Met de Franse slag

Franse vissers hebben bij ons de naam vooral wedstrijdvissers te zijn, pikeurs met de vaste stok, jongleurs met ragfijn nylon en scherp uitgelode pennetjes. Die bijna spreekwoordelijke finesse beperkt zich echter niet tot de arena van het wedstrijdgebeuren, want Frankrijk is ook de bakermat van het “lancer léger”, het lichte werpen, waarmee Jan Schreiner ons uitgebreid liet kennismaken in zijn “Flitsend Nylon”.

Vaak wordt gedacht dat het ultralichte spinnen in Nederland is uitgevonden. Zeker is dat Jan Schreiner de schatkamer van het ultralichte spinnen voor ons Nederlanders heeft ontsloten. Maar even zeker is dat de sleutel hem door de Fransen werd aangereikt; hun vroege vistechnische raffinement leidde immers al voor de Tweede Wereldoorlog tot (ultra)lichte spinhengels. Gemaakt van, hoe kan het ook anders in die tijd, “bambou refendu”, bij ons beter bekend als splitcane.

Wie aan Frankrijk denkt, ultralicht werpen en aan splitcane kan niet om Pezon et Michel heen, de beroemde fabriek uit Amboise, die met name tussen 1935 (het jaar waarin namelijk de eerste twee Franse werpmolens werden geïntroduceerd, de Vamp en de Capta) en 1975 glorieerde. Maar om die fabrikant op het toppunt van zijn kunnen te brengen was echter een Franse hotelier en sportvisser nodig, de legendarische Charles Ritz.

Nog steeds in trek bij de kenners

Charles Ritz, inderdaad die van de beroemde hotels, was een sportvisser in hart en nieren en ook nog eens financieel onafhankelijk. Hij kon daarom reizen om te vissen, in die tijd ongewoon, en viste dan ook overal, met de bekendste vissers van zijn tijd, zoals Lee Wulff, Frank Sawyer, die van de nimf ja, maar ook met royalty en beroemdheden; zo was hij bijvoorbeeld bevriend met Ernest Hemingway. In 1958 richtte Ritz de hoogst exclusieve Fario Club op, met als leden de crème de la crème van de internationale hengelsportwereld, en als clubhuis The Ritz aan de Place Vendome in Parijs… Ritz was kortom gek van (vlieg)vissen en vooral ook van materiaal, en geldt ondermeer als de uitvinder van de parabolische hengelactie, de telescoophengel en nog wel wat meer.

Zijn inbreng als consultant van Pezon et Michel leidde na de Tweede Wereldoorlog tot de waarschijnlijk meest geroemde series van Pezon et Michel: de PPP vliegenhengels, waarover later misschien nog eens meer, en de Télebolic spinhengels.

Beide door Ritz ontworpen series waren op één in het oog springend punt al een radicale breuk met de gelijkdelige vliegen- en spinhengels die Pezon et Michel al sinds de dertiger jaren produceerde. Ze kenmerkten zich namelijk vooral door hun wel erg ongelijke delen: de top was werkelijk veel langer dan het achtereind, wat volgens Ritz, die een reputatie op te houden had als casting expert, bedoeld was om meer snelheid en precisie in het werpen te brengen.

De Télebolic spinhengels verschenen medio jaren ‘60 van de vorige eeuw op de Nederlandse markt, waren gemaakt van speciaal gehard splitcane (het zogenaamde bambou trempé) en gewikkeld in groen met donkerrode accenten. De ogen waren van het hardverchroomde Luxor type, het handvat was geheel van kurk, overigens in eerste aanleg ook in een speciale dunne (19 mm) uitvoering verkrijgbaar, met natuurlijk daarop twee reelringen. De hengels waren afgewerkt met Luxor afdekplaatje, cone en stootdop, waarbij de kleur van het afwerkingmateriaal blank of roze (latere versies) was. Een gebronsde bus met rode stipjes voor de juiste positie (splitcane houdt er niet zo van om gedraaid te worden, vandaar) completeerde het geheel. Het foedraal was hetzij beige, dan wel oranje, met daarop gestikt het P&M embleem. Alleen latere modellen hadden voor het tientallen centimeters kortere achtereind een op maat gemaakt stuk hout in de bus, zodat in het foedraal de delen even lang waren.

De voor het Nederlandse (polder)water meest geschikte modellen

Alle hengels waren voorzien van een serienummer, dat ondermeer de exacte bouwdatum weergeeft, en de type aanduiding “BB” met daarachter een cijfer. Alhoewel er ook zware modellen in deze serie bestaan zijn de bekendste en voor de Nederlandse (polder)wateren meest geschikte modellen de BB0, BB1 en BB2.

In “200 Ruisvoorntips” uit 1977 passeerden deze stokjes al de gezamenlijke revue van Kees Ketting en Henk Peeters, die niet veel woorden nodig hadden om voor een vlokhengel hun keus uit deze drie hengels te bepalen: “wij vinden de BB0 iets te slap,en de BB2 iets te stijf, vandaar dat we het liever houden op de BB1″.

Kees Ketting, die destijds al bekend stond als een liefhebber van Pezon et Michel, beschreef de hengels in het kader van een terugblik nadien nog eens in een paar zinnen in het verenigingsblad van “De Vissende Verzamelaar”: “De hengels zijn vinnig en werpen uiterst precies. Vooral de BB1 en de BB2 waren destijds zeer in trek als vlok- en als ultralichte kunstaashengel voor de polder. (Bij de kenners zijn ze dat nog steeds)”.

