Dromen in Dalarna 2 - De nalatenschap

Wilfred en Brenda kennen elkaar nu inmiddels ruim vijf jaar. Al na één jaar wisten ze het: samen verder door het leven. Hierdoor veranderde het vrijgezellen leven voor Wilfred drastisch. Ineens woonde hij samen met een vrouw en haar twee dochters.
Na het snel achter elkaar overlijden van zijn beide ouders en z’n nieuwe situatie als ouder/opvoeder werden voor Wilfred andere waarden belangrijker. Samen met Brenda dagdroomde hij over verhuizen naar rustiger oorden, naar vrijheid, naar bossen met riviertjes en verstilde meren. Het zo populaire emigreren, is door hun omstandigheden nog niet voor hen weggelegd. Maar ze wilden het wel dichterbij brengen.
In een serie artikelen kun je hun verhaal van hun huizenjacht in Zweden volgen waarbij het vissen en hun gezamenlijk passie voor water het leidmotief is.

Mijn vader was geen visser. Hij vond het best wel ’s aardig met mij op pad te gaan maar dan ging ‘t meer om de neut bij de auto als afsluiting van de vismiddag. Dat van die neut heb ik weer wel geërfd. Z’n doorzettingsvermogen, loyaliteit en trouw aan dat waar je voor kiest, de vastberadenheid en daarmee de totale arrogantie om jouw mening en wil op te leggen… ook dat heb ik van ‘m geërfd. Hij was een onverbeterlijke “nostalg” met hang naar het verleden en naar wouden en meren, stilte, rust en eenzaamheid. Het zijn vaak de kenmerken van een loner; een leven dat ik zelf zo lang heb geleid en waar ik zo graag van af wilde.
In de herfst van 2001 stierf hij; ook als loner. Hij sloot zich zes weken voor z’n dood af van alles en iedereen. Totaal gefrustreerd dat hem dit moest overkomen, de almachtige, de man die eigenlijk nooit ziek was, nooit pijn kende, alles lustte, nooit moe was, nooit iets niet kon. De kanker bij de lever was ongenadig. Met lijdenstrekken op ‘t gezicht en een Cheyne-Stokes-ademhaling die 48 uur duurde.
Op de bewuste zondagmiddag, ik viste een slootje af met een licht spinhengeltje, belde m’n moeder. “Kom maar gauw hierheen, jongen, want je vader gaat ‘t niet lang meer maken”.
Ongelooflijk hoe dezelfde ontkenningsfase van mijn vader ook mij in de greep had: ik viste rustig het slootje af voordat ik naar huis vertrok om mijn tas voor de komende dagen te pakken en naar m’n ouders af te reizen.

Pa en ma Assenberg

Twee jaar later ontmoette ik Brenda. Precies op het moment dat ik mij voorgenomen had een ander leven te gaan leiden. Geen kortstondige ontmoetingen meer, niet te snel de lichamelijke behoefte achterna rennen. Gewoon rustig met iemand kennismaken en kijken of er echt een basis is in plaats van weer een paar jaar vergooien.
Zij was en is de vrouw die mij gelukkig kan maken… voor lange tijd. Ik kreeg er ook ineens twee dochters bij. Altijd al wilde ik een gezin en dat kreeg ik nu ineens zo maar in de schoot geworpen. Uiteraard ook met de bijkomende verantwoordelijkheid en problemen. Tijd werd een andere dimensie. De vistijd werd gehalveerd maar er bleef nog veel over. Dit komt vooral omdat Brenda mij echt wilde kennen en niet schuwde om de laarzen aan te trekken, de pet diep over de ogen en samen met mij door een zompige polder te stappen op zoek naar snoekmans. Maar ook gingen we met z’n viertjes naar het grote water, om te zonnen, te zwemmen en te vissen. Zo kon het gebeuren dat er langs de dijk een hele horde mensen zat te kijken hoe de man in het water met die rare hengel allerlei dikke vissen ving en dat blonde meisje in badpak die vissen dan schepte, onthaakte en weer losliet.

Warme zomermiddag op het IJsselmeer

De eerste ontmoeting tussen mijn moeder en Brenda was er één om nooit te vergeten.
“Jongen (ik was toen al 42), deze vrouw zou ik maar vasthouden. Zij hoort bij je”.
Zulke woorden blijven je bij. Zeker als bij de tweede ontmoeting, enkele weken later, mijn moeder ons in tranen opwacht.
“Ik heb geen goed nieuws, ik denk dat ik ook kanker heb”.
Ze wist het voor dat de doktoren het konden vaststellen. Een zeldzame vorm van kanker velde ook haar binnen een jaar. Ze regelde wel eerst heel haar begrafenis en besprak alles wat ze wilde bespreken. Want zoals mijn vader zich afsloot, wilde zij mij niet aandoen.
Haar laatste belangrijke handeling was mij met een uitgemergeld handje vanuit het ziekbed over m’n gezicht aaien en mij met een zacht blik in de ogen aankijken. Zag ze mij echt of was ik in haar hallucinatie mijn vader? Ik zag alleen maar een vrouw die geheel kaal was, haar pruik had afgerukt door haar benauwdheid. Haar waardigheid had ze tot het laatst weten te bewaren maar nu hoefde het niet meer.
Ze vertrok rustig in de nacht.
En ik bleef achter met wat zij mij naliet: de zucht naar eenvoud, de sociale bewogenheid, de zachtheid, de voorliefde voor muziek en die diep laten doordringen dat je ogen vochtig worden, haar zorgzaamheid en de nimmer te verwoesten hang naar ware liefde.

Stille avonden in gedachten

Ik was ineens alleen maar stond er niet alleen voor. Veel avonden sleet ik aan het IJsselmeer. Ik zag de zon ondergaan over een vrijwel rimpelloze plas. De bewegingen van de vliegenhengel dicteerden mijn gedachten. Met af en toe een ruk aan de lijn om mij alert te houden dat er toch nog grote windes actief waren. Brenda begreep het en liet mij vaak alleen weg gaan.
Het huis van m’n ouders was inmiddels leeggehaald. We hadden er veel werk aan gehad. Het merendeel had ik weggegooid, maar er bleef genoeg over om Brenda af en toe bezorgd te laten kijken waar we dit toch allemaal gingen laten.
Stap voor stap bouwden we ons gezin op en ik mocht mij gelukkig prijzen dat de kinderen mij langzaam in hun leven toelieten. Vele uren spendeerden we in de tuin, iets dat ik nooit had gehad. De vijver was voor ons allen een bron van genoegen. Met de kinderen deelde ik de belangstelling in wat zich allemaal in en aan het oppervlak van de vijver afspeelde. We kregen heel wat buurtkinderen over de vloer die kwamen kijken naar een vijver met een twintigtal paren “seksende kikkers en de vele vrijgezellenkikkers”, zoals de kinderen ze noemden.
In diezelfde tuin kon ik mijzelf ’s avonds laat verliezen, kijkende in het vuur dat brandde in de vuurkorf en de ogen gevuld met tranen, denkend aan wat ooit was en er niet meer is.

De zomer ging voorbij, het najaar brak aan. Vele snoeken vingen we samen of in gezelschap van een goede vismaat. Ik was volmaakt gelukkig als we dan weer naar huis reden en de openhaard aanging, de whisky op tafel werd gezet en we dag nog even aan ons lieten voorbijgaan.

Brenda drilt snoek onder toeziend oog van Wilfred

Toen kwam dan toch dat moment dat ik maar bleef uitstellen: het regelen van de nalatenschap. Waar ik zo tegenop had gezien, bleek uiteindelijk een fluitje van en cent maar het was dat laatste gebaar, die laatste handeling die het moeilijk maakte.
En dan staat daar ineens een aardige som geld op de bankrekening. Brenda vond dat ik het niet moest betrekken in onze eigen huishouding; het was te persoonlijk. Maar wat moest ik er dan mee? Je kunt er een bootje voor kopen, lange vakantie maken, huis verbouwen, restant op een bankrekening etc. Vele opties overwoog ik, Brenda wilde zich er liever buiten houden omdat ze bang was dat ik zou denken dat zij op het geld uit was. Maar ik had alle opties al overwogen. Ik wilde het zo besteden zodat wij later eerder zouden kunnen stoppen met werken.
Ik ben geen beleggingsman en voor beleggen had ik veel eerder moeten beginnen. Alles op een spaarrekening is leuk en geeft best een rendement maar of het was oplevert over 15 jaar? Dan blijft er één ding over: vastgoed. We zouden dus de hypotheek kunnen verlichten of een verbouwing aan het huis kunnen doen, alleen levert dat niets op over 15 jaar dan alleen lastenverlichting.
Door een toevalligheid lezen we over een toenemende emigratie vanuit Nederland naar Canada, Australië en Scandinavië. Met name Zweden blijkt in trek door het gunstige vestigingsklimaat en de lage huizenprijs. Wat ik lees kan ik niet geloven. Zulke prijzen en zoveel woongenot? Tijdens het werk kan ik het niet uit m’n hoofd zetten en stiekem raadpleeg ik enkele Zweedse woningsites. Ik mail wat naar Brenda’s werk en krijg al snel het antwoord terug dat we vanavond eens verder moeten kijken. Ze is erg enthousiast geraakt. En bij mij komen weer de goede herinneringen aan Scandinavië terug die ik had in 2001 en 2002. Hoe ik alleen met bellyboat over verlaten Zweedse meren peddelde op zoek naar hard vechtende snoeken.

Zweedse meren zijn omzoomd met naaldhout en venige oevers

Zwerven met bellyboot en vliegenhengel

Ik bezoek een emigratiebeurs en raak steeds meer overtuigd dat dit misschien de ontsnapping vormt. Een ontsnapping uit een jachtig en steeds drukker wordend Nederland. Een ontsnapping uit het juk van het werken tot minstens 65 jaar of misschien wel nog meer. Zouden Brenda en ik met een betaalbare tweede woning misschien eerder kunnen stoppen? Het Nederlandse huis zou dan voldoende opbrengen om het pensioengat te dichten. Eerdere gesprekken met onze belastingconsulent en met een pensioenadviseur hadden al opgeleverd dat het idee zo gek nog niet was.
Het idee liet ons niet meer los. We lazen er van alles over, kochten boeken over emigratie en het leven in Zweden, vele avonden zaten we achter de computer en bekeken woningen. Diverse e-mails naar oude contacten werden verstuurd. Het was heerlijk om zo samen met Brenda het idee gestalte te geven: Scandinavië als logisch gevolg van interesse en voorliefdes en hang naar eenvoud en rust.
Brenda hakte de knoop door: we zouden in de zomer van 2007 naar Zweden op vakantie gaan. En als de kinderen terug gingen naar hun natuurlijke vader zouden we samen terug gaan naar Zweden om echt te gaan speuren.
Het leven kreeg ineens diepgang, het avontuur wachtte… en over m’n schouder voelde ik m’n ouders meekijken met een goedkeurend blik van, hier doe je goed aan, zo moet het.

Een eresaluut voor Jan Eggers

Als zeer bekende Nederlander of iemand met een enorme staat van dienst krijgt men in Nederland een lintje of een wassen beeld in het museum van Madam Tussaud. Als je 25 jaar “professional” bent in de hengelsport met internationale bekendheid en een tiental kilometers kolommen hebt gevuld met een unieke en vakkundige inhoud over het sportvissen en speciaal over het vissen op roofvis, dan kom je daar eigenlijk best ook voor in aanmerking. De criteria daarvoor liggen meestal anders en daarom vonden wij het een goed idee om op de website van Flitsend Nylon een prominente plaats in te ruimen voor Jan Eggers.

Op 1 juli is Jan Eggers 65 jaar geworden en behalve dat hij dan zijn eerste AOW gaat ontvangen, gedenkt hij meteen het 25-jarig jubileum als hengelsportprofessional. Nee, niet dat Jan met het feitelijke sportvissen zijn brood verdiende (al zou hij natuurlijk niets liever gedaan hebben), hij heeft zijn dagelijks brood met daarop ook nog een behoorlijk beleg verdient als hengelsportjournalist en als hengelsportconsultant. En dat, zoals in de eerste alinea al aangeduid, niet alleen in het Nederlandstalige maar over heel veel landen in de wereld. Jan Eggers is zowel in Engeland als in Duitsland, als in de VS als in Tsjechië, om maar eens een paar landen te noemen een veel gelezen auteur en vaak als consultant om advies gevraagd door tal van bekende firma’s in de sportvisserij.
Op zijn staat van dienst staat o.a. ook zijn grote inzet en bijdragen aan de Snoek Studiegroep Benelux (SNB) die volgend jaar ook 25 jaar bestaat. De SNB met meer dan 2000 leden werd mede door Jan opgericht als navolging van de Pike Anglers Club in Engeland en Jan was ruim 20 jaar voorzitter van deze actieve vereniging.
Bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan werkt Jan momenteel aan een jubileumboek voor de SNB, over het wel en wee van “zijn kindje”, zoals Jan het zelf noemt.

Jan Eggers in zijn bekende pose

Een afspraak voor een soort van interview was snel gemaakt en dus getogen Sjoerd en ik naar het Noord Hollandse Bovenkarspel. Het bleek de lange autorit van ruim tweeënhalf uur meer dan waard, want als Jan Eggers in zijn sportviswerkkamer op de hengelsportpraatstoel zit dan is hij een grote waterval van verhalen en belevenissen, die stuk voor stuk het noteren waard zijn.

Het moet voor Jan allemaal voorbestemd zijn want hij werd geboren in een streek waar het letterlijk barst van de mooie viswatertjes (speciaal voor het vissen op snoek) en niet te vergeten de nabijheid van het IJsselmeer waar Jan nog steeds menig uurtje op paling vist.
Sinds zijn allervroegste jeugd vist hij al. “Ik ben een echt natuurmens”, zegt Jan. Als je zou denken dat hij alleen met het vissen bezig is dan vergist men zich. Kievitennesten markeren… IVN… weidevogelbescherming… Het zijn zomaar enkele opmerkingen van Jan die de revue passeerden bij zijn bewering dat hij niets liever doet dan in de natuur verkeren. Jan’s vrouw Tine bevestigde dat Jan bijna iedere vrije minuut de deur uit is. Vaak nog even op paling, want dat zit bij Jan in de genen. “Mijn buren hebben niets te klagen, want we eten regelmatig samen een lekkere paling”, aldus Jan. “Ik weet niet meer wanneer ik begonnen ben met het vissen. Ik heb het in ieder geval van mijn vader geleerd. Als kind was is al gepakt door het vissen. Ik weet nog dat ik vaak aasvisjes ging vangen voor de hengelsportwinkel in Alkmaar, om zo een paar zakcentjes te hebben. Ik heb later mijn beroep gemaakt van mijn hobby en dat al gedurende 25 jaar”.

Jan begon als jong sportvissertje op baars, via de toen populaire baarswedstrijden (hij was verschillende keren kampioen baarsvissen, waaronder tweemaal federatiekampioen). Later werd hoofdzakelijk met aasvisjes op snoek gevist en met succes. Toen het kunstaas in de mode kwam werd dit dé uitdaging voor Jan. Hij perfectioneerde zijn technieken en dacht mee bij het ontwikkelen van nieuw kunstaas.

Jan kwam helemaal in de ban van met name grote snoeken. Snoeken van meer dan 100 cm. Voor veel vissers op snoek een droomgrens. Een belangrijk moment in zijn snoekersleven was het moment dat Jan een boek van Fred Buller in handen kreeg. Het wereldwijd befaamde standaardwerk The Domesday Book of Mammoth Pike van Fred Buller staat als gesigneerde authors edition in zijn rijk gevulde sportvisboekenkast.

Dit boek ging over zeer grote snoeken van meer dan 35 Engelse ponden (16,2 kilogram). Snoeken die gevangen werden in Engelse, Ierse en Schotse wateren. Er stonden echter geen snoeken in van het Europese vaste land. Jan was hier een beetje pissig over en besloot een brief te schrijven aan Fred Buller. Jan was bekend met zeker wel 30 tot 40 grotere snoeken die in andere landen in West-Europa gevangen waren. Hij las hierover immers in internationale hengelsportlectuur. Binnen een week kreeg hij een brief terug van Fred Buller met de vraag of hij wilde meewerken aan het zoeken van grote snoeken. Daarmee kon dan de informatie in de boeken van de historicus op snoekgebied Fred Buller worden uitgebreid en werd er ook gepubliceerd in het toonaangevende blad Pike and the Pike Angler. Jan werkte graag mee en dat was het begin van een sterke vriendschap en intensief contact. Zij hebben bijna wekelijks met elkaar nog telefonisch contact en vele keren hebben zij elkaar ontmoet, met name ook aan de waterkant o.a. met de gezamenlijk vriend Fred Taylor.

Jan Eggers en Fred Buller werken aan The Domesday Book of Giant Salmon

Fred Buller was het ook die aan Jan de titel “The Pike Ferret” heeft gegeven. Dat komt voort uit de jacht. Fred Buller is namelijk een fervent jager. Het jagen met fretten is in Engeland gebruikelijk en zo kwam het dat Fred Buller zijn maten Fred Taylor en Jan de “jonge fretten” noemde. Het vervolg met de titel “The Pike Ferret” lag daarna dus voor de hand.

Hoe is het er van gekomen dat Jan beroepsmatig in de hengelsport actief is geworden? Vroeger had hij al eens geprobeerd om voor ABU, Zweden te werken. Hij leerde toen ook zijn vrouw Tine kennen en de overstap naar Zweden is er niet van gekomen. Ook solliciteerde Jan bij Nederlands grootste hengelsportgroothandel Albatros. De alom bekende heer Vogel vroeg Jan tijdens zijn gesprek naar zijn drie favoriete roofvisattributen. Het eerlijke antwoord van Jan was: de ABU 505 - 506 als werpmolen, ABU Conolon als lijn en de ABU-reflex als kunstaas.
Het kan zijn dat Vogel niet zo blij was met dit antwoord want geen van die producten stond toen op zijn programma. Of dat de reden was dat Jan uiteindelijk toch niet bij Albatros kwam te werken laat zich nu alleen nog maar raden.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Eind zeventiger jaren heeft Jan Eggers voor het eerst enkele artikelen geschreven in clubblaadjes. Nadat hij via briefwisselingen over zetfouten in advertenties in contact kwam met de redactie van onder andere De Nederlandse Hengelsport kreeg hij de vraag om een artikel te maken. Dat kreeg regelmatig en vooral veel opvolging en Jan werd daarna ook al snel gevraagd door buitenlandse uitgevers. In overleg met zijn vrouw Tine trok Jan de stoute schoenen aan en besloot in 1983 om “beroeps” te worden. Op de zolder van zijn toenmalige huis werd een bescheiden kantoortje ingericht. “Nou ja”, aldus Tine, “een grote tafel op de zolder, met een TL-buis er boven en een typemachine”. Dag in dag uit en vele avonden ratelde de typemachine en produceerde Jan er zijn artikelen. Hij schreef voor veel bladen waaronder naast Nederlandse bladen, voor o.a. Fisch und Fang, Raubfisch (in Duitsland wordt Jan de “Hechtpapst” genoemd), The Inn Fisherman, Fiske Journalen en anderen. Vanaf 1981 tot 2006 was Jan hoofdredacteur van het Nederlandse deel van Voor en Door de Visser. Heel bekend daarin is zijn langdurige briefserie onder de titel Jan en Jan. Een briefwisseling met Jan Schreiner waarin menige discussie op papier werd gevoerd, wat tot interessante standpunten leidde.
Eén van de bekendste was het standpunt over het lichte vissen. De school van Jan Schreiner staat voor altijd zo licht mogelijk te vissen. Resultaat is dan bijna altijd een mooi gekromde hengel. Eggers hulde het standpunt wel licht te vissen maar niet te licht. “Waarom 12/00 gebruiken als men hetzelfde resultaat met 23/00 kan behalen”. Het is in Jan zijn ogen geen prestatie om dun te vissen. “Je moet verantwoord vissen”, aldus Jan en “aan het welzijn van de snoeken denken, niet té lang drillen als dat niet nodig is. Je kunt ook groter kunstaas gebruiken die in verhouding moet zijn met de gebruikte dikte van de lijn en de actie van de hengel”.

The Pike Ferret

Zijn bekendheid en vooral zijn vakmanschap op het gebied van het roofvissen gebruikt hij tevens om als hengelsportconsultant te functioneren. Van het schrijven alleen kon men niet leven en dus werden er afspraken gemaakt met hengelsportfirma’s in binnen- en buitenland. Jan zijn idee was het namelijk dat hij met al zijn kennis goed in staat zou zijn om verschillende firma’s te adviseren in productmanagement en productontwikkeling. Hij kende immers de Europese markt goed, beter gezegd de Europese visserij. Het was in die tijd echt niet zo gemakkelijk voor firma’s als Zebco, Berkley en Rapala om producten te maken die ook effectief waren in West-Europa. Het was niet zo vanzelfsprekend dat producten die in bijvoorbeeld Amerika goed vingen, meteen ook grote vangers waren in onze contreien. Daar lagen dus mogelijkheden en de afspraken die daarna als hengelsportconsultant werden gemaakt hebben de firma’s waarvoor Jan Eggers werkt en heeft gewerkt ook op de Europese markt succes gebracht.
Met name de productontwikkeling is volgens Jan een dankbaar werkgebied. Hij werkte o.a. mee aan verschillende kunstaasproducten van Rapala, waarbij men moet denken aan vorm, kleur, combinaties, haak- en lipposities, enz. In de Benelux verbond Jan zich aan Ultimate Hengelsport, dat mede daardoor een grote ontwikkeling doormaakte op het gebied van roofvissen.

“Maar ik ben daarnaast altijd blijven vissen”. Jan zegt het als een soort van verontschuldiging toen hij enthousiast vertelde over zijn consultant activiteiten. “Door de vele contacten kreeg ik ook regelmatig uitnodigingen om te komen vissen en daar kon ik geen nee tegen zeggen”. Inmiddels heeft Jan op veel mooie viswateren zijn kunstaas te water gelaten en in 19 landen grote snoeken gevangen.

Sjoerd kon het vervolgens niet laten om Jan te vragen naar zijn favoriete kunstaas. Zijn vraag was: “maak eens top vijf van je favoriete kunstaas”. Daar hoefde Jan niet lang over te denken. Hij somde meteen de volgende vijf “vangers” op. De jerkbait Fatso 10 zinkend, de Jan Eggers tandem spinner, Rapala J11 (jointed), Mepps Lusox (onverzwaard) en de Rapala Super Shad Rap.
Bij de vraag naar zijn favoriete hengels kwam best een verrassend antwoord. Jan vist natuurlijk niet met slechte hengels. “Ik heb wel enkele zelfbouwhengels, maar vis net zo lief met standaardhengels van Berkley”. Als werpmolen staat de ABU 506 - 507 nog steeds bovenaan. “Dat zijn onverwoestbare werkpaardjes”.

Pins

Tijdens het gezellige gesprek in Jan zijn werkkamer kijk je natuurlijk ook om je heen. Je waant je in een bibliotheek. Honderden hengelsportboeken, heel veel over het vissen op snoek en andere roofvissen, maar ook karper en witvis ontbreken niet. Zelfs het boekje 200 Wedstrijdtips van ondergetekende stond op het schap. Jan wilde dat ik het nog even zou signeren, maar bij het openslaan bleek dat mijn toenmalige lijfspreuk er al in stond: “Old fishermen never die, they only smell that way”, met daaronder mijn paraaf. Verbazingwekkend is de verzameling nationale en internationale tijdschriften. Jan zegt er nooit eentje weg te hebben gedaan, zelfs niet de Russische en Tsjechische visbladen waarin het zelf geen letter kan lezen.
Jan gaf meteen ook een leuke tip mee voor de bezoekers van onze website. “Leuk om te lezen… Classic Angling” van onder andere Fred Taylor. “Helemaal naar jullie smaak, met veel nieuws en artikelen over vintage en lang beproefde hengelmethodes. Trouwens de aanschaf van een of meer van de nieuwe boeken van de 82-jarige Fred Buller is ook altijd een goede investering. Ik heb exemplaren die inmiddels meer dan het tig-voudige van de aanschafprijs waard zijn”, aldus Jan.

Aan het eind van ons gesprek kwam nog even het record ter sprake van een artikel dat Jan in maar liefst 16 verschillende tijdschriften geplaatst zag. The biggest Pike of the World, was een artikel dat hij 16 maal mocht publiceren.

Jan heeft veel, zeg maar gerust heel erg veel geschreven! Van het schrijven van een boek was het tot voor kort nog niet gekomen, behalve natuurlijk dat hij meewerkte aan Das grosse Rapala Buch. In 2007 publiceerde hij echter zijn eerste boek onder de welluidende titel Poldersnoek. Een praktijkboek voor het vissen op snoek in Jan zijn geliefde omgeving. In dit boek wordt het vissen met kunstaas en de daarbij passende materialen besproken. In het boek is aandacht voor de klassieke manier van vissen als ook voor vrij nieuwe technieken zoals het vissen met jerkbaits en groot en diepzwemmend kunstaas. Natuurlijk wordt ook het welzijn van de gevangen snoeken niet vergeten. Het succesvolle boek geldt nu al als een standaardwerkje dat geen enkele zichzelf respecterende kunstaasvisser mag missen.
Maar er is meer goed nieuws. Nu hij bijna 65 jaar wordt en wat meer tijd ter beschikking krijgt heeft hij, als hij het jubileumboek voor de SNB klaar heeft, met Bertus Rozemeijer de afspraak dat zij binnenkort een boek gaan maken naar voorbeeld van het boek Fred Buller. Een klassiek boek met een lijst van zeer grote snoeken, boven 18 kilogram en groter dan 125 cm. Een goede investering voor later, tenminste als Jan het goede voorbeeld van zijn vriend Fred Buller volgt.

De activiteiten van Jan Eggers zijn dus nog lang niet ten einde. Jan blijf je als sportvisser en natuurliefhebber tegenkomen. Misschien dat hij later toch nog eens een lintje krijgt. Deze bijdrage op onze website is wat ons betreft een eresaluut dat Jan Eggers in meer dan 25 jaar dik en dik heeft verdiend.