Het seizoen

Vandaag, woensdag 29 september, een vrije dag opgenomen. Eindelijk weer de ruimte en tijd om buiten te zijn en te gaan vissen. De herfst zit duidelijk in de lucht. Ik kan het ruiken. Zelfs hier in huis, waar kastanjes even hun vertrouwde geur verspreiden nadat ze natgeregend zijn binnengebracht. Ik hoor het aan de roep van de ganzen. Ineens zijn ze er weer. Niet het slag dat hier het hele jaar door verblijft, maar die eerste wintergasten vanuit het hoge noorden. Herfst! Ik kan het zien aan het warme septemberlicht dat het rijpe maïs van een gouden gloed voorziet. Ik voelde het vanochtend vroeg in mijn gezicht, die prikkelende tinteling van rond het vriespunt. Het is een schoon gevoel, alsof de kou mijn gedachten zuivert, mijn zicht op de zaken verheldert en de dagelijkse beslommeringen weer in het juiste perspectief plaatst. En hoewel alles wat bloeide en groeide nu dienst heeft gedaan, en wordt opgeruimd of afsterft, toch onthult dit verval nieuwe mogelijkheden. Als een frisse wind die de boel eens goed schoonblaast, en ruimte geeft aan nieuwe kansen.

Snoekeblêd afgelopen zomer

Dat is de herfst, nieuwe kansen en nieuwe mogelijkheden. Voor een kunstaasvisser dan wel. Of in ieder geval voor mijzelf. De herfst is het begin van een seizoen. Hét seizoen. Van oudsher, en nu nog steeds. Want wat zo diep ingesleten is, dat blijft altijd aanwezig. De start van het snoekseizoen, simpelweg omdat in deze tijd van het jaar het polderland weer langzaamaan toegankelijk is, de oevers begaanbaar worden, en het water in de geschoonde sloten weer kan vrij kan stromen en bevist kan worden met de spinner.
Steevast sta ik weer te vroeg in het jaar aan de oevers van favoriete watertjes. Te vroeg omdat de vaarten niet optimaal te bevissen zijn door de nog aanwezige begroeiing in en langs het water. Eigenlijk is dat nu, eind september, ook nog een beetje het geval. Toch is er al hier en daar geschikt polderwater te vinden.

Koeien in reflectie

Vanochtend begonnen in een kleine sloot, ergens in de polders nabij Earnewâld. Dit gebied, op de rand van de Friese Wouden, is een typisch veengebied. Her en der petgaten, veenweiden, ruigtes, en doorspekt met vaartjes en sloten, al dan niet in vergaande staat van verlanding. Een schraal gebied, met bijbehorend door het veen gekleurd water. Een mooie omgeving, waar nauwelijks iemand komt, en waar een ree zich liet zien. Maar zo rustig als de ochtend, zo stil was ook het water. Van de vele baarzen die mijn vismaat hier de afgelopen week heeft gevangen geen spoor. De sloot, die in verbinding staat met een dijksvaart, is ondiep en is nog niet geheel vrij van plantenresten. Er is al wel gehekkeld, maar niet echt met overtuiging uitgevoerd, en het pijlkruid staat her en der nog fier overeind. Uiteindelijk wist ik hier nog wel een klein snoekje te vangen, en had ik nog een volgertje. De eerste snoekjes van het seizoen, te midden van het pijlkruid dat in het Fries toepasselijk snoekeblêd wordt genoemd.

Later op de ochtend naar een andere stek gereden. Inmiddels is deze herfstdag van karakter veranderd. Gaf de vroege ochtend nog een vooruitblik op de aanstaande winter, nu, tegen het middaguur, wordt er even teruggekeken op de afgelopen zomer en kan ik uit de wind en in de zon zonder jas verder vissen.

Het land is erg nat de laatste dagen

Dit keer in een ander gebied. Ergens op de overgang van het oude weide land naar de kleigronden. Polders waarvan de oorsprong zo’n duizend jaar terug ligt in de eerste bedijkingen van kwelders. In een aantal vaarten en sloten is de loop van de oude slenken en geulen misschien wel terug te vinden. Heel ander water dan in de veengebieden. Soms erg helder, en een meer voedzame omgeving voor de vis. De eerste stek die ik hier bezoek blijkt nog te zeer begroeid te zijn om goed te kunnen spinneren. In een van de weinige open plekken tussen de waterplanten zie ik echter een snoek staan. Niet meer dan een donkere streep in het heldere water is te zien, maar het pijlvormige silhouet verraadt onmiskenbaar de ware aard van een echte rover. Roerloos, vermomd in de gedaante van een stok, geduldig afwachtend tot zich iets binnen het bereik van haar schot waagt. Ik sluip naderbij… de open plek tussen de waterplanten biedt voldoende ruimte om de spinner heel precies voorbij de snoek te werpen en op te starten. Terwijl ik de spinner langzaam binnenvis kijk ik naar de snoek, en wanneer het kunstaas mijn blikveld binnendraait zie ik de snoek ineens bewegen. Hij of zij draait en richt zich al op het spinnertje dat zeker nog twee meter van de vis is verwijderd. Dan, wanneer de spinner passeert, is er ineens de weerstand op de hengel. Geen wild schot, wel een beheerst grijpen door een snoek die ik in het heldere water zie naderen en die slechts weinig moeite hoeft te doen om de spinner te pakken. Maar dan is ook direct alle rust op en onder water verdwenen, wanneer de snoek zich bewust wordt van zijn vergissing en het stille wateroppervlak met zijn vluchtpogingen doorbreekt. Ik moet me dan beheersen, en heb moeite om de snoek uit de dikke slierten wier vandaan te houden.

