Flevokarperen bij slecht weer
Het is kwart over zeven als ik in de garage m’n spullen bij elkaar hark. Zal ik nu eerst naar buiten gaan en de auto met de kont naar de garagedeur draaien? Kan ik tenminste de spullen droog inpakken. Het komt met bakken naar beneden. De telefoon gaat: Thomas. Hij is onderweg maar vraagt zich af of dit nog wel zinvol is. Ook ik stap enige tijd later met gemengde gevoelens in de auto.
Op de carpoolplaats staat het hele clubje al op mij te wachten onder een scherm dat gevormd wordt door vele, veelkleurige parasols. Ik maak kennis met enkele leden die ik nog niet eerder ontmoet had. Na wat handen geschud te hebben besluiten we eerst wat koffie te gaan drinken bij de McDonald’s die al open is. De routekaarten komen op tafel en iedereen buigt zich vol verwachting over het lijnenspel van weggetjes en vaarten. Het verlangen is te groot, de koffie wordt snel achterover geslagen en in colonnes rijden we achter elkaar aan.
Harvey, Thomas en ik blijven bij de eerste brug die we kruisen. Ik maak twee kleine voerplekken en nestel mij dan in een simpel karperstoeltje terwijl de regen ongenadig naar beneden komt. Ondanks de lieslaarzen en lange regenjas die er over heen valt, is het zo nat buiten dat om de een of ander reden de neerslag toch een weg naar binnen weet te vinden.
De lucht is loodgrijs maar het maakt niet meer uit; ik ben al nat en wil maar één ding: een fraaie wegloper. Die krijg ik ook. Langzaam komt de pen omhoog omdat iets onder water het zinkloodje optilt. Dan zeilt de pen prachtig weg. Ik sla hard aan maar voel tot m’n spijt niet de weerstand waarop ik had gehoopt. Een enorme brasem komt richting de kant. Ik weet hem in ‘t water te onthaken en dat is ’t dan voor de rest van de ochtend.
Na de lunch zijn we ‘t zat. We willen iets anders zien. We nemen afscheid van Harvey en gaan op weg naar een stuw die twee kanalen met elkaar verbindt. Eenmaal daar aangekomen, roept het landschappelijke beeld niet dat op wat we wensten. Dus toch maar weer terug. Uiteindelijk besluiten we bij een brug te kijken die over één van de vele vaarten heen gaat. We voeren aan beide zijden van de brug en hopen maar weer het beste. Eén ding is in positieve zin veranderd, het wordt droog en zelfs de zon lijkt te willen doorbreken.
Het is tijd om van het zonnetje te genieten. De stoel is nog wel wat klam maar langzaam droogt de rest op. Een pijpje wordt gestopt en het wachten begint. Niet m’n sterkste punt overigens. Ik heb daarom een drietal voerplekken gemaakt en besluit elk kwartier zo’n plek te bevissen en na vertrek er een handje maïs achter te laten.
Het pijpje rookt lekker en net als ik opnieuw wil aansteken, wordt de pen resoluut de diepte in getrokken. Na de aanslag denk ik één seconde dat ‘t een karper is. Het blijkt toch weer een brasem te zijn, niet extreem groot maar wel extreem sterk want de vis weet toch even lijn te nemen en laat de één ponds karperhengel alsnog doorbuigen. Thomas wil mij toch vereeuwigen en weet de visser met pijp en brasem vast te leggen.
Af en toe zie ik leven, maar geen karper. Thomas weet nog een tweetal brasems te vangen maar begint de hoop op te geven dat er ooit nog een karper aan gaat hangen. Ik heb aan de overzijde van de vaart een soort magisch hoekje ontdekt dat deels wordt afgeschermd door een over het water gevallen boom. Tot m’n genoegen zie ik dat het door bevers is gedaan. Ik kan mij herinneren dat een beverechtpaar ergens in het Larserbos z’n domicilie heeft. Het magische hoekje blijft mijn aandacht trekken en ik blijf er met enige regelmaat een klein handje maïs naar toe gooien.
Om half vijf wordt onze rust wreed verstoord. De hele groep heeft ons gevonden! Als branieschoppers worden we verwelkomd en aan de tand gevoeld of we stiekem toch niet iets gevangen hebben. Eigenlijk wil men weg maar ik weet iedereen te overtuigen dat “mijn magische hoekje” nog even bevist moet worden. Echt waar, zeg ik, om klokslag half zes breek ik op. De groep brallende boys begeeft zich naar de auto’s waar men zich vergaapt aan elkaars gereedschap dat zelfs ook nog eens vrijelijk wordt betast. De freaks!
Ik heb mij geïnstalleerd op de beverboomstam en leg nog één keer in met een mij normaal onbekend grenzeloos vertrouwen. Het pennetje staat prachtig, de zon blijft schijnen en ik blijf hopen. Wat zou het mooi zijn als er op ‘t laatste moment iets zou gebeuren.
Thomas haalt mij terug uit m’n fantasie met de kreet dat het half zes is en dat we moeten gaan. Normaal gesproken smokkel ik altijd nog wel een tiental minuten, maar besluit nu eens één keer direct gevolg te geven aan de afgesproken tijd. De pijp wordt op de boomstam leeg geklopt en weggestopt. Mijn hand gaat naar de hengel en de andere hand pakt de slinger, klaar om de hele zaak binnen te draaien.
Ineens schiet de pen naar beneden. In een fractie van een seconde denk ik dat de combinatie van een talud is afgegleden maar zo snel als dat ging kan dat eigenlijk niet. Ik draai strak en sla in een reflex aan. Niet voorzichtig, niet weifelend maar in de volle overtuiging dat er iets verantwoordelijk is voor deze brute aanbeet.
En oh wat een wonder. Mijn fantasie, mijn niet aflatende vertrouwen, mijn… ik weet niet meer wat ik allemaal dacht maar aan de andere kant gaat er iets te keer waar ik al de hele middag op hoopte. Ik moet snel met de lieslaarzen het water in want de karper verkiest de eigen oever om in de rietkragen te proberen zich van de lijn te ontdoen.
Inmiddels komt de hele troep aangelopen en begint foto’s te maken en mij met raad en daad terzijde te staan. Vele minuten gaan er voorbij en ik blijf voorzichtig, want het is slechts 20/100 en de karper lijkt toch een stuk groter dan ik eerst dacht.
Thomas komt met een groot net aangesneld en ziet gelijk dat het een enorme graskarper is. Als de vis binnen mijn bereik komt, reikt hij mij op het juiste moment het net aan. De karper past er maar net in. Dolgelukkig strompel ik naar de kant. Het meetlint komt er bij. En ach, die centimeters en het gewicht; precies hoef ik ‘t niet te weten. Maar het is toch leuk om te zien dat het meetlint al 86 cm aangeeft terwijl de staart nog gekromd is. Deze gaat over de 90 cm heen. Meer hoef ik niet te weten.
De camera wordt door Thomas al in de aanslag gehouden. Hij roept nog voorzichtig te zijn want graskarpers staan er om bekend in het net en op het land nog steeds door te knokken. Mijn nonchalance wordt bestraft want als ik de grote vis optil, maakt deze een krachtige staartslag en springt over m’n armen heen het water in. En weg is de vis… een beteuterde visser achterlatend. Ik had de vis nog zo graag even vastgehouden.
In een roes vertrekken we richting het restaurant. Onderweg barst er een noodweer los en omdat ik de aandacht totaal niet bij de weg heb, missen we niet één maar twee afslagen en zijn we gedoemd om door te rijden tot de afslag Urk alvorens we kunnen draaien. In het restaurant word ik dan ook door de al aanwezige leden met hoongelach ontvangen. Maar het deert me niet. Want ik heb toch maar mooi in de laatste seconde mijn dag in een apotheose beëindigd.
Hoewel enkele leden van Flitsend Nylon aardige gebiedskennis hebben, zijn ook zij niet altijd geïnformeerd op welke moment je waar succesvol kunt zijn in deze uitgestrekte polder. Het was voor ons dan ook een enorme opsteker dat we bij de voorbereidingen en stekkeuze mochten rekenen op de adviezen van niemand minder dan Dick Langhenkel. Waarvoor onze welgemeende dank.



