zaken. Als je iets nodig hebt, dan maak je de zaak gewoon los. Je kunt ook het tasje naar voren draaien. Afhankelijk van de kleding die je draagt, gaat dat soepel of wat minder soepel.
Uiteraard niet alleen voor de struinende visserman een heel nuttig bezit, maar ook voor de wandelaar!
Gekocht bij Handy Fish in Heiloo, voor nog net geen veertig euro.
In gesprek met Jan Schreiner
Onze internetsite Flitsend Nylon ontleent zijn naam aan één van de beroemdste boeken, zo niet hét beroemdste boek uit de Nederlandse hengelsportliteratuur. Het boek werd in 1950 geschreven door Jan Schreiner die ook wel de nestor van de Nederlandse hengelsport wordt genoemd. Wilfred Assenberg had als redacteur van het magazine De Nederlandse Vliegvisser in het najaar van 2001 de eer om de bekende visser en schrijver op te zoeken in zijn woonplaats en een interview af te nemen voor het voornoemde vliegvisblad. Wilfred’s grootste passie is er op uittrekken met een ultra-lichte spinhengel en een kort vliegenhengeltje. Toentertijd door Jan Schreiner aangeduid als de dodelijkste combinatie om veel te kunnen vangen in Neerlands wateren. Vanwege deze overeenkomst vond Wilfred het dan ook een eer om het interview af te nemen en heeft er nog steeds dierbare herinneringen aan.
Wij vinden het dan ook niet meer dan logisch om dit interview te plaatsen als ode aan de man die vissend Nederland in al die jaren zo’n dienst heeft bewezen.
Ik ben op weg naar Neerlands meest bekende visser, woonachtig in het rustige Purmerend. Ik ben ook een beetje nerveus. Al vanaf m’n tiende jaar was de naam Schreiner verbonden met de kunst van het vissen, met name licht en weidelijk vissen zoals alleen hij dat zo mooi kon beschrijven. En nu zou ik dan eindelijk eens met hem mogen praten. Al z’n artikelen in het toenmalige magazine Vissport las ik met aandacht en na enige tijd kon ik ze gewoon uitspellen. Door hem kreeg ik één ideaal: in je eentje ver de polder inlopen en de wateren verkennen met een lichte vliegenhengel en een ultra-lichte spinhengel, dé wapens voor de polder.
Jaren later moet ik daar nog aan denken als ik met alleen een schoudertas met daaraan een vliegenhengeltje aftma 4 en in m’n hand een 5 grams spinhengel op een doordeweekse dag door een van de Zuid-Hollandse veenpolders stap. Nog steeds merk ik dat na 30 jaar deze man zo’n invloed op mijn vissersbestaan heeft gehad, dat ik altijd behoorlijk geïrriteerd raak als ik mensen schamper over hem hoor praten. Jan Schreiner met z’n ideeën zou uit de tijd zijn, hengels met bussen hoe verzin je het, geneuzel over licht vissen en vis veel te lang drillen. En iedereen weet het beter. Hoe komt het dan dat ik aan de waterkant zulke slechte vissers zie?
Het kost even moeite maar dan heb ik z’n huis gevonden. Een rijtjeshuis waarvan de voorkant niet direct verraadde hoe mooi het er van binnen uitziet. Toen ik de afspraak telefonisch maakte, was al duidelijk dat Jan niet meer zo gezond was. Toen hij de deur opende, schrok ik dan ook een beetje. Amechtig hijgend wenste hij me welkom in z’n huis. Ik ging achter hem aan de trap op naar z’n werkkamer. Eenmaal in zijn kamer vertelde hij me dat hij me bijna had afgebeld. Z’n hart en longen waren op, zo hadden de doktoren hem verteld. De dagen waren soms zwaar. Hij sliep vaak meer dan veertien uur, moest vaak naar het toilet en daarna hijgde hij onverklaarbaar als een werkpaard. Bij voorbaat excuseerde hij zich daarvoor. Maar kon ik dat deze man van 84 jaar kwalijk nemen?
Na deze eerste kennismaking was het al gauw duidelijk: het blaadje met de vragen kon ik wel weggooien. Deze man aan een vragenspervuur onderwerpen, zou getuigen van gebrek aan respect. Ik zou hem laten praten, laten praten over wat hem boeide, bezighield. Over wat hij kwijt wilde.
Jan Schreiner werd ooit door een Belgische castingclub aangestoken tot het vliegvissen. Jan kwam uit een artiestenfamilie en, zo vertelde hij, groeide op bij opa en oma in Den Haag.
Jan: “Van kinds af aan was ik al gek op water. Voorntjes ving ik. Het vangen was eigenlijk nooit belangrijk; nooit geweest ook. De schoonheid van het vissen trok me aan. Ik snap bijvoorbeeld nog steeds niet wat men aan feedervissen vindt. Dat is toch niet mooi, dat lompe gedoe? Een beetje met een dikke lijn en zo’n zware korf vissen. Da’s nou niets voor mij.”
Wilfred: “Waar viste u zoal in het Haagse?”