Het op één na grootste exemplaar vandaag

Dan door naar een volgende poldervaart, op zoek naar open water. Ver hoef ik niet te zoeken. En al snel sta ik midden in weids terrein aan de oever van een vaart waar al wel het riet is gemaaid en de begroeiing in het water voor een groot gedeelte is verdwenen. Hier blijken de snoeken aardig los te liggen. Ik ving er nog drie en verspeelde een exemplaar. Ook hier subtiele aanbeten. De rechte dunne nylonlijn, die de koers van de spinner aangeeft, verschuift plots een paar decimeter zijwaarts waarna langzaam de weerstand op de hengel oploopt. Of een klein rukje op de top, en daarna muurvast aan schijnbaar dood gewicht dat na enkele seconden toch besluit tot leven te komen. Misschien is het de subtiliteit van het lichte materiaal dat maakt dat de snoek slechts weinig weerstand voelt en daardoor niet direct door heeft wat er aan de hand is. Het lichte materiaal maakt ook de dril tot een enerverende gebeurtenis. Niet door wilde uitspattingen en staartdansende capriolen, maar juist door het beheerste raffinement. De snoek heeft geen schijn van kans…

Even pauzeren

Het was mooi, en na nog een praatje te maken met een waterschapsman, een boer met zeis, en met een collega visser ga ik naar huis. Thuis wacht het gezin, de kinderen hebben vrij vanmiddag. Thuisgekomen wacht mij een verrassing: een flinke stapel Vissport is door de postbode afgeleverd. Een aantal vrijwel complete jaargangen (met dank aan één van de Flitsend Nylon leden) dat perfect aansluit op de allereerste jaargangen Vissport die ik ooit al vanuit het ouderlijk huis heb meegekregen. Gelijk maar even ingekeken, doorgebladerd, en al lezend na een fijne ochtend spinneren in de polder kom ik tot de aangename conclusie dat sommige zaken in de hengelsport tijdloos zijn.

Gebruikt materiaal: Fair Play Rapier en spinner met 24 mm Indiana blad (pearl kleur).

Flitsend Nylon - de lijn zelf

Deze website dankt zijn naam aan het beroemde boek Flitsend Nylon van Jan Schreiner, waarvan de eerste druk verscheen in oktober 1950. De naam van dat boek kon niet beter gekozen zijn. Het was immers, zoals de ondertitel luidde: ‘Het eerste Nederlandse boek over het vissen met de werphengel’. En die werphengelsport dankte zijn opkomst en bloei voor het overgrote deel aan de uitvinding van een lijn die zich vanaf werpmolens goed en gemakkelijk liet werpen: de lijn van enkeldraads polyamide, een materiaal dat de naam ‘nylon’ kreeg.

De nylon lijn kwam pas op de markt toen de werpmolen al bestond. In Nederland was de Franse Luxor werpmolen al eind jaren dertig verkrijgbaar en de Engelse Illingworth zelfs al in de jaren twintig. Maar op de nylon lijn moest hier tot na de Tweede Wereldoorlog worden gewacht. Tot die tijd was de hengelaar die met een reel of werpmolen viste vooral aangewezen op lijnen van gevlochten zijde of op een enkeldraads uit zijderupsen gewonnen product, het ’silk’ of ‘gut’, dat voor gebruik eerst geweekt moest worden. Die lijnen waren vooral op een werpmolen lastig te gebruiken. De nylonlijn was een uitkomst, zowel vanwege zijn betrouwbaarheid en relatieve duurzaamheid als vanwege het feit dat hij glad en veerkrachtig en dus enigszins springerig was, wat het werpresultaat belangrijk ten goede kwam. De nylon lijn hoefde bovendien niet regelmatig geïmpregneerd te worden en het lastige voorweken behoorde nu ook tot het verleden.

Een Amerikaanse uitvinding

‘Nylon’ was een Amerikaanse uitvinding. Het materiaal, met de verkorte chemische naam ‘polyamide 66′ (ook wel polyamide 6.6 of 6-6), werd ontwikkeld door een researchgroep van het chemische bedrijf DuPont in Wilmington, Delaware. Deze groep stond als geheel onder leiding van de chemicus dr. Wallace H. Carothers, die formeel als de uitvinder van het nylon geldt. Het is echter feitelijk een ander lid van zijn team, dr. Gerard J. Berchet, aan wie deze eer toekomt. Berchet was namelijk degene die vanaf begin 1935 het specifieke onderzoek naar synthetische polymeren leidde en die het chemische proces uitvoerde dat op 28 februari 1935 leidde tot de vervaardiging van de stof ‘polyamide 66′.

De eerste commerciale toepassing van nylonvezels, oktober 1938

De geboortedatum van ons nylon is dus 28 februari 1935 - schrijf het op de verjaardagskalender, want de gebeurtenis is het zeker waard om te vieren. Het materiaal werd aanvankelijk aangeduid als ‘fibre 66′. Het werd, na een periode waarin het in het diepste geheim gereed gemaakt werd voor productie, op 20 september 1938 gepatenteerd op naam van het bedrijf DuPont en op die van dr. Carothers - een postuum eerbetoon, want Carothers, die aan depressies leed, had in april 1937 zelfmoord gepleegd. Pas een maand na het patenteren, in oktober 1938, kreeg het materiaal na lang wikken en wegen (een verhaal apart) een commerciële naam: via ‘norun’, ‘nuron’, nulon’, en ‘nilon’ kwam men uit op ‘nylon’. Die naam werd al snel zozeer een begrip, dat hij mettertijd feitelijk van handelsnaam tot materiaalnaam is gepromoveerd.

Nylonvezels werden voor het eerst commercieel toegepast bij de fabricage van tandenborstels, ter vervanging van het tot dan toe gebruikte varkenshaar. Dat was in oktober 1938. Precies een jaar later, in oktober 1939, werden ze al op kleine schaal gebruikt voor het weven van dameskousen: de ‘nylons’. En nog in datzelfde jaar werden er voor het eerst vislijnen van gemaakt. Dat waren overigens geen enkeldraadse maar gevlochten nylon lijnen. Deze lijnen werden voor DuPont vervaardigd door de Ashaway Line & Twine Manufacturing Co. in Rhode Island. Maar ze voldeden maar matig, omdat ze in die vroege staat van ontwikkeling nog te stug en te dik waren en daarmee inferieur aan de gevlochten zijden lijnen.
Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog de export van Japanse zijde naar Amerika gestaakt werd, zette DuPont vanaf november 1941 zijn productie van nylon geheel in voor militaire doeleinden, zoals de fabricage van parachutes en nylon koord, maar later ook van zgn. karkassen voor luchtbanden, enz. Direct na de oorlog kwam nylon weer beschikbaar voor civiele producten, waaronder gevlochten vislijnen. Toen wat later ook de eerste enkeldraadse nylon vislijnen in Amerika op de markt kwamen, werden die aanvankelijk vooral verkocht in korte lengtes, als leadermateriaal of onderlijn.