Voor we eens naar deze hengels kijken zet ik de belangrijkste kenmerken ervan even op een rijtje:

    BB 0: 1.67 meter, gewicht 85 gram, werpgewicht 0,5 tot 3 gram
    BB 1: 1.67 meter, gewicht 110 gram, werpgewicht 1,5 tot 4 gram
    BB 2: 1.83 meter, gewicht 135 gram, werpgewicht 3 tot 7 gram

De BB0 is echt een heel licht hengeltje. Het werpvermogen ligt op 3 gram, en ook een stomp spinnertje van 20 mm is hieraan nog heel goed te voelen, wat overigens niet van veel spinhengeltjes gezegd kan worden. Mijn exemplaar is van 1970, heeft het dunne handvat en wordt gebruikt met 10/00 gewone nylon. De actie is, inderdaad, wat aan de zachte kant voor een spinhengel en daarom is deze van de drie hengels het meest geschikt voor de vlok. Maar er kan wel degelijk mee gespind worden, al zorgt een snoek van 60 cm voor tamelijk klamme handen, niet alleen omdat er nauwelijks druk uit te oefenen valt met een anderhalfponds lijntje, maar ook omdat het een fragiel houten hengeltje betreft dat om enig beleid in het gebruik vraagt - en dus de angst voor splinters om de oren al snel de kop opsteekt.

De BB1 was in Nederland, afgezet tegen het destijds toch niet misselijke prijskaartje, waar je zowat twee handgebouwde holglas hengels van destijds toonaangevende winkeliers van kon kopen, toch een vrij populaire hengel en daarom een regelmatige verschijning in onze polders. Dit is ten opzichte van de BB0 een universeler te gebruiken 4 grams hengel, snel en ook strak, en ideaal voor het vissen met bijvoorbeeld de stompe 20-25 mm Terribles. Als het hengeltje in actie komt is het moeilijk om er niet verliefd op te worden, want wat werpt dit hengeltje zuiver en wat is het heerlijk “nerveus”. Ook verschaft deze hengel net wat meer zelfvertrouwen dan de BB0 bij het drillen van snoek tussen zeg 50 en 70 cm.

De BB2 is een lichte, meer all-round, spinhengel voor de polder, zes voet lang, met een vermogen van een gram of 7, misschien wel een grammetje meer, wat vandaag de dag nog altijd een perfecte keus is als de wind opsteekt of de keus moet vallen op een iets grotere spinner. Ook komt een klein plugje binnen het bereik van de mogelijkheden, maar de magie waarmee het ultralichte spinnen is omgeven gaat aan deze hengel een klein beetje voorbij, omdat hij, bespannen met 18/00 en een Luxor Rafale spinner eigenlijk meer een lichte dan een ultralichte spinhengel is. Maar dit is wel een mooie hengel als we net niet uitkomen met de lichtere familieleden; en met een werpvermogen van 7 gram is het een plezierige tussenmaat, die bij mij nog geregeld, vooral in de herfst, uit het foedraal komt.

Afgewerkt met Luxor afdekplaatje

Want ook nu nog, bijna 50 jaar na hun introductie, komen deze hengels overal ter wereld nog geregeld uit de foedralen. Daar is een reden voor; juist op deze lengtes en met dit vermogen doet het voornaamste bezwaar van splitcane – het gewicht – zich niet zo gelden en is dat gewicht onder de noemer “massa” bij het ultralichte spinnen een pluspunt bij het zetten van de haak. Vistechnisch zijn ze nog altijd bij de tijd, en onmiskenbaar gaat er een blijvende aantrekkingskracht uit van deze hengels, die een sensatie waren bij hun introductie en vele hengelbouwers tot inspiratie hebben gediend. Maar dat niet alleen, want wie ze ter hand neemt blijft maar zelden ongevoelig voor hun charme. Ze zijn, zo lijkt het, niet alleen gelakt met vernis maar ook met sfeer en romantiek en velen van ons weten dat ook in deze moderne tijd op waarde te schatten.

En ja, toegegeven, dit soort lichte sprietjes van splitcane hebben wel een beetje een gebruiksaanwijzing. Ze buigen niet graag verder door dan de bedoeling is, vinden het fijn om goed afgedroogd te worden na gebruik en ook wordt het op prijs gesteld als er af en toe wat tegengestelde rek- en strekoefeningen worden gedaan na heftige inspanning. Ze vragen kortom wat aandacht, maar belonen de bezitter daarvoor in ruime mate met deels ondefinieerbaar genot, waarin ook een deel van de attractie schuilt.

Wie vandaag de dag deelgenoot wil worden van dat genot moet weten dat eind jaren ‘90 de hengels nog enige jaren als kostbare heruitgave in de catalogus van Pezon et Michel prijkten. Wat mij betreft missen die de charme van hun roemrijke voorgangers. Wie juist interesse heeft in die klassiekers ziet op Marktplaats en eBay de hengels nog geregeld opduiken. Met uitzondering van exemplaren in echte, dus ongeviste, nieuwstaat worden er doorgaans geen torenhoge prijzen voor betaald. Een mooie hengel met foedraal verwisselt veelal tussen 100 en 150 euro van eigenaar, en daarmee zijn ze nu eigenlijk een stuk bereikbaarder dan ze bij introductie waren.

Alle reden dus om het eens “met de Franse slag” te gaan proberen, en als ik zelf dit gezegde lees - of hoor - dan dwalen in ieder geval mijn gedachten menigmaal af naar de foedralen met deze klassieke ultralichte hengels van Pezon et Michel, die ik hierbij - misschien wel opnieuw - aan u heb willen voorstellen.