Jan: “De Schenk, dat was m’n watertje. Daar begon het. Geen verfijnde visserij natuurlijk. Eerst met de goede oude Japanner aan de gang. Dat waren trouwens nog best goede hengels. Zeevissen trok me niet zo, veel te grof, net als het vissen met levend aas. Snoeken met levend aas was me te saai. Je hoeft er immers weinig voor te doen. Het fijne vissen trok me altijd. Natuurlijk nog niet als je zo jong bent.”
Al snel volgt er een uiteenzetting over wat in zijn ogen goede hengels zijn. Daarbij blijft hij terugkomen op massa en snelheid, begrippen die volgens hem nooit goed begrepen zijn. Als ik hem zo hoor, denk ik telkens: “wat weet die man toch veel”. Of het nu allemaal klopt, doet niet terzake. Het is kennis en die zou eigenlijk wat meer gerespecteerd moeten worden.
Ik probeer wel het gesprek een beetje te sturen omdat ik weet Jan hier niet over uitgesproken raakt en het gesprek dan te eenzijdig zou worden. Want ik zou wel eens willen weten hoe het allemaal is begonnen voordat Jan daadwerkelijk zich commercieel in de hengelarij stortte.
Jan: “Ik ben nooit commercieel bezig geweest. Ik ben begonnen bij een transportbedrijf. Vervolgens werd ik gevraagd bij Peeters en Snel, waarbij later Jos Peeters alleen verder ging. In die tijd verscheen ook mijn eerste boek “De polder in”. Ik geloof dat ik toen door ene Jan Roelofs, een splitcanebouwer, bij Peeters terecht ben gekomen.”
Wilfred: “Niet commercieel? U had toch een eigen winkel?”
Jan: “Ja, als je ‘t zo wilt noemen, dan is dat commercieel. Maar ik heb nooit productie gedraaid.”
Grappig hoe Jan tegen commercie aankijkt. Commercie lijkt bij hem gelijk te staan aan gebrek aan liefde voor de hengelsport en alleen oog hebbend voor het grote geld.
Jan: “Eenmaal in de hengelbusiness beland, ben ik, na mijn tijd bij Peeters, door de sigarenhandelaar Willem Persoon gevraagd om samen met hem een hengelsportzaak te beginnen. We vestigden ons aan ‘t Klein Gartmanplantsoen in Amsterdam. De heer Persoon verhuisde vervolgens naar Portugal en zoon John kwam er toen als 15-jarige jongen bij. Vanaf toen gingen we samen verder als Schreiner en Zoon en verhuisde de winkel naar de Roelof Hartstraat.”
Wilfred: “Legde u zich snel toe op het spinvissen? Daar kennen velen u van. Ook ik ben door uw verhalen verslingerd geraakt aan ultra-licht spinvissen. Eigenlijk ken ik u niet zo van het vliegvissen. Vindt u uzelf wel een vliegvisser?”
Jan: “Ik vind mijzelf in eerste instantie een kunstaasvisser. En ja zeker, ik ben een vliegvisser. Alleen het vliegvissen kan door slecht weer niet altijd zo bevredigend zijn. Daarom ging ik vaker met de spinhengel op stap; tenminste, wanneer het de roofvis betrof. Ik ben verzot op het buigen van de hengel. De schoonheid die daarvan uitgaat. Daarom ben ik bekeerd geraakt tot de vliegenlat. Ik snap de hedendaagse vliegvisserij dan ook niet meer. Al die ondergekwalificeerde, stijve grafietpoken. Die hengels buigen niet meer. Heeft u wel eens een moderne hengel voor een viertje in uw handen gehad? Dat is gewoon lachwekkend. Die hengel is gewoon niet te laden met een vierlijn.”
Onvermijdelijk komen we weer op actie, massa en buigen van hengels. Volgens Jan behoort een hengel geladen te worden en dien je pas voor grotere afstanden de striphand te gebruiken. En ik ben het met hem eens. Ook ik houd niet van die poken en vertel hem dat ik zelf twee glashengels bezit. Hij glimlacht daarbij. In Amerika, zo vertel ik hem, beginnen de glashengels voor het vissen op kleine beekjes weer populair te worden. In mijn enthousiasme blijf ik doorratelen over mijn tochten door Pennsylvania en New York. Over kleine stroompjes, afdalingen in een smal verlaten dal, over wilde brooktrout, over het vissen in een tunnel van gebladerte.
Als ik hem aankijk, vallen mij zijn glimmende ogen op en de zachte glimlach. Ik weet dat we ineens dezelfde taal spreken.
Mijn ogen dwalen af naar de boekenplank. Hij ziet het en staat moeizaam op en loopt naar de kast.
Jan: “Kijk, daar staan de eerste drukken van Flitsend Nylon, naar verluidt nog steeds een gewild boek. Wist u dat er twee maal een eerste druk is verschenen bij twee verschillende uitgevers?”
Wilfred: “Ik zie daar ook het boek “Vissen in Ierland” staan. Toen ik met mijn ouders in 1976 naar Ierland ging, had ik dat boek al van voor naar achteren doorgelezen.”
Jan: “En, had u er wat aan?”
Wilfred: “Ja zeker, alleen denk ik dat het nu niet meer klopt voor veel gebieden. U zou Ierland niet meer terug herkennen. Toen ik in 1998 er een fietstocht doorheen maakte, stonden er al hoteltorens langs Lough Corrib.”
Jan: “Ja, ik kwam er al net na de oorlog. Toen had u het moeten meemaken. Een geweldig land en geweldige mensen. Er is veel veranderd, ook de mentaliteit en de sfeer. Je vindt er nauwelijks meer van waar ik vroeger over schreef.”
Wilfred: “Ik zie ook een ingebonden bundel Vissport staan. Jammer dat het blad allang ter ziele is. Ik keek al dagen van te voren uit naar de verschijning van een nieuwe uitgave.”
Jan: “Dat was een leuke tijd. Ik heb daar met veel plezier aan gewerkt. Dat kwam voornamelijk door de vrijheid die je daar kreeg bij het schrijven.”
Jan staat ineens op. “Ik moet vaak erg plassen”, zegt hij en sjokt langzaam naar het toilet. Een soort vertedering maakt zich van mij meester als ik deze oude man zo zie weg schuifelen. Als hij terugkomt, schrik ik een beetje van het zwaar en amechtig hijgen. “Dat gebeurt nu altijd als ik heb geplast”, verontschuldigt hij zich. “De doktoren begrijpen er ook niets van”.
Als ik zo naar hem kijk, begrijp ik dat zijn zoon John me al waarschuwde. “Als je m’n vader wilt spreken, zou ik maar snel zijn”, zei hij over de telefoon tegen me. Dat begin ik nu pas te begrijpen. De beste man is gewoon op. Hij ziet m’n ongerustheid en zegt: “Mijn hart en longen zijn volledig opgebruikt. Ik ben soms zo moe dat ik er al ’s avonds om half acht in lig en er pas de volgende dag na tien uur uitkom”.
Wilfred: “Mijnheer Schreiner, u maakt op mij de indruk dat u absoluut niet opziet tegen de dood.”
Jan: “Inderdaad. Ik heb een goed leven gehad. En bij leven hoort de dood. Dat is een biologisch proces. Weet u, dood gaan is zo vreselijk simpel, waar zou je je druk om maken. Het enige dat ik jammer vind, is dat ik m’n vrouw moet missen. Ze heeft zoveel voor me gedaan. En ze is slechtziend. Daar maak ik me een beetje druk om.”
Ik begin de man steeds sympathieker te vinden en vertel hem dat ik nu begrijp waarom zijn zoon John altijd met zoveel respect over z’n vader heeft gesproken.
Jan: “Ja, ik heb altijd goed met m’n kinderen overweg gekund. Ik weet dat John veel om me geeft. John lijkt veel op mij. Zo heeft hij bijvoorbeeld één keer met levend aas gevist en ik geloof één keer op zee makrelen getakeld. Dat zegt wel wat over hem. Getallen zeggen hem niets. In dat opzicht lijkt hij zeker op mij.”
Ik kan het niet laten om toch even op m’n lijstje met vragen te kijken en vind het toch tijd voor een zeer persoonlijke vraag die ik tactisch probeer voor te bereiden. Het antwoord daarop is even eenvoudig als onthutsend.
Wilfred: “Met respect mag ik u een oude man noemen. Een oude man heeft veel gezien, veel meegemaakt. Als u “geroepen” zou worden en u kreeg nog één kans voor een visdag, hoe en waar zou u die willen doorbrengen?”
Jan: “Ik zou ‘m nooit gebruiken. Er valt zoveel weg als je oud bent. Vroeger was ik ook een schrijver; zelfs gedichten schreef ik. En dan de fotografie, die andere passie. Maar d’r blijft niets meer over. Je verliest met de jaren de belangstelling. Vroeger viste ik iedere maandag met m’n zoon John. Dat kan ik ook al niet meer en daar moet je vrede mee hebben.”
Ik merk op dat hij ineens een vermoeide indruk maakt. Op mijn vraag of hij wil stoppen, zegt Jan dat hij graag weer even wat wil gaan slapen op de bank. We lopen naar beneden en hij laat mij even het riante huis zien met een mooi uitzicht op een prachtige tuin. Daar zal hij binnenkort afstand van moeten doen want noodgedwongen wacht hen nu een verzorgingsflat. Het huis is te veel voor zijn vrouw en hem.
Bij het weggaan, krijg ik nog een krachtige warme hand toegedrukt. Ook hij heeft het een prettig gesprek gevonden. En ook beter dan het laatste interview want daarbij bleven de vragers ook nog eens tweeëneenhalf uur na-bomen.
Ik beloof hem een kopie van het artikel over dit gesprek toe te sturen. “Wacht u daar niet te lang mee?”, vraagt hij. “Zoveel tijd heb ik niet meer”.
Ik loop in een wat vreemde toestand terug naar de auto en vraag mij af hoe ik dit gesprek met mijn jeugdidool ga neerschrijven.
Jan Schreiner is vijf jaar na dit interview op 29 november 2006 op 89 jarige leeftijd overleden in het verpleeghuis te Purmerend. Een overzicht van zijn werk is hier te vinden.