Het eerste nylon in Nederland

Wanneer kregen de Nederlandse sportvissers nu precies voor het eerst de beschikking over de nylon vislijn? Dat bleek een lastige opgave om uit te zoeken. Jan Schreiner noemt het materiaal al in zijn boekje De kunst van het ’snoeken’ uit 1947. Hij heeft het daarin over “Een ondersim van Nijlon 5, 24/100 mm, het doorschijnende ‘glazen’ draadje”, dat hij in combinatie met een heel dun staaldraadje gebruikte om lastig vangbare snoeken te verleiden. Nylon was er toen dus al wel, maar misschien nog alleen als onderlijnmateriaal. Het stond ook vast dat het materiaal pas na de oorlog in Nederland kon zijn ingevoerd, dus op z’n vroegst in de tweede helft van 1945, maar vermoedelijk later, omdat het wat betreft import uit Amerika niet tot de producten behoorde waaraan in die periode van grote schaarste het eerst behoefte was, terwijl de productie van nylon in Europa (onder licentie van DuPont) nog moest worden opgestart. Het is dan ook het meest aannemelijk dat de nylon vislijn pas ergens in de loop van 1946 in Nederland op de markt is gekomen.

Wantrouwen bij de heer Pier

Dat vermoeden wordt ondersteund door een berichtje in het maandblad De Nederlandsche Hengelsport van november 1946. Daarin schreef een zekere heer J. Pier uit Amsterdam:

“Nu er overal Nylon-vischlijnen te koop worden aangeboden, moge het wellicht dienstig zijn er op te wijzen, dat “Nylon” een weinig betrouwbaar materiaal is. Deze synthetische vezel, gemaakt uit kolen, water en lucht, is zeer onregelmatig van samenstelling. Daardoor kan een nieuwe lijn bij bijv. de tweede karpervangst eenvoudig afbreken. Bij de eerste maal treedt een rek van ca. 20 pCt. op. Deze rek blijft en hier of daar ontstaat tevens een zwakke plek. Voor zeelt, snoek, snoekbaars of karper is het m.i. niet raadzaam Nylon te gebruiken, want de teleurstelling blijft niet uit. Voor de kleinere vischsoorten is het echter prachtig.”

Wantrouwen dus bij de heer Pier, maar tegelijk ook de belangrijke mededeling dat ‘Nylon-vischlijnen’ nu - dus in het najaar van 1946 - al overal te koop worden aangeboden. En gezien de formulering was dat kennelijk nog niet zo lang het geval. Ik vermoed dan ook dat de nylonlijn omstreeks het begin van het visseizoen 1946, dus vanaf ongeveer juni 1946, voor de Nederlandse sportvissers beschikbaar is gekomen. Wie nadere informatie hierover heeft, al zijn het bijvoorbeeld maar puzzelstukjes in de vorm van advertenties uit die tijd, wordt van harte uitgenodigd te reageren.

De eerste nylonlijnen die in Nederland werden geïmporteerd, waren van Frans fabrikaat. In Frankrijk maakte het bedrijf Rhodia onder licentie van DuPont het originele nylon, d.w.z. lijnen van ‘polyamide 66′ met de gepatenteerde en beschermde merknaam ‘nylon’. Enkele jaren later, in 1949, kwamen er ook vislijnen uit Duitsland op de markt. Die waren gemaakt van het sterk op nylon lijkende ‘polyamide 6′, een materiaal dat op 29 januari 1938 door dr. Paul Schlack van het chemiebedrijf IG-Farben in Berlijn was uitgevonden en dat gepatenteerd werd onder de handelsnaam ‘perlon’. De voortrekker bij de fabricage van perlon vislijnen was dr. Karl Plate, de grondlegger en naamgever van het Duitse bedrijf dat de bekende Platil-lijnen ging maken.

Frans Rhodia nylon, ca. 1950

Uit Amerika werden aanvankelijk vrijwel geen enkeldraads nylon vislijnen naar Europa geïmporteerd. Daar concentreerde DuPont zich nog geruime tijd op de productie van het halffabrikaat (de dunne draden) voor de fabricage van gevlochten vislijnen: lijnen van nylon en wat later ook van de in 1948 ontwikkelde kunstvezel dacron. Door het wijdverbreide gebruik van de reel in Amerika, die daar veel populairder was dan de werpmolen, was de belangstelling voor deze gevlochten lijnen, die beter voor de reel geschikt waren, daar tot lang na de oorlog veel groter dan voor het stuggere massieve nylon. Pas in 1958 kwam DuPont met een sterk verbeterde - vooral meer soepele - lijn van enkeldraads nylon, onder de merknaam Stren.

Nylon door de jaren heen

Aanvankelijk was het nylon naar de huidige maatstaven nog erg zwak in verhouding tot zijn diameter. Jan Schreiner geeft in de 1e druk van Flitsend Nylon (1950) de breeksterktes op, en die zijn identiek aan de waarden die vermeld staan achterop een houten spoeltje nylon uit die tijd van het merk Water Queen, een van de Franse merken waaronder het fabrikaat van Rhodia werd verkocht. Deze waarden zijn als volgt:

Trekkracht van Rhodia (DuPont) nylon in 1950

0,10 mm   0,50 kg       0,20 mm   1,40 kg
0,12 0,65 0,22 1,65
0,14 0,80 0,24 2,00
0,16 1,00 0,26 2,35
0,18 1,20 0,28 2,70

Nylon van 0,20 mm diameter had toen dus een trekkracht van 1,4 kg, vermoedelijk gemeten in droge staat. Dat was in 1976 al opgelopen naar 2,0 kg voor het Rhodia nylon. Dit Franse nylon was over het algemeen wat soepeler dan het Duitse product, dat volgens de eigen opgave weer wat meer trekkracht had. Platil Universal uit 1976 trok bijvoorbeeld bij 0,20 mm 2,5 kg, terwijl het extra sterke Platil Stark bij die diameter toen al 2,9 kg trok. Een goede nylonlijn van een betrouwbaar merk dat niet al te veel liegt, trekt bij 0,20 mm tegenwoordig al ruim 4 kg. Kortom, nylon is in de afgelopen zestig jaar geleidelijk aan ongeveer drie keer zo sterk geworden.
Het onderscheid tussen Franse (nylon) en Duitse (perlon) vislijnen is overigens inmiddels vervaagd. Van de Duitse lijnenproducent Monofil-Technik vernam ik dat wereldwijd de meeste polyamide kwaliteitslijnen tegenwoordig gemaakt worden van polyamide 6/66 (PA 6/66), een zgn. copolymeer, waarvan ieder molecuul bestaat uit een deel PA 6 (perlon) en een deel PA 66 (nylon).

