Van steekstokken en opstekers

De opsteker is iets bijzonders. Is een opsteker voor veel mensen allereerst een gelukje of een meevaller, en voor sommigen misschien een stuk werktuig, voor menig visser roept het woord opsteker iets anders op. Hij of zij zal stellig denken aan de naam van de eigen hengelsportvereniging, of aan de redactionele openingen van het blad “Vissport”, of misschien gaan de gedachten uit naar die ene, unieke registratie van de aanbeet met de klinkende naam opsteker. Voor mij zelf is een opsteker onlosmakelijk verbonden met vissen op brasem. Niet zomaar vissen, maar misschien wel met de essentie van vissen, de kern waarbij het voor mij allemaal om gaat bij het vissen.

Te midden van flarden mist (foto Hans Moolenaar)

Door zijn vorm en door de wijze van azen is de brasem veroorzaker van de ultieme opsteker. Simpel met een vaste telescoophengel van vijf meter, vissend op een meter of vier water. De hengel mag wel een wat “slap” karakter hebben. Dat wil zeggen een telescoop hengel die onder zijn eigen gewicht al wat doorbuigt. Een hengel die flink krom kan gaan om de brasem te pareren. Kortom, een vaste hengel die nieuw bij voorkeur niet duurder moet zijn dan 15 euro. Daarbij een pen met lange antenne, en een stuk nylon net iets minder lang dan de hengel lengte. Een beetje brasem is op deze combinatie een sportvis van de bovenste plank.

De pen wordt uitgelood (met een hele rits kleinere loodhagel verdeeld over een flink stuk nylon) totdat het rode puntje nog net zichtbaar is, en zodanig afgesteld dat het onderste loodje op de bodem rust. Op die wijze is er misschien een halve centimeter van de antenne zichtbaar.

Bij een aanbeet zal de pen zich tergend langzaam verheffen. Dan, schuin in het oppervlak hangend… aarzelend… om vervolgens toch richting te kiezen en in de diepte te verdwijnen. Of de pen steekt nog hoger en hoger en valt plat op het wateroppervlak, alwaar hij stil blijft liggen. Even gebeurt er niks. De pen ligt daar roerloos, of dobbert plat op de kabbel. De visser zou nu de hengel zachtjes kunnen heffen, de vis zal vast en zeker hangen.

Maar de finale komt nog. Het sluitstuk vangt aan, ingezet door een minieme beweging van de pen, alsof ze huivert voor wat komen gaat. Wellicht gevolgd door een kleine verschuiving, wanneer de pen in het wateroppervlak draait als de trillende naald van een kompas, op zoek naar de juiste richting. Eens de koers bepaald, is er geen houden meer aan. De pen richt zich nog eenmaal op en laat zich een laatste keer in volle glorie aanschouwen. Een laatste dans op de kabbel, om na de toegift definitief van het toneel te verdwijnen…

Dan is de voorstelling afgelopen. Niets herinnert er nog aan het drama van enkele ogenblikken geleden. Er klinkt geen applaus, de zaal is leeg. Slechts twee toeschouwers in een bootje zijn getuige van dit spel. Voor buitenstaanders aan het zicht onttrokken zitten zij daar… te midden van flarden mist die, in het gedempte licht van de ochtendschemering, een vaste vorm krijgen in de contouren van een wereld ter grootte van een hengellengte. Door die omzoming verborgen voor de buitenwereld, is er in deze binnenwereld het voorzichtige geklots van water hoorbaar. In een regelmatig ritme maakt de boot korte, holle klanken die worden gedragen door een heldere galm. Het zijn de eerste rimpelingen op het water die onder tegen de boeg aanlopen, alwaar ze hun weerklank vinden in het unieke geluid van de stalen schouw. Een steekstok beweegt even mee met de boot wanneer de visser zich opmaakt…en kort is er het geringe geruis en gekraak van touw dat langs de steekstok schuurt. Ergens klimt de zon richting de kimmen, getuige een verandering in het licht. Maar wáár de zon zal opkomen, is niet zichtbaar. De mist zelf is nu de lichtbron, en een allesomvattend diffuus schijnsel schildert de binnenwereld in een kleur die niet te noemen is, een nuance ergens aan het eind van het spectrum of daarbuiten. Spoedig zal de zon deze nevel goeddeels doen oplossen. En wat ervan overblijft zal verwaaien. Wat dienst deed als een zorgvuldig opgetrokken rookgordijn is dan niet meer. De wereld strekt zich weer uit tot de einder en geeft zijn geheimen prijs. Maar eerst nog niet. Nu is het tijd… het nylon loopt strak… de korte lengte van de opslag biedt geen speelruimte meer.

Nee, de vissers in het bootje zijn geen toeschouwers. Zij zijn de spelers in dit spel.

De lange tiengrammer van CJW

Een spinhengel is een heerlijke hengel om roofvis met kunstaas mee te vangen. Een goede spinhengel voldoet aan een aantal eisen. Hij moet de meestal lichte kunstaasjes precies kunnen werpen. Als dat ook nog eens ver kan is dat mooi meegenomen. Verder moet de haak goed kunnen worden gezet in de vaak harde roofvisbek. De hengel moet verder over een goede demping beschikken waardoor de haak niet gelost wordt tijdens de dril. Een hengel met een progressieve buiging heeft hierbij de voorkeur.
Vanwege al deze eisen was het in het verleden niet mogelijk een wat langere spinhengel te maken. Door de extra lengte werd de hengel slapper en trager waardoor het gevoel over het kunstaas verloren ging. Ook het succesvol zetten van de haak was nogal eens een probleem, zeker bij de grotere vissen. Met een langere hengel kan echter verder worden geworpen en het heeft ook zijn voordelen bij het vissen over de rieten of steenstort heen.
Cor Spinhoven heeft de handschoen opgepakt om een volwaardige tiengrams spinhengel met een lengte van 250 cm te maken. Aan mij de eer om de hengel eens goed in de praktijk te testen.

CJW Mosquito 3LV (speciale custom uitvoering)

In de polder is het vaak belangrijk om keer op keer precies te kunnen werpen, ook als er wind staat. Een spinner precies kunnen plaatsen strak tegen de overkant of tegen begroeiing aan is vaak het verschil tussen vissen en vangen. Met deze hengel is dit uitstekend te doen. Een kleine beweging uit de pols is al voldoende om met een onderhandse worp het kunstaas weg te zetten en precies daar te plaatsen waar je het hebben wilt. Iedere keer weer. En moet er wat verder geworpen worden dan is dat heel goed mogelijk met een bovenhandse of zijdelingse worp. Door zijn extra lengte werpt de hengel verder dan de vergelijkbare Mosquito 3 spinhengel met een lengte van 215 cm. Ook met deze hengel wordt eenhandig geworpen.

Na een nauwkeurige worp wordt het kunstaas binnen gevist. Het is van het grootste belang dat de bewegingen van het kunstaas optimaal worden gevoeld en kunnen worden beïnvloed. Ook nu weer een ruime voldoende voor deze hengel. Volgt er een aanbeet dan zal de haak met succes gezet moeten worden. Waar andere lange spinhengels het af laten weten slaagt deze hengel met vlag en wimpel. Tijdens de testperiode van een maand heb ik slechts drie missers gehad op een aantal van 37 gevangen vissen. De missers losten na een aantal seconden. De gevangen vissen die slechts minimaal werden gehaakt bleven door de prima demping toch hangen.

De hengel voelt onbelast strak en snel aan. Tijdens het drillen van de vis is het handig dat de hengel over een goede demping beschikt en de uitvallen van de vis iedere keer weer op weet te vangen, waarbij er wel de nodige spanning op de lijn blijft staan. En dat is absoluut het geval. Een vis moet heel wat kracht leveren om de hengel helemaal krom te trekken waarna de slip van de molen zijn werk gaat doen.

CJW Mosquito 3LV

Met een spinhengel loop je vaak lange tijd in de hand. Een goede balans in de hengel is dan van belang. De hengel mag dus niet topzwaar aanvoelen. Met een molen van 220 tot 250 gram ligt de hengel lekker in de hand. Ik heb Shimano molens in de grootte 2000 en 2500 gebruikt.

De vraag rijst natuurlijk of deze hengel wel een echte tiengrammer is. Naar mijn mening wel. Hierbij baseer ik mij op het ermee geviste kunstaas.
Volgens een tabel in het boek “De kunst van het kunstaasvissen” van Jan Schreiner zijn optimale spinners voor een tiengrammer slanke spinners van 45 mm en stompe spinners van 35 en 40 mm. Genoemde spinners blijken in de praktijk ook het meest prettig te vissen op deze hengel. Ook van iets kleinere spinners zijn de omwentelingen nog goed te voelen. Bij grotere spinners staat de hengel te krom om nog goed en gevoelig te kunnen vissen. Verder zijn mijn favoriete lepels van Pako (de PS, S, 6 en 9) ook uitstekend te vissen.
En omdat we toch bezig zijn met een opsomming van kunstaas dat optimaal te vissen is, een lijstje: (bont)streamers met een lengte tot 15 cm, shadjes gemonteerd op een loodkop van 3 tot 7 gram, kleine diepduikende plugjes zoals de Illex Cherry, Illex Chubby en Salmo Hornet, Jan Eggers tandemspinner 2 en natuurlijk een hele serie van ondiep duikende plugjes met een gewicht rond de tien gram. Dat dit slechts een kleine opsomming is mag duidelijk zijn. Het geeft slechts een beeld van het kunstaas dat optimaal geschikt is voor deze hengel.

Genoemd kunstaas is ook uitermate goed te vissen tijdens het slepend vissen vanuit de boot. Wat zwaardere ondiep duikende pluggen zijn dan eveneens goed te gebruiken omdat er niet geworpen hoeft te worden. Net als de ratelaars van Mann’s (Manniac) of Bill Lewis (Rattle Trap).

Populair kunstaas dat gebruikt wordt voor het vissen op roofblei is uitstekend met een bloedgang binnen te vissen. Ik noem de Rapala X-Rap en Rapala Long Cast, maar ook de eerder genoemde plugjes Illex Chubby en Salmo Hornet. Omdat deze hengel een erg goede demping heeft zal de keiharde aanbeet van een roofblei niet voor problemen zorgen.

Voor wie op zoek is naar een wat langere tiengrams spinhengel zal deze hengel een erg goede optie zijn. Een scala aan kunstaas kan optimaal bevist worden waarbij de extra lengte zijn voordelen heeft. Een hengel waar menig roofvis aan kan laten zien wat voor een prachtige sport wij mogen beoefenen.

De hengel wordt geleverd in matgroen, waarbij gekozen kan worden uit vier kleuren wikkelingen (zwart, donkergroen, donkerrood of donkerbruin). De hengel is voorzien van REC Recoil nikkel titanium ogen en afgewerkt met RVS componenten. De handgreep bestaat uit kwaliteitskurk en kan naar keuze worden afgebouwd met reelringen of een reelhouder. De verkoopprijs bedraagt 350 euro.

Flevokarperen bij slecht weer

Het is kwart over zeven als ik in de garage m’n spullen bij elkaar hark. Zal ik nu eerst naar buiten gaan en de auto met de kont naar de garagedeur draaien? Kan ik tenminste de spullen droog inpakken. Het komt met bakken naar beneden. De telefoon gaat: Thomas. Hij is onderweg maar vraagt zich af of dit nog wel zinvol is. Ook ik stap enige tijd later met gemengde gevoelens in de auto.
Op de carpoolplaats staat het hele clubje al op mij te wachten onder een scherm dat gevormd wordt door vele, veelkleurige parasols. Ik maak kennis met enkele leden die ik nog niet eerder ontmoet had. Na wat handen geschud te hebben besluiten we eerst wat koffie te gaan drinken bij de McDonald’s die al open is. De routekaarten komen op tafel en iedereen buigt zich vol verwachting over het lijnenspel van weggetjes en vaarten. Het verlangen is te groot, de koffie wordt snel achterover geslagen en in colonnes rijden we achter elkaar aan.

Rob bij één van de vele duikers

Harvey, Thomas en ik blijven bij de eerste brug die we kruisen. Ik maak twee kleine voerplekken en nestel mij dan in een simpel karperstoeltje terwijl de regen ongenadig naar beneden komt. Ondanks de lieslaarzen en lange regenjas die er over heen valt, is het zo nat buiten dat om de een of ander reden de neerslag toch een weg naar binnen weet te vinden.
De lucht is loodgrijs maar het maakt niet meer uit; ik ben al nat en wil maar één ding: een fraaie wegloper. Die krijg ik ook. Langzaam komt de pen omhoog omdat iets onder water het zinkloodje optilt. Dan zeilt de pen prachtig weg. Ik sla hard aan maar voel tot m’n spijt niet de weerstand waarop ik had gehoopt. Een enorme brasem komt richting de kant. Ik weet hem in ‘t water te onthaken en dat is ’t dan voor de rest van de ochtend.

De regen bleef ongenadig naar beneden komen

Na de lunch zijn we ‘t zat. We willen iets anders zien. We nemen afscheid van Harvey en gaan op weg naar een stuw die twee kanalen met elkaar verbindt. Eenmaal daar aangekomen, roept het landschappelijke beeld niet dat op wat we wensten. Dus toch maar weer terug. Uiteindelijk besluiten we bij een brug te kijken die over één van de vele vaarten heen gaat. We voeren aan beide zijden van de brug en hopen maar weer het beste. Eén ding is in positieve zin veranderd, het wordt droog en zelfs de zon lijkt te willen doorbreken.
Het is tijd om van het zonnetje te genieten. De stoel is nog wel wat klam maar langzaam droogt de rest op. Een pijpje wordt gestopt en het wachten begint. Niet m’n sterkste punt overigens. Ik heb daarom een drietal voerplekken gemaakt en besluit elk kwartier zo’n plek te bevissen en na vertrek er een handje maïs achter te laten.

Het pijpje rookt lekker en net als ik opnieuw wil aansteken, wordt de pen resoluut de diepte in getrokken. Na de aanslag denk ik één seconde dat ‘t een karper is. Het blijkt toch weer een brasem te zijn, niet extreem groot maar wel extreem sterk want de vis weet toch even lijn te nemen en laat de één ponds karperhengel alsnog doorbuigen. Thomas wil mij toch vereeuwigen en weet de visser met pijp en brasem vast te leggen.

Af en toe zie ik leven, maar geen karper. Thomas weet nog een tweetal brasems te vangen maar begint de hoop op te geven dat er ooit nog een karper aan gaat hangen. Ik heb aan de overzijde van de vaart een soort magisch hoekje ontdekt dat deels wordt afgeschermd door een over het water gevallen boom. Tot m’n genoegen zie ik dat het door bevers is gedaan. Ik kan mij herinneren dat een beverechtpaar ergens in het Larserbos z’n domicilie heeft. Het magische hoekje blijft mijn aandacht trekken en ik blijf er met enige regelmaat een klein handje maïs naar toe gooien.

Dick Langhenkel geeft Ewout nog wat extra tips

Om half vijf wordt onze rust wreed verstoord. De hele groep heeft ons gevonden! Als branieschoppers worden we verwelkomd en aan de tand gevoeld of we stiekem toch niet iets gevangen hebben. Eigenlijk wil men weg maar ik weet iedereen te overtuigen dat “mijn magische hoekje” nog even bevist moet worden. Echt waar, zeg ik, om klokslag half zes breek ik op. De groep brallende boys begeeft zich naar de auto’s waar men zich vergaapt aan elkaars gereedschap dat zelfs ook nog eens vrijelijk wordt betast. De freaks!

Ik heb mij geïnstalleerd op de beverboomstam en leg nog één keer in met een mij normaal onbekend grenzeloos vertrouwen. Het pennetje staat prachtig, de zon blijft schijnen en ik blijf hopen. Wat zou het mooi zijn als er op ‘t laatste moment iets zou gebeuren.
Thomas haalt mij terug uit m’n fantasie met de kreet dat het half zes is en dat we moeten gaan. Normaal gesproken smokkel ik altijd nog wel een tiental minuten, maar besluit nu eens één keer direct gevolg te geven aan de afgesproken tijd. De pijp wordt op de boomstam leeg geklopt en weggestopt. Mijn hand gaat naar de hengel en de andere hand pakt de slinger, klaar om de hele zaak binnen te draaien.
Ineens schiet de pen naar beneden. In een fractie van een seconde denk ik dat de combinatie van een talud is afgegleden maar zo snel als dat ging kan dat eigenlijk niet. Ik draai strak en sla in een reflex aan. Niet voorzichtig, niet weifelend maar in de volle overtuiging dat er iets verantwoordelijk is voor deze brute aanbeet.
En oh wat een wonder. Mijn fantasie, mijn niet aflatende vertrouwen, mijn… ik weet niet meer wat ik allemaal dacht maar aan de andere kant gaat er iets te keer waar ik al de hele middag op hoopte. Ik moet snel met de lieslaarzen het water in want de karper verkiest de eigen oever om in de rietkragen te proberen zich van de lijn te ontdoen.

De karper verkiest de eigen oever om in de rietkragen te proberen zich van de lijn te ontdoen

Inmiddels komt de hele troep aangelopen en begint foto’s te maken en mij met raad en daad terzijde te staan. Vele minuten gaan er voorbij en ik blijf voorzichtig, want het is slechts 20/100 en de karper lijkt toch een stuk groter dan ik eerst dacht.
Thomas komt met een groot net aangesneld en ziet gelijk dat het een enorme graskarper is. Als de vis binnen mijn bereik komt, reikt hij mij op het juiste moment het net aan. De karper past er maar net in. Dolgelukkig strompel ik naar de kant. Het meetlint komt er bij. En ach, die centimeters en het gewicht; precies hoef ik ‘t niet te weten. Maar het is toch leuk om te zien dat het meetlint al 86 cm aangeeft terwijl de staart nog gekromd is. Deze gaat over de 90 cm heen. Meer hoef ik niet te weten.
De camera wordt door Thomas al in de aanslag gehouden. Hij roept nog voorzichtig te zijn want graskarpers staan er om bekend in het net en op het land nog steeds door te knokken. Mijn nonchalance wordt bestraft want als ik de grote vis optil, maakt deze een krachtige staartslag en springt over m’n armen heen het water in. En weg is de vis… een beteuterde visser achterlatend. Ik had de vis nog zo graag even vastgehouden.

In een roes vertrekken we richting het restaurant. Onderweg barst er een noodweer los en omdat ik de aandacht totaal niet bij de weg heb, missen we niet één maar twee afslagen en zijn we gedoemd om door te rijden tot de afslag Urk alvorens we kunnen draaien. In het restaurant word ik dan ook door de al aanwezige leden met hoongelach ontvangen. Maar het deert me niet. Want ik heb toch maar mooi in de laatste seconde mijn dag in een apotheose beëindigd.

Hoewel enkele leden van Flitsend Nylon aardige gebiedskennis hebben, zijn ook zij niet altijd geïnformeerd op welke moment je waar succesvol kunt zijn in deze uitgestrekte polder. Het was voor ons dan ook een enorme opsteker dat we bij de voorbereidingen en stekkeuze mochten rekenen op de adviezen van niemand minder dan Dick Langhenkel. Waarvoor onze welgemeende dank.

Met de Franse slag

Franse vissers hebben bij ons de naam vooral wedstrijdvissers te zijn, pikeurs met de vaste stok, jongleurs met ragfijn nylon en scherp uitgelode pennetjes. Die bijna spreekwoordelijke finesse beperkt zich echter niet tot de arena van het wedstrijdgebeuren, want Frankrijk is ook de bakermat van het “lancer léger”, het lichte werpen, waarmee Jan Schreiner ons uitgebreid liet kennismaken in zijn “Flitsend Nylon”.

Vaak wordt gedacht dat het ultralichte spinnen in Nederland is uitgevonden. Zeker is dat Jan Schreiner de schatkamer van het ultralichte spinnen voor ons Nederlanders heeft ontsloten. Maar even zeker is dat de sleutel hem door de Fransen werd aangereikt; hun vroege vistechnische raffinement leidde immers al voor de Tweede Wereldoorlog tot (ultra)lichte spinhengels. Gemaakt van, hoe kan het ook anders in die tijd, “bambou refendu”, bij ons beter bekend als splitcane.

Wie aan Frankrijk denkt, ultralicht werpen en aan splitcane kan niet om Pezon et Michel heen, de beroemde fabriek uit Amboise, die met name tussen 1935 (het jaar waarin namelijk de eerste twee Franse werpmolens werden geïntroduceerd, de Vamp en de Capta) en 1975 glorieerde. Maar om die fabrikant op het toppunt van zijn kunnen te brengen was echter een Franse hotelier en sportvisser nodig, de legendarische Charles Ritz.

Nog steeds in trek bij de kenners

Charles Ritz, inderdaad die van de beroemde hotels, was een sportvisser in hart en nieren en ook nog eens financieel onafhankelijk. Hij kon daarom reizen om te vissen, in die tijd ongewoon, en viste dan ook overal, met de bekendste vissers van zijn tijd, zoals Lee Wulff, Frank Sawyer, die van de nimf ja, maar ook met royalty en beroemdheden; zo was hij bijvoorbeeld bevriend met Ernest Hemingway. In 1958 richtte Ritz de hoogst exclusieve Fario Club op, met als leden de crème de la crème van de internationale hengelsportwereld, en als clubhuis The Ritz aan de Place Vendome in Parijs… Ritz was kortom gek van (vlieg)vissen en vooral ook van materiaal, en geldt ondermeer als de uitvinder van de parabolische hengelactie, de telescoophengel en nog wel wat meer.

Zijn inbreng als consultant van Pezon et Michel leidde na de Tweede Wereldoorlog tot de waarschijnlijk meest geroemde series van Pezon et Michel: de PPP vliegenhengels, waarover later misschien nog eens meer, en de Télebolic spinhengels.

Beide door Ritz ontworpen series waren op één in het oog springend punt al een radicale breuk met de gelijkdelige vliegen- en spinhengels die Pezon et Michel al sinds de dertiger jaren produceerde. Ze kenmerkten zich namelijk vooral door hun wel erg ongelijke delen: de top was werkelijk veel langer dan het achtereind, wat volgens Ritz, die een reputatie op te houden had als casting expert, bedoeld was om meer snelheid en precisie in het werpen te brengen.

De Télebolic spinhengels verschenen medio jaren ‘60 van de vorige eeuw op de Nederlandse markt, waren gemaakt van speciaal gehard splitcane (het zogenaamde bambou trempé) en gewikkeld in groen met donkerrode accenten. De ogen waren van het hardverchroomde Luxor type, het handvat was geheel van kurk, overigens in eerste aanleg ook in een speciale dunne (19 mm) uitvoering verkrijgbaar, met natuurlijk daarop twee reelringen. De hengels waren afgewerkt met Luxor afdekplaatje, cone en stootdop, waarbij de kleur van het afwerkingmateriaal blank of roze (latere versies) was. Een gebronsde bus met rode stipjes voor de juiste positie (splitcane houdt er niet zo van om gedraaid te worden, vandaar) completeerde het geheel. Het foedraal was hetzij beige, dan wel oranje, met daarop gestikt het P&M embleem. Alleen latere modellen hadden voor het tientallen centimeters kortere achtereind een op maat gemaakt stuk hout in de bus, zodat in het foedraal de delen even lang waren.

De voor het Nederlandse (polder)water meest geschikte modellen

Alle hengels waren voorzien van een serienummer, dat ondermeer de exacte bouwdatum weergeeft, en de type aanduiding “BB” met daarachter een cijfer. Alhoewel er ook zware modellen in deze serie bestaan zijn de bekendste en voor de Nederlandse (polder)wateren meest geschikte modellen de BB0, BB1 en BB2.

In “200 Ruisvoorntips” uit 1977 passeerden deze stokjes al de gezamenlijke revue van Kees Ketting en Henk Peeters, die niet veel woorden nodig hadden om voor een vlokhengel hun keus uit deze drie hengels te bepalen: “wij vinden de BB0 iets te slap,en de BB2 iets te stijf, vandaar dat we het liever houden op de BB1″.

Kees Ketting, die destijds al bekend stond als een liefhebber van Pezon et Michel, beschreef de hengels in het kader van een terugblik nadien nog eens in een paar zinnen in het verenigingsblad van “De Vissende Verzamelaar”: “De hengels zijn vinnig en werpen uiterst precies. Vooral de BB1 en de BB2 waren destijds zeer in trek als vlok- en als ultralichte kunstaashengel voor de polder. (Bij de kenners zijn ze dat nog steeds)”.

Voor we eens naar deze hengels kijken zet ik de belangrijkste kenmerken ervan even op een rijtje:

    BB 0: 1.67 meter, gewicht 85 gram, werpgewicht 0,5 tot 3 gram
    BB 1: 1.67 meter, gewicht 110 gram, werpgewicht 1,5 tot 4 gram
    BB 2: 1.83 meter, gewicht 135 gram, werpgewicht 3 tot 7 gram

De BB0 is echt een heel licht hengeltje. Het werpvermogen ligt op 3 gram, en ook een stomp spinnertje van 20 mm is hieraan nog heel goed te voelen, wat overigens niet van veel spinhengeltjes gezegd kan worden. Mijn exemplaar is van 1970, heeft het dunne handvat en wordt gebruikt met 10/00 gewone nylon. De actie is, inderdaad, wat aan de zachte kant voor een spinhengel en daarom is deze van de drie hengels het meest geschikt voor de vlok. Maar er kan wel degelijk mee gespind worden, al zorgt een snoek van 60 cm voor tamelijk klamme handen, niet alleen omdat er nauwelijks druk uit te oefenen valt met een anderhalfponds lijntje, maar ook omdat het een fragiel houten hengeltje betreft dat om enig beleid in het gebruik vraagt - en dus de angst voor splinters om de oren al snel de kop opsteekt.

De BB1 was in Nederland, afgezet tegen het destijds toch niet misselijke prijskaartje, waar je zowat twee handgebouwde holglas hengels van destijds toonaangevende winkeliers van kon kopen, toch een vrij populaire hengel en daarom een regelmatige verschijning in onze polders. Dit is ten opzichte van de BB0 een universeler te gebruiken 4 grams hengel, snel en ook strak, en ideaal voor het vissen met bijvoorbeeld de stompe 20-25 mm Terribles. Als het hengeltje in actie komt is het moeilijk om er niet verliefd op te worden, want wat werpt dit hengeltje zuiver en wat is het heerlijk “nerveus”. Ook verschaft deze hengel net wat meer zelfvertrouwen dan de BB0 bij het drillen van snoek tussen zeg 50 en 70 cm.

De BB2 is een lichte, meer all-round, spinhengel voor de polder, zes voet lang, met een vermogen van een gram of 7, misschien wel een grammetje meer, wat vandaag de dag nog altijd een perfecte keus is als de wind opsteekt of de keus moet vallen op een iets grotere spinner. Ook komt een klein plugje binnen het bereik van de mogelijkheden, maar de magie waarmee het ultralichte spinnen is omgeven gaat aan deze hengel een klein beetje voorbij, omdat hij, bespannen met 18/00 en een Luxor Rafale spinner eigenlijk meer een lichte dan een ultralichte spinhengel is. Maar dit is wel een mooie hengel als we net niet uitkomen met de lichtere familieleden; en met een werpvermogen van 7 gram is het een plezierige tussenmaat, die bij mij nog geregeld, vooral in de herfst, uit het foedraal komt.

Afgewerkt met Luxor afdekplaatje

Want ook nu nog, bijna 50 jaar na hun introductie, komen deze hengels overal ter wereld nog geregeld uit de foedralen. Daar is een reden voor; juist op deze lengtes en met dit vermogen doet het voornaamste bezwaar van splitcane – het gewicht – zich niet zo gelden en is dat gewicht onder de noemer “massa” bij het ultralichte spinnen een pluspunt bij het zetten van de haak. Vistechnisch zijn ze nog altijd bij de tijd, en onmiskenbaar gaat er een blijvende aantrekkingskracht uit van deze hengels, die een sensatie waren bij hun introductie en vele hengelbouwers tot inspiratie hebben gediend. Maar dat niet alleen, want wie ze ter hand neemt blijft maar zelden ongevoelig voor hun charme. Ze zijn, zo lijkt het, niet alleen gelakt met vernis maar ook met sfeer en romantiek en velen van ons weten dat ook in deze moderne tijd op waarde te schatten.

En ja, toegegeven, dit soort lichte sprietjes van splitcane hebben wel een beetje een gebruiksaanwijzing. Ze buigen niet graag verder door dan de bedoeling is, vinden het fijn om goed afgedroogd te worden na gebruik en ook wordt het op prijs gesteld als er af en toe wat tegengestelde rek- en strekoefeningen worden gedaan na heftige inspanning. Ze vragen kortom wat aandacht, maar belonen de bezitter daarvoor in ruime mate met deels ondefinieerbaar genot, waarin ook een deel van de attractie schuilt.

Wie vandaag de dag deelgenoot wil worden van dat genot moet weten dat eind jaren ‘90 de hengels nog enige jaren als kostbare heruitgave in de catalogus van Pezon et Michel prijkten. Wat mij betreft missen die de charme van hun roemrijke voorgangers. Wie juist interesse heeft in die klassiekers ziet op Marktplaats en eBay de hengels nog geregeld opduiken. Met uitzondering van exemplaren in echte, dus ongeviste, nieuwstaat worden er doorgaans geen torenhoge prijzen voor betaald. Een mooie hengel met foedraal verwisselt veelal tussen 100 en 150 euro van eigenaar, en daarmee zijn ze nu eigenlijk een stuk bereikbaarder dan ze bij introductie waren.

Alle reden dus om het eens “met de Franse slag” te gaan proberen, en als ik zelf dit gezegde lees - of hoor - dan dwalen in ieder geval mijn gedachten menigmaal af naar de foedralen met deze klassieke ultralichte hengels van Pezon et Michel, die ik hierbij - misschien wel opnieuw - aan u heb willen voorstellen.

Dromen in Dalarna 3 - Eindelijk vakantie!

Wilfred en Brenda kennen elkaar nu inmiddels ruim vijf jaar. Al na één jaar wisten ze het: samen verder door het leven. Hierdoor veranderde het vrijgezellen leven voor Wilfred drastisch. Ineens woonde hij samen met een vrouw en haar twee dochters.
Na het snel achter elkaar overlijden van zijn beide ouders en z’n nieuwe situatie als ouder/opvoeder werden voor Wilfred andere waarden belangrijker. Samen met Brenda dagdroomde hij over verhuizen naar rustiger oorden, naar vrijheid, naar bossen met riviertjes en verstilde meren. Het zo populaire emigreren, is door hun omstandigheden nog niet voor hen weggelegd. Maar ze wilden het wel dichterbij brengen.
In een serie artikelen kun je hun verhaal van hun huizenjacht in Zweden volgen waarbij het vissen en hun gezamenlijk passie voor water het leidmotief is.

Ik zit achter de computer en kijk naar buiten. Het is al donker maar de dagen beginnen al te lengen. Het is tijd om de boot van Kiel naar Götenborg te boeken. Of zullen we toch maar de duurdere boot via Oslo nemen?
Het is eigenlijk gekkenwerk dat je al maanden van te voren de boot moet boeken. Scandinavië stijgt nu eenmaal in populariteit. Dat ervoeren wij ook in de zomer van 2007. Naar Zweden zouden we gaan, hadden we tegen de kinderen gezegd. “Gatver, wat moet je daar nu doen”, was gelijk het antwoord. En laten we eerlijk zijn. Zij waren Kroatië gewend en daar zouden ze met hun natuurlijke vader ook dit jaar weer heen gaan. Dat is dan weer één van de weinige voordelen van een scheidingssituatie: je ontvangt alles dubbel dus ook de vakantie.
Toch vonden ze het ook wel spannend want we zouden met de boot gaan met onbeperkt eten; smörgåsbord, zo’n typische lopend Zweeds buffet. En kunnen eten en drinken wat je wil, is altijd goed…

De ferry van Kiel naar Göteborg

De rit naar Kiel ging voorspoedig en aangezien ik overal en altijd op tijd wil zijn, betekende dat we uren op de parkeerplaats konden rondhangen voordat we boot op mochten. Als alles gaat rijden, breekt de heerlijke chaos los. Want organiseren kunnen de Zweden niet. Uiteindelijk staat iedereen drie rijen dik onder in de boot. Snel de bagage er uit en dan zo snel mogelijk naar de vier persoonshut. Wel eerst met z’n allen goed onthouden waar en op welk dek de auto geparkeerd staat. Het is altijd verwonderlijk hoe de oudste, die veelal graag dwars ligt, zich opwerpt als iemand die het allemaal wel regelt en weet.

De hut bleek klein maar comfortabel. De bedden werden uitgeklapt en ik pakte alvast de douche terwijl de kinderen knokten wie er boven of onder mocht liggen. Even later dwalen we over het dek en zien in de verte de kust van Denemarken aan ons voorbij glijden. De zon schijnt mooi over het water en iedereen komt al goed in de stemming. Met een behoorlijke trek begeven we ons naar het buffet waar geen woord te veel over is gezegd. Allemachtig, wat een eten! Allerlei soorten vlees en vis, diverse groentes afgewisseld met typisch Zweedse gerechten en ik weet niet wat nog allemaal meer. Brenda en ik scheppen het bord wel drie keer vol, daarna een kaasplankje en afsluiten met de keuze uit een mix van zo’n acht soorten nagerechten. En alles weggespoeld met licht Zweeds bier en wijn. Dat was overigens de laatste keer dat we onbeperkt wijn en bier nemen want de boetes zijn niet mals. Wat dacht je van een bon van circa 2.000 euro en een half jaar brommen? Onderweg spraken we een Nederlander die het was overkomen in 2005.
’s Nachts sliepen we weinig. De kinderen waren druk in hun slaap, Brenda was bang dat er één zou gaan slaapwandelen en ik lag al te denken aan de volgende dag. Dus enigszins geradbraakt verschenen we aan… alweer een lopend ontbijtbuffet… maar wel met goede zin voor de dag die komen zou.
Het van de boot afrijden was al net zo’n zenuwengedoe als de boot oprijden. Ik had maar één ding in ‘t hoofd: zo snel mogelijk de goede rijksweg vanuit Göteborg pakken en tempo maken. We hadden immers een lange reis voor de boeg. De eerste locatie in deze drie weken was een goed aangeschreven camping in het zuiden van de provincie Dalarna, ook wel de meest Zweedse provincie genoemd. Maar daarvoor moesten we eerst langs het grote meer Vänern rijden. Als alles nieuw is voor je, doe je veel indrukken op. De heenweg leek dan ook ontzettend lang en het was ook niet meer dan begrijpelijk dat de kinderen het na een aantal uur behoorlijk zat waren. Ook wij hadden na een tijdje het gevoel, komt hier nog wel een einde aan? Maar met de kaart op schoot en de omgeving goed in de gaten houdend, zie je toch dat je langzaam dichter bij je doel komt.

Uitzicht vanaf de camping

Als dan eindelijk de Camping Johannisholm opdoemt, is alles vergeten. We worden welkom geheten en naar onze hut begeleid. Geen superluxe onderkomen maar alles is aanwezig en de kinderen slapen op een soort zoldertje dat het geheel al spannend genoeg maakt. Het uitzicht over het meer is fenomenaal maar na het lange rijden ben ik nog maar de enige die daar oog voor heeft. Iedereen gaat uiteindelijk bekaf onder zeil en slaapt een gat in de dag.

Op de camping zijn eenvoudige blokhutten te huur

De volgende dag wordt de omgeving verkend en natuurlijk zie ik al ongekende vismogelijkheden. Maar goed, je bent met het gezin dus dan is het toch aanpassen. Gelukkig heeft deze camping goed begrepen waar mensen voor naar Zweden komen. Het wordt dan ook gerund door het Nederlandse echtpaar Peter en Pauline; beiden afkomstig van Defensie en jaren geleden naar Zweden geëmigreerd. Men organiseert kompastochten voor de kleintjes, vlotten bouwen voor de pubers en mensen die er met z’n allen op uit willen, kunnen aan een heuse moerastocht deelnemen. Bever en elandsafari’s behoren eveneens tot de mogelijkheden. En voor de actievelingen zijn er kano’s te huur voor een lange tocht of kan men een klimwand trotseren. We zouden ons niet vervelen.

Vlotvaren

Als ik ’s avonds aan de elandsafari deelneem, voel ik mij niet echt lekker. Uiteindelijk besluit ik toch maar mee te gaan. Helaas wordt ik ’s nachts geveld door een raar soort virus dat de camping teistert. De leiding van de camping begint behoorlijk nerveus te worden als de één na de ander gast doodziek in bed ligt. De vrouw van het stel dat de camping leidt, wordt uiteindelijk ook getroffen. Het virus is verschrikkelijk; ik lig de gehele nacht te braken en na de zesde keer spugen ben ik zo hondsziek dat ik alleen nog maar dood wil.
Als ik uiteindelijk voel dat het afneemt en ik langzaam wegzak in een diepe slaap heb ik ‘t gevoel dat ik nog nooit zo dankbaar ben geweest. Zo ziek kan een mens zijn. Ook Brenda is kapot want die heeft de gehele nacht met een emmer kunnen rondlopen. Alleen Judith, onze oudste, wordt licht door het virus getroffen en daarna is ook dit ongemak achter de rug. De volgende dag stond immers een ruige tocht met quads op het programma en daar moest en zou ik aan mee doen. En met wat paracetamol in de pens moest het lukken.

Met de quad op pad

Met een vijftal quads gingen we ’s middags op pad. Helm op, uiteraard, want het kan ook aardig mis gaan. Judith zou bij de begeleider achterop gaan. Eerst reden we een proefrondje waarbij ik er gelijk achter kwam dat het helemaal niet makkelijk was. Uiteindelijk kreeg ik ‘t apparaat onder controle en daar gingen we. Dat het ruig zou worden, bleek na een half uur rijden wel: nauwe paadjes met boomwortels, afgewisseld met steile hellingen en af en toe prachtige vergezichten. In één woord geweldig. Later kwamen we ook nog ’s een jonge elandenkoe tegen en de middag kon voor Judith en mij niet meer stuk. Ondanks de slapte in de benen was ik blij dat ik mij toch had vermand en mee was gegaan.
Britt verkoos als kleine opdonder de klimwand te trotseren. Hiermee oogstte ze bij één van de begeleiders grote waardering en uiteindelijk wist deze haar helemaal naar de bovenzijde van de wand te praten. Ik doe ‘t haar niet na.

In de avonduren werd er door mij uiteraard gevist. De rivier die vlak bij de camping in het meer uitmondde, is de Vanån. Deze staat goed aangeschreven voor middelgrote snoek en daar waar ‘t harder stroomt is het een goede vlagzalmrivier. Ik heb mij alleen beperkt tot snoek en die zat er in grote hoeveelheden. Maar wat heb ik veel gemist. Kleine pluggen en streamers werden ingezet. Het was opvallend dat de meeste aanvallen op de plug plaatsvonden op het moment dat de plug stillag. Die truc heb ik vaak herhaald met af en toe een fraaie 70-er als resultaat. Een fototoestel ging nooit mee, daar moest teveel voor gezwoegd worden want je kreeg de vissen niet voor niets. Met de lieslaarzen aan was het hard werken om vanaf de zompige oevers te vissen. Klimmen over stenen en onder overhangende takken doorkruipen… aan het eind van de avond ging ik doodmoe terug naar de camping, meestal geheel onder de bagger. Onderweg zag ik sporen van bevers en elanden. En de stilte, die was overweldigend.

De avond valt over een verlaten meertje

Tegen de avond snel een vuurtje stoken terwijl Brenda de whisky gaat halen

Met weemoed verlieten we na ruim een week de camping. Het echtpaar Peter en Pauline had het allemaal mooi voor elkaar en we beloofden ooit nog ’s terug te komen niet wetende dat dit sneller zou zijn dan we dachten.
We reden de prachtige provincie Dalarna uit in zuidelijke richting naar de provincie Värmland. Dit deel wordt duidelijk door meer Nederlanders bezocht. Hier kwamen we dan ook tal van huisjes van Nederlanders tegen die verhuurd werden. Ook wij hadden een huisje van een particulier gehuurd. Op zich een leuk optrekje maar het was voor mij toch allemaal te veel een soort Benidorm van Zweden. Als je in een winkel komt en men vraagt in het Nederlands waar de kaas ligt, dan heb ik ‘t snel gehad.
Ook hier hadden we weer prachtig zomerweer op een enkele regenbui na.
Natuurlijk was de overgang van de camping naar een huisje aan de rand van de bossen nogal groot maar er bleek in de omgeving genoeg te doen. Met name het grote waterattractiepark in het plaatsje Sunne was voor de kinderen het einde. En ik? Ach, ik vermaakte mij wel met het bestuderen van de Zweedse jonge meiden: daar zat geen gram verkeerd aan!

Het nieuwe verblijf nabij Sunnemo in Värmland

Na enkele dagen begon het weer de kriebelen. Er moest toch weer even gevist worden. Al wadend trok ik langs de brede rietkragen en lelievelden. Streamers, lepels en pluggen werden langs de vegetatie getrokken maar een aanbeet bleef uit. Toch was ‘t een prachtig meer waar ik ’s avonds naar toe toog. Er werden ook beste snoeken gevangen maar allemaal trollend vanuit een boot. Mogelijk dat het warme weer debet was aan het uitblijven van vangsten in de oeverzone.
Op de kaart had ik gezien dat het meer overging in een riviertje. Op een avond begaf ik mij naar dit riviertje. De vliegenhengel liet ik thuis en daar zou ik spijt van krijgen. Na even zoeken vond ik een pad met een bruggetje waar ik de auto kon parkeren. Gewapend met een Fair Play 10-grammer en een tas vol kunstaas baande ik mij een weg door het struikgewas. De muggenolie had ik rijkelijk op handen en gezicht gesmeerd en dat bleek geen overbodige luxe.

Oneindige bossen en een weggetje naar een onbekend beekje

Door eerdere ervaringen was ik er van uit gegaan dat dit weer zo’n traag stromende beek zou zijn met diepe pools; vaak water voor middelgrote snoek. Dat er forel of vlagzalm zou zitten, verwachtte ik niet in dit deel van Zweden. Toen ik een snel draaiende spinner tegen de andere zijde plaatste en deze langs een boomstronk trok, was ik dan ook stomverbaasd dat er een schooltje vlagzalmen van redelijk formaat achteraan zwom. Tot twee keer toe werd de spinner geattaqueerd maar door de kleine, onderstandige bek lukte het de vlagzalmen niet de spinner echt vol in de bek te nemen. Inmiddels kon ik mij wel voor m’n kop slaan dat ik mijn vliegenhengel in het huisje had gelaten. En diep geviste nimf zou hier wonderen hebben verricht. Het water was ook nog eens glas maar dan ook glashelder zodat ik de vissen goed kon waarnemen.
Na deze frustratie baande ik mij verder een weg. Dit soort gebieden zijn nu eenmaal niet makkelijk toegankelijk dus er werd veel gevraagd van mijn doorzettingsvermogen. Klimmen en klauteren, dan weer onder takken door, de beek in en weer uit. Mijn shirt begon al aardige zweetplekken te vertonen.
Op een gegeven moment kom ik bij een flinke bocht in de beek. De oever in de binnenbocht loopt langzaam af en ik loop met de lieslaarzen een stukje het water in. De lichte zandbodem bood hier geen schuilplaats maar aan de overzijde zag ik een dieper stuk waar zich organisch materiaal had verzameld zodat het een donkere vlek leek. Een flinke overhangende boom maakte van dit deel een ideale schuilplaats voor… ja, voor wat eigenlijk? Door de aanwezigheid van vlagzalm was ik een beetje onzeker wat ik verder kon verwachten.

De spinner werd dicht tegen de overzijde geplaatst en liet ik even afzinken. De stroom liet de spinner al enigszins van de oever af zeilen dus begon ik al snel binnen te draaien. Ik zie de spinner ineens duidelijk te voorschijn komen uit de donkere plek en pal daarachter komt een fraaie snoek. Ik zie hoe het beest versnelt, zich kromt, de kieuwdeksels klappen open en ineens is daar een felle ruk en de 10-grammer kromt zich behoorlijk. De slip doet z’n werk en ik moet dan ook alle zeilen bijzetten om deze fraaie zeventiger te landen. Uiteraard had ik de camera thuisgelaten zodat ik die avond een tweede teleurstelling moet wegslikken. Maar het moment van die aanval nemen ze mij nooit meer af. Werkelijk prachtig om zo goed en zo haarscherp afgetekend boven de zandbodem deze aanval te mogen waarnemen.

Wat zou er zitten, vlagzalm, baars, snoek?

De snoek laat ik los en het dier zwemt langzaam naar het midden om nog goed zichtbaar te blijven staan. Ik had besloten om toch maar een donker bontstreamertje aan te knopen want daar zou ik met behulp van de stroming meer kunnen spelen. Voor de grap werp ik de streamer naar het midden om te zien hoe de snoek zou reageren. Voordat ik het weet, schiet de snoek naar voren en grijpt de streamer vol in de bek. Weer volgt een dril en weer laat ik de snoek los. Dit is toch wel een zeer bijzondere ervaring.
En ja, ik kan het niet laten. Ik knoop een andere streamer aan en werp nu ver voorbij de snoek. Zodra deze echter de streamer in het zicht heeft, gaat de snoek opnieuw tot de aanval over. Op het laatste moment weet ik net op tijd het kunstaas weg te trekken. Ik haal dit geintje nog één keer uit met hetzelfde resultaat maar daarna zwemt de snoek langzaam terug naar de donkere plek. Ik weet niet wie van ons tweeën nu meer verbaasd was.

Overal zijn geheimzinnige beekjes te vinden

Een stukje verder langs de beek zie ik tussen de bomen een poeltje van pakweg honderd vierkante meter. De poel heeft duidelijk verbinding met de beek in tijden van hoog water maar is nu afgesloten. Toch staat er voldoende water in om een worpje te wagen. Eigenlijk ziet het er belachelijk uit want het is of je in een tuinvijver vist. Tot mijn grote verbazing zie ik het water golven en ineens hangt daar een snoekje aan. Na het terugzetten kan ik het niet nalaten om de uitdaging aan te gaan. Want waar één snoek zit, zit er misschien nog wel één. Waar is niet duidelijk want deze poel is al zo klein. Aan m’n rechterzijde liggen wat afgestorven planten aan het oppervlak. Zou dan toch… misschien… daar? De streamer gaat er langs en dan bolt het water op. Ik zie een forse kop en de hengel staat al krom voor ik het weet. Dit is ongelofelijk; dit kan eigenlijk niet. En toch is ‘t zo. Na een pittige dril komt een dikke zeventiger binnen handbereik.

Ik moet even zitten want dit is echt te gek voor woorden. Ik denk niet dat iemand mij geloofd zou hebben als ik de plek zou laten zien en het resultaat zou vertellen. Ik steek een klein sigaartje op en geniet nog even na.
Het wordt al langzaam schemerig en er komt nevel boven het water te hangen. Mijn sigarenrook vermengt zich met de nevel. Een stuk verderop hoor ik ineens een enorme klap. De klap is te hard voor een vis. Dus moet het wel… Inderdaad, als ik dichterbij kom, zie ik een pracht van een beverburcht. De afgekloven stompen waren mij al eerder opgevallen. Helaas heb ik het echtpaar bever niet kunnen waarnemen.
Ik besluit nu echt terug te gaan want het is toch een hele tippel terug naar de auto. Een enorm gekraak verscheurt de stilte. De haren in m’n nek staan overeind van schrik. Ik ben voorbereid op iets groots dat uit de struiken moet komen. Maar het verplaatst zich de andere kant op. Even laten hoor ik een zwaar soort galop en ik besluit dat het wel een eland moet zijn geweest die ik heb laten schrikken. Nou ja, zelf ben ik ook wel enigszins wit om de neus.
Wat een avond. Met een voldaan gevoel rijd ik terug om even later met veel te luide stem als een kleine jongen m’n avonturen aan Brenda te vertellen.

Resten van het kadaver van een eland

Natuurlijk, het is vakantie maar we kwamen ook om de sfeer te proeven met in het achterhoofd het idee om naar vastgoed uit te kijken. De kinderen hebben er al gelijk de pest over in als ze horen dat we ook langs enkele makelaars willen. Er volgt een avontuur van diverse bezoeken aan makelaars en bemiddelaars, alles in gebroken Engels met hier en daar een opgepikt Zweeds woord. Al snel leren we van alles over drinkwater- en rioleringssystemen, soorten van verwarming, dat veel huizen asbest bevatten, de prijzen enorm verschillen en dat iedereen zich gek laat maken door de lage huizenprijs. We leren ook dat er vele mensen klaar staan om jou te helpen met een overhaaste beslissing. En dat zijn niet alleen Zweden. Ook diverse, zich aldaar gevestigde Nederlanders hebben de markt ontdekt en proberen ook hun landgenoten over te halen toch vooral een krot in een oninteressant gebied te kopen. Uiteraard voor forse bemiddelingskosten.

Verwaarloosde houten schuren, typerend voor de Zweedse gemakzucht

Een overhaaste beslissing is zo genomen. Want zeg nou zelf, als je 25.000 euro meeneemt en een lening bij een Zweedse bank van nog eens zo’n bedrag voor elkaar weet te krijgen en je kunt daar al een kleine cottage voor kopen dan wordt men al snel gretig.
We bezoeken zelfs een huis en worden al helemaal enthousiast. Maar toch, het voelt niet goed. Dit gaat te snel. Er dient nog meer uitgezocht te worden en vooral meer rondgereden te worden om een gevoel te krijgen bij de omgeving.
Het is ons al wel duidelijk geworden dat dit wel eens onze ontsnapping uit Nederland zou kunnen gaan betekenen. We zouden zo’n huisje van de erfenis van mijn ouders kunnen bekostigen en de maandelijkse kosten zouden opgebracht kunnen worden. Echt sparen zat er dan niet meer in maar we hebben dan wel een vooruitgeschoven post om te betrekken als we vroegtijdig willen stoppen met werk. Onze Nederlandse woning zou dan het pensioengat moeten dichten.

Een moment om goed je gedachten te ordenen

En zo brachten we, toen de kinderen al sliepen, vele uren pratend door met een glas whisky in de hand. Zelfs op de terugweg werd tot vervelends toe over woningen gesproken.
Zodra we thuis zijn, gaan de kinderen met hun natuurlijke vader weer op vakantie. Dat zijn zo de voordelen van een scheiding. Brenda en ik zouden wat spullen uitwassen om vervolgens terug te gaan voor een meer gedegen zoektocht die tot onze eigen verbazing een wending zou krijgen die wij nooit hadden kunnen vermoeden.

Terug naar huis, tevreden, voldaan en nieuwsgierig naar wat nog komen gaat

Volgende pagina »