Duits Perlon, ca. 1950

Deze sterk toegenomen trekkracht per diameter van nylon heeft ook consequenties voor de verhouding tussen de lijndikte en hengel. Hoewel de trekkracht van nylon inmiddels verdrievoudigd is, blijken in tal van boeken en tijdschriften en op websites de vertrouwde verhoudingen die Jan Schreiner al in de jaren vijftig heeft geformuleerd nog ruimschoots onveranderd aanwezig. Bijvoorbeeld: op een 10-grammer hoort 0,20 mm nylon thuis, op een 8-grammer 0,18 mm, op een 4-grammer 0,14 mm, enz. Daar mag onderhand wel eens over worden nagedacht. We kunnen het inmiddels in principe met veel dunnere lijnen af, waardoor we een stuk verder zouden kunnen werpen, terwijl we dan ook minder last hebben van zijwind of stroming in het water. Maar we kunnen ook een kleinere stap zetten en kiezen voor enigszins lichtere lijnen, terwijl we tegelijkertijd de slip wat losser zetten dan voor die lijn passend is. We belasten de hengel dan ongeveer evenveel als vroeger, met het zwakkere en dikkere nylon, maar we werpen verder met de toch wat dunnere lijn en houden tegelijkertijd nog wat reserve over voor hangers of kritieke situaties. Het is allemaal net wat men wil, niets moet, maar het is in ieder geval wel een overdenking waard.

Trekkrachten en diameters

Het is plezierig dat het nylon in de loop der tijd zo veel aan trekkracht gewonnen heeft, maar het is erg jammer dat de commercie daar nog eens een schep bovenop heeft gedaan. In de onderlinge wedijver om zoveel mogelijk trekkracht per diameter aan te bieden, wordt namelijk door tal van merken soms ontstellend gelogen. Diameters worden meestal dunner voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn en trekkrachten worden soms zo enorm aangedikt dat het bijna lachwekkend wordt. Wat moeten we nog geloven? Niet veel, vrees ik.
Toch bestaan er, voor zover ik het kan beoordelen, in ieder geval twee, weliswaar niet objectieve, maar toch redelijk betrouwbare opgaven van wat een goede nylonlijn (polyamide monofilament) tegenwoordig maximaal aan trekkracht kan hebben. Namelijk die van het Duitse bedrijf Stroft en van de eveneens Duitse fabrikant Monofil-Technik, die tegenwoordig onder meer de Platil-lijnen maakt. Zij bereiken die waarden in hun meest hoogwaardige lijnen, resp. Stroft-GTM en Platil-Souverän. Nogmaals, beide firma’s beschouwen hun eigen producten en gaan daarmee uit van hun eigen kunnen, maar ze hebben in hun publicaties wel steeds blijk van gegeven van openheid en het nastreven van correcte metingen, terwijl hun bevindingen ook overeenkomen met de waarden die we bij andere gerenommeerde merken en in onafhankelijke tests tegenkomen. Die huidige maximale waarden zijn als volgt:

Diameter     Stroft GTM     Platil-Souverän
     
0,10 mm     1,4 kg     1,2 kg
0,12     1,8     1,6
0,14     2,2     2,2
0,16     3,0     2,7
0,18     3,6     3,3
0,20     4,2     4,0
0,22     5,1     4,6
0,25     6,4     6,2
0,28     7,3     7,4

Deze waarden zijn onderling niet helemaal gelijk, maar ze geven toch een goed beeld van wat men maximaal van een nylon lijn kan verwachten, ervan uitgaand dat de opgegeven diameter redelijk klopt. Dat laatste betekent dat die diameter binnen de productietolerantie van 0,01 mm blijft en dus niet meer dan 0,01 naar boven afwijkt - afwijkingen naar beneden komen bij de diameters van vislijnen net zo weinig voor als bij de slager, waar het ook altijd toevallig ‘een onsje meer’ is. Helaas wordt eerlijkheid bij de opgaven van diameters en trekkrachten niet beloond, maar stellen de eerlijke lijnmerken zich juist op achterstand ten opzichte van hun in mindere of meerdere mate liegende concurrenten. Alleen goede, onafhankelijke metingen en daaraan verbonden keurmerken, zoals verstrekt door de EFFTA (European Fishing Tackle Trade Association), kunnen daar op termijn misschien wat verbetering in brengen. Een kijkje op de website met tests van de EFFTA is overigens ontnuchterend. Zo is er bijvoorbeeld een lijn (Falcon Planet) waarvan als diameter 0,20 mm wordt opgegeven, maar die nagemeten ruim 0,26 mm dik blijkt te zijn, terwijl de beweerde trekkracht van 6,35 kg het bij nameten niet verder brengt dan 3,70 kg. Dergelijk bedrog is helaas geen uitzondering. Les: zet bij voorbaat altijd vette vraagtekens bij de opgaven op nylonspoeltjes of in advertenties.

'Fun for everyone' met nylon leadermateriaal van Dupont, begin jaren '50

Wat nu te doen bij gebrek aan zekerheid? Kies, naar mijn smaak, in ieder geval voor een lijn van een gerenommeerd merk, en daarvan dan vaak nog liever de aloude, beproefde standaardlijn dan een met veel tam-tam aangeprezen opgefokte variant. En laat je vooral niet verleiden door onwaarschijnlijke beloften over geweldige trekkrachten. De beste grondstoffen en productiemethoden leiden in het beste geval ongeveer tot de resultaten in het hierboven afgebeelde tabelletje. En die resultaten zijn mettertijd slechts geleidelijk aan verbeterd, dus geloof niet te snel in de revolutionaire doorbraken die advertenties steeds weer melden. Overigens is trekkracht niet allesbepalend. Bedenk dat soepelheid en veerkracht misschien wel te prefereren vallen boven extra trekkracht, die doorgaans ook met meer stugheid gepaard gaat. Daarover zo iets meer.

Zelf gebruikte ik vroeger, in de jaren zeventig, graag nylon dat door Rhodia was gefabriceerd, maar dat ook onder allerlei andere merknamen te koop was, bijv. als Tortue Nacrita. Het was fijn spul: soepel en betrouwbaar. Dat gold ook voor Platil. Daarna probeerde ik op aanraden eens Maxima Chameleon, dat me inderdaad goed beviel, vooral nadat ik er met 0,17 mm eens een half matras mee naar boven kreeg. Aan Maxima bleef ik jarenlang hangen, tot ik in de loop van de jaren negentig in de gaten kreeg dat die lijn door andere merken toch wel erg werd ingehaald wat betreft trekkracht per diameter. Tegenwoordig gebruik ik meestal Berkley Trilene XL, vooral omdat het een heel soepele lijn is met weinig geheugen: dat werpt prettig en zorgt voor een goede aasaanbieding. De lijn heeft daarbij een flinke trekkracht per diameter en is betrouwbaar. Maar ook een goed merk als Berkley is op zichzelf helaas nog geen garantie dat ál zijn producten deugen, want ik had teleurstellende ervaringen met een andere lijn van dit merk (Trilene Maxx). Ongetwijfeld zijn er lijnen van andere merken die net zo goed, of voor bepaalde doeleinden zelfs beter zijn, dan die waar ik voor heb gekozen.

Rek en soepelheid

Tenslotte nog een belangrijk punt. Ik vind zelf, zoals gezegd, de soepelheid van een lijn erg belangrijk. Het kan zijn dat een soepele lijn van bijv. 0,25 mm beter werpt en voor een betere presentatie zorgt dan een voorgerekte extra sterke lijn van 0,22 mm, die dezelfde trekkracht heeft, maar die uiteindelijk - hoewel dunner - toch stugger is. Ik vind ook de veerkracht van een lijn belangrijk, omdat ik meestal relatief dunne lijnen gebruik in verhouding tot de vissen die ik wil vangen en dan helpt de rek goed bij het opvangen van krachtsexplosies en bij het drillen. Maar voor kunstaasvissen kan ik me de voorkeur voor een lijn met minder rek voorstellen - hoewel ik zelf ook dan de soepelheid belangrijker vind. Bij afstandvissen ligt de keuze voor een lijn met weinig rek wel voor de hand.

Beproefde lijnen uit het verleden

Maar wat je ook kiest, houd altijd in gedachte dat soepelheid en rek precies dezelfde eigenschappen van een enkeldraads - dus massieve - lijn zijn. Of misschien beter gezegd: het zijn twee gezichten van één eigenschap, namelijk van elasticiteit. Dat valt gemakkelijk te begrijpen als je je de lijn sterk vergroot voorstelt als een staaf van rubber. Als je die in een halve cirkel buigt, wordt het materiaal in de ‘binnenbocht’ samengeperst en in de ‘buitenbocht’ opgerekt. Tegelijkertijd wordt ook de diameter wat vervormd: van rond naar ovaal. Het gemak waarmee dat allemaal gaat, is afhankelijk van de elasticiteit van het materiaal, dus van de rek. Hoe meer rek hoe soepeler de staaf buigt. Voor een lijn van massief nylon geldt precies hetzelfde principe (voor gevlochten lijnen níet). Rek en soepelheid in massieve nylon vislijnen zijn dus onverbrekelijk met elkaar verbonden. Een heel soepele lijn met weinig rek is dan ook een tegenstrijdigheid en dus onzin, ook al staat het in tal van advertenties. Ik meen dat Richard Walker dit allemaal al lang geleden eens heeft uitgelegd, maar helaas zonder wijdverbreid en blijvend succes. Ook ik reken daar maar niet op.

Extra groot of juist extra klein…

Het zijn altijd dezelfde vliegvissers die met goede vangsten thuis komen. Je kent dat wel. Terug in het pension of hotel van je favoriete vliegvisbestemming, na een dag lang en intensief vissen… En dan komt er een collega vliegvisser/hotelgast van het viswater terug en heeft een supervangst bij zich of laat die supervangst zien op mooie foto’s op zijn digitale fotocamera… uit hetzelfde viswater waar je diezelfde dag ook actief was.

Pijnig je dan ’s avonds achter een glas wijn of biertje je gedachten, wat je fout hebt gedaan of was je gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plek? Of, kan die collega vliegvisser beter of verder werpen dan jij? Of, heb je de verkeerde vlieg aan de vliegenlijn gehad? Je wist helemaal niet dat er zo’n grote forellen of veertigplus vlagzalmen in dit vliegviswater zwommen. Allemaal logische vragen waarop je geen antwoord hebt.

Zoals vaak bij het vliegvissen, zit het geheim niet in de antwoorden op al die vragen. Het geheim, als je daar tenminste van kunt spreken, zit in de tactiek. In de wijze van aanpak van die collega vliegvisser. Misschien “durft” deze vliegvisser meer dan jij. Behalve werp- en presentatietechniek en goed materiaal speelt de keuze van de juiste vlieg waarmee je de vissen wilt vangen een belangrijke rol. Zeker… jouw vliegen vangen ook vissen. Maar juist die bijzondere vangsten, die blijven bij verkeerde keuzes uit. Dan moet je eens een andere vlieg durven te kiezen.

Vlagzalm

Grote vissen zijn, dat mag je aannemen, meer ervaren dan kleinere en jongere vissen. Grote vissen zijn meer selectief en misschien juist daarom wel groter en ouder. Die levenservaring zorgt er voor dat grote forellen of vlagzalmen niet elke vlieg, die wordt aangeboden zonder meer nemen. Het moeten goede imitaties zijn, in de juiste grootte, in kleur en in silhouet. Zelfs wanneer dat het geval is blijven de ervaren grote vissen kritisch. Grote vissen zullen moeilijker tot stijgen te verleiden zijn dan kleinere exemplaren. In het algemeen fourageren grote vissen bijna uitsluitend aan de bodem.

Toch heeft iedere vliegvisser kans om grote vissen te vangen. Die moeten, als het ware, verleid worden. Daarvoor moet je tactisch wel wat in huis hebben. Stap dan af van de traditionele vliegen die je gebruikt. Zoek meer het aparte op. Neem een extra kleine of juist een extra grote vlieg. Een vlieg die je normaal niet aan de lijn zou knopen. Juist dan wordt het eetgedrag van de vis op de proef gesteld. Zoals bij de presentatie van groot aas dat een vis vaak niet kan weerstaan.
Of juist een kleine vlieg die tot azen leidt. Een kleine vlieg heeft minder details en is dus voor de vis slechter te herkennen. De vis kan dan niet zo kritisch zijn. U zult het zien… kies voor groot of kies juist voor klein; het resultaat kan heel verrassend zijn.

Onze ervaring

Ik spreek uit eigen ervaring. Hier zijn enkele voor zich sprekende voorbeelden. In het seizoen 2009 was ik te gast aan de Schwarzwalder rivieren de Breg en de Wolf. Beide rivieren herbergen ook mooie grote vissen. In de Breg viste ik op een stuk met matige stroming. Mijn visstek was ongeveer 150 meter na een stroomversnelling. Direct onder de stroomversnelling werden uitsluitend beekforellen gevangen. Vissen van 30 tot 35 cm. Van vlagzalmen had men hier nog nooit gehoord. Toch landde ik die middag een aantal mooie vlagzalmen tussen 35 en 42 cm. Dat was alleen mogelijk met zeer kleine droge vliegen op haak 20. Zonder goede ogen of een sterke bril nauwelijks aan de lijn te knopen. Het duurde een tijdje alvorens de tactiek met de extra kleine vlieg werd toegepast. Regelmatige verschenen ringen van stijgende vissen op ongeveer 1 meter vanaf de oever aan de overkant. Ik viste vanuit het midden van het water, ter plekke ongeveer 25 meter breed, in de richting van deze oever en presenteerde mijn favoriete Klinkhamer grizzly op haak 14. De ringen bleven komen, maar geen vis die zich interesseerde voor mijn droge vlieg. Andere vliegen stonden evenmin in de belangstelling.

Jan Aben vissend in een diepe geul op de Wenne

Na ruim 20 minuten en het wisselen van de tip van de leader van 0,14 mm naar 0,12 mm fluorocarbon, besloot ik om een extra kleine vlieg te monteren. Opnieuw een Klinkhamer, een high-vis parachute op haak 20 . De vlieg werd ruim twee meter voor de “ringen” geplaatst. En jawel binnen een half uur stond mijn hengel meerdere keren krom en beleefde ik prachtige vliegvissport. Vooral, omdat grote vlagzalmen aan 0,12 mm leaderpunt zich niet één-twee-drie laat binnen vissen. Met enige gevoel en goed afgestelde slip kan het echter wel.

Extra groot

Dat “extra groot” zich eveneens uitbetaalt laat zich raden. Toch is het niet logisch om bijvoorbeeld een terrestial (landinsect) op haakgrootte 8 aan te binden als je gewend bent om te vissen met droge vliegen op haak 16 of 14 en een vlieg op haak 12 voor jou al een joekel is.
Het was eveneens in hetzelfde seizoen 2009, dat ik in de rivier de Wenne in een diepe en snelle pool, circa 500 meter bovenstrooms van het voetbalveld in Wennholthausen, mijn geluk beproefde. Een zeer aanlokkelijke pool waar volgens ieder vissersgevoel altijd wel enkele grote vissen moesten staan. Direct onder een flinke stroomversnelling trekt de beek hier met grote snelheid door een vernauwing. In de diepe geul, waardoor het water zich doorheen moet persen, zou men normaal met een zware nimf vissen. Maar zelfs dat is op deze plek erg moeilijk, want de nimf krijgt nauwelijks tijd om af te zinken. De lijn gaat met grote snelheid en trekt ook grote nimfen snel weg van de bodem. Om op de leader ter verzwaring van een of meerdere loodhagels te plaatsen strijkt mij tegen mijn vliegvissersharen in. Niet dat ik zo’n purist ben maar het moet wel vliegvissen blijven.

Foam Beetle op haak 8 (collectie Finest Fly Fishing, http://www.finestflyfishing.nl)

Het besluit om een zwart-rode Foam Beetle op haak 8 aan te knopen moet je als een tactische zet zien. Deze extra grote foam kever heeft een enorm groot drijfvermogen en is door de toef witte yarn bovenop, erg goed zichtbaar. De rest laat zich raden.
Een beekforel van veertig plus is voor de Wenne een absolute kanjer. En dan ook nog op een droge vlieg. Dat ik deze vis nog stroomafwaarts moesten volgen en het water tot bijna aan de rand van mijn waadpak kwam te staan alvorens ik deze vis kon landen, heb ik op de koop toe genomen. Extra groot bracht mij uiteindelijk deze Wenne-recordvis. Ik weet zeker, dat deze vis never en nooit aan de haak was gekomen van een traditionele droge vlieg of nimf met een haakgrootte van bijvoorbeeld 12 of 14.

Tactiek aanpassen

Het advies zal duidelijk zijn. Pas de tactiek aan. Probeer extra groot of als dat nodig is extra klein. Dat betekent dat je in de vliegendoos deze vliegen paraat moet hebben. Je zult bij de voorbereidingen van de visdag met de mogelijkheid om met deze kleine of grote vliegen te vissen rekening moeten houden. Het kan verrassend goede vangsten opleveren. Overigens, behalve extra groot of extra klein behoort een afwijkende kleur ook tot de tactische mogelijkheden. Twijfel dus niet aan je werpkunsten, het materiaal of kennis van het water… maar spreek het tactische repertoire aan. Dat is je nieuwe recept. Succes!

Herinneringen aan Ierland (mei 2010)

Killaloe

Kleine stad aan de oostoever van de Shannon, een twintig kilometer stroomopwaarts van Limerick. Nog net in County Clare. Kerk, kroegen, winkels, een Nederlandse hengelsportzaak. Door een magnifieke eeuwenoude brug verbonden met Ballina, County Tipperary. Kerk, kroegen, winkels, een inheemse hengelsportzaak.

Haventje van Killaloe (foto Rob Hofland)

Lough Derg (foto Rob Hofland)

Ursula

Iedereen was verliefd op Ursula, sommigen wilden haar mee nemen naar Nederland, een enkeling zelfs met haar trouwen. Ze drijft in Killaloe een knus, antiek ingericht pensionnetje op een steenworp van de Shannon en de brug die je naar Ballina brengt. Type opgewekt en niet opdringerig. Een prima ontbijt naar keuze, machtig Iers of gezond continentaal. En een lunchtas met koffie en iedere dag weer een nieuwe buitengewoon smakelijke verrassing.

Knus, antiek ingericht (foto Sjoerd Meijer)

Ferdinand

Ferdinand Heijerman vist al tweeëntwintig jaar in Ierland. Hij woont er inmiddels vijftien jaar. Een uitstekende visser, allerlei visserijen kent hij als zijn broekzak en weet het nodige van de Ierse natuur te vertellen. Sympathieke, rustige knaap. Zeer behulpzaam en efficiënt in zijn werk.

Bij Ferdinand in de boot (foto Marcel Opsteegh)

Nenagh

Zeg maar Nina. Een prachtig riviertje dat in het noordoosten in Lough Derg uitmondt. Dinsdag was het zulk mooi stralend weer, dat we dachten dat vissen niks zou worden. Gevieren hebben we toen een ruim rondje om het meer gereden. Hier en daar gestopt om een vervallen kerkhof of een ruïne van een boothuis te bekijken en zo kwamen we een keer bij de Nenagh terecht. Iedereen enthousiast. Even langs de oever gestruind, naar een volgend bruggetje gereden, en wéér naar een volgend bruggetje. En het bleef maar mooi. Donderdag en zaterdag zijn Marcel en ik er weer heen geweest met vliegenhengels. Marcel ving zijn eerste bruine forel op de vlieg. We hebben gevist en ook veel verkend. Van een local begrepen we dat augustus/september de beste tijd was, dan stijgt het water en trekt de forel uit Lough Derg de Nenagh op… Leuke beessies ook: oeverzwaluw, ijsvogel, waterspreeuw.

Mooi (foto Rob Hofland)

Voetpad langs de Nenagh (foto Rob Hofland)

Auto

De heren vonden het maar al te prettig dat ik de auto wel wilde besturen. Ik had al eens twee weken in Ierland en één in Schotland rondgestuurd, ik was de enige met wat ervaring. In het begin neem je af en toe een stoeprandje mee, maar dat werd allengs minder. Marcel, die meestal naast mij zat, hoorde ik wel af en toe zuchten als de berm, en het daar hangend groen, al te nadrukkelijk in beeld kwam. Het type Volkswagen weet ik niet meer, maar het was een tamelijk forse jongen. Een keer ontkwam de flank maar net aan openrijting, de jongens waren er stil van, Sjoerd ietwat bleek om de neus. Maar goed, vervoermiddel geheel schadevrij weer ingeleverd in Cork.

Forse Volkswagen (foto Rob Hofland)

Visgids

Niets ten nadele van Ferdinand, maar het erop na houden van een gids heeft wel zo zijn beperkingen. Als je met z’n drieën vist zit er altijd een in het midden, en die is dan wat gehandicapt in de mogelijkheden. Vliegenhengel zit er dan meestal niet in. Ferdinand vist razendsnel met jerkbaits een plantenbed af. Hij wil uiteraard dat zijn klanten vis vangen. Is het bed afgewerkt zonder rendement, dan wordt de motor gestart en hup, naar de volgende stek. Dat vind ik persoonlijk wat onrustig. Ik blijf op een mooie plek liever wat langer hangen, en probeer dan verschillende dingen uit. Woensdag visten Rob en ik op het meer, we hebben een of twee plantenbedden uitgekamd, telkens weer opnieuw eroverheen gedreven met de drijfzak. Leverde net zoveel vis op (weinig, overigens) als maandag met Ferdinand erbij, toen we op misschien wel twintig stekken geweest waren.

Hup, naar de volgende stek (foto Rob Hofland)

Shannon

De Shannon is de langste rivier van Ierland, 358 km. Ontspringt in de buurt van Sligo en komt bij Limerick in zee terecht. Eigenlijk is de Shannon vanaf drie kilometer boven Limerick een getijrivier en komt tachtig kilometer ten westen van Limerick in open zee. Een van de opvallendste eigenschappen van deze rivier is het grote aantal meren in de loop, waarvan Lough Allen, Lough Ree en Lough Derg de grootste zijn. Killaloe ligt aan de zuidkant van Derg, en Portumna aan de noordkant. Sjoerd en Marcel hebben met Ferdinand op woensdag nog een eind boven Portumna in de Shannon gevist en daar wel de mooiste dag van de week beleefd. Aan de lopende band snoek en baars die je in het heldere water op spinner of lepel zag duiken. Ook Ferdinand zag er de aardigheid van in, blies het stof van zijn tiengrammer en genoot mee. Vrijdag zijn Rob en ik nog die kant op geweest. Ferdinand liep schade op aan zijn schroef toen hij, gelukkig met geringe snelheid, op een rots voer, die daar al miljoenen jaren lag, maar nog niet in het systeem zat. We hebben wel gevist, en gevangen, maar het paradijs van de jongens konden we door de averij niet meer bereiken.

Marcel met een kromme twaalfgrammer (foto Ferdinand Heijerman)

Langs de Shannon wordt nog veel turf gestoken (foto Ferdinand Heijerman)

Meivlieg

Waren we eigenlijk te laat voor. Naar wat we ervan hoorden moet het een erg fascinerende bezigheid zijn. Ferdinand was net begonnen zich erin te verdiepen. Iets voor volgend jaar.

Meivlieg (foto Ferdinand Heijerman)

Dagelijks leven

Ontbijt. Daarna vissen: met Ferdinand mee, zelf een boot nemen (we hadden de hele week twee boten tot onze beschikking), met de auto naar een rivier. Meestal ʻs avonds ook nog wat klungelen in de buurt, vanaf de kant, of uit een bootje. Dan een beetje bieren en eten en ouwehoeren. Er zijn prima eetcaféʼs, wij kwamen het meest bij Mollyʼs, aan de andere kant van de brug, in Ballina.

Behulpzame local (foto Rob Hofland)

Teleurstelling

Op de hoek, aan onze kant van de brug, had je ook een café, aardige tent, een beetje louche. The Anchor Inn. Een buitengewoon vriendelijke, buitengewoon mollige vrouw zwaaide daar de scepter, of deelde lakens uit, weet ik het. Ze wist twee jeugdige vissermannen uit het verre Holland tot een langdurig verblijf in haar nering te bewegen. Een avondje stevig innemen kwam de boys op een tweehonderd euro te staan. We zagen die jongens ʻs ochtends wel eens in de ontbijtzaal van Ursula. De gezichten niet zelden op onweer. Als je maandenlang de kop vol hebt van Ierse metersnoeken, dan kan de praktijk aardig tegenvallen. Wij zijn wat ouder, en weten een klein beetje meer van wat er te koop is. Voor ons was het gewoon dagelijks genieten van het land, de natuur, de mensen, elkaars gezelschap, en uiteraard van onze visserij.

The Anchor Inn (foto Sjoerd Meijer)

Genieten (foto Rob Hofland)

Zalmkoorts

Mijn 72-jarige vader en ik zijn, zij het met wat tussenpozen, al heel lang sportvissers. Zelf ben ik ook al vijfendertig jaar vliegvisser; maar verre van “fly only”. Op de een of andere manier zijn noch mijn vader noch ik er echter toegekomen om ons aan de zalmvisserij te wijden. Een manco, zeggen sommigen. Een gemis, vonden we zelf ook. Voor mijzelf gold als excuus dat ik lekker warme want tropische voorkeuren heb. Toch bleef het verlangen naar de zalmvisserij al die jaren wel degelijk levend.

Het lijkt eind 2009, als ik op de website stuit van Jos Vanrunxt en zijn Atlantic Salmon Safari en een verhaal van Hans Boomsluiter lees op Flyfever, dat zich het moment aandient om ons manco te verhelpen. Na wat correspondentie en uiteindelijk een goed gesprek met Jos besluiten we om net als Hans een jaar eerder met hem naar Kola te gaan om daar met de tweehandige hengel en de vlieg op zalm te vissen.

Omdat mijn vader al meer dan tien jaar geen vliegenhengel heeft vastgehouden besluiten we om uitsluitend de tweehandige hengel te gaan gebruiken. De cursus Modern Flycasting Doublehanded I wordt gevolgd en onder het toeziend oog en corrigerend hang- en trekwerk van Bas de Bruin, Sepp Fuchs en René van Heezik ontstaan de contouren van twee nieuwe underhand casters. René, die in het dagelijks leven Martin Hengelsport drijft en zich vergaand gespecialiseerd heeft in de vliegvisserij op zalm, fungeert daarbij tevens als onze (onmisbare) materiaalman.

Vertrek naar het basiskamp

Sneller dan verwacht is het moment van de waarheid daar. Met het vliegtuig reizen we naar St. Petersburg, waar de nachttrein ons in 24 uur naar een totaal verregend Apatity aan de poolcirkel brengt. Daar is het wachten op een helikopter die in de regen en mist niet kan vertrekken, maar uiteindelijk toch een gaatje vindt in het wolkendek om onze groep af te zetten in het Upper Varzuga Camp in de wildernis - na een adembenemende tocht laag over de totaal verlaten toendra.

En dan liggen er zes visdagen voor, helaas aan een rivier die 80 cm hoger staat dan normaal door het aanhoudend slechte weer voorafgaand aan onze komst. Wat het vissen elders nagenoeg kansloos zou maken; de pools zijn verdronken, je kunt eigenlijk nauwelijks waden, maar feit is dat dit één van de beste zalmrivieren ter wereld is en dat er dus ook onder slechte omstandigheden nog wel iets mogelijk moet zijn. Wat ook zal blijken.

Om daar meteen maar uitsluitsel over te bieden: onze groep van 11 vissers, het merendeel beginners, ving deze zes dagen 52 zalmen, al werden er veel meer gehaakt. Is dat op zich niet verkeerd, voor deze rivier is het beslist geen best resultaat want normaal gesproken kun je hier, als je een beetje kunt werpen met de doublehander, toch echt op een fors aantal zalmen tussen twee en vijf kilo de man rekenen, zelfs ook met een drijvende lijn en lekker over het oppervlak skatende Bombers - in plaats van met diep geviste vliegen aan sinktip lijnen.

Hoog water op de Upper Varzuga

Later zal blijken dat deze week door het slechte weer op heel Kola als “lastig” de boeken ingaat.

Mijn vader, met wie ik een zalm ging proberen te vangen in Rusland, ving binnen een paar uur meteen maar die zalm en leverde onmiddellijk daarna strijd met een grote vis, die in één run tachtig meter van z’n zwaar afgestelde slip scheurde en toen hoog boven het water sprong – om terug te vallen op de leader. Gids Jeroen Wohe heeft het voorval, een onbetaalbare ervaring, op video vastgelegd. Mijn vader was hevig geëmotioneerd; niet zozeer omdat hij de vis kwijtraakte alswel door de kracht en de snelheid waarmee het schouwspel zich in een paar seconden aan hem voltrok. De diagnose was simpel: de lichte verhoging die zalmkoorts heet.

Dezelfde dag ving ik ook nog twee zalmen, waaronder eentje van vier kilo, en de dagen erop was het weliswaar hard werken maar gericht en geconcentreerd vissen leverde toch elke dag weer “takes” op. Gewoon de vlieg stroomafwaarts plaatsen op de goede plekken, en een klein lusje bij de reel houden zodat de zalm na de “take” iets lijn mee kan nemen bij zijn draai na het nemen van de vlieg. Het is een schitterend moment als de lijn uit je vingers wordt getrokken. Een aantal hard vechtende zalmen was het even schitterende resultaat. De vele, ook grote, gevangen vlagzalmen en enkele snoek tellen we zoals het echte zalmvissers betaamt natuurlijk niet eens mee.

Het weer bleef tijdens onze trip donker en regenachtig; op de ene echt zeer zonnige dag die we meemaakten waren we blij dat we onze Bug Shirts bij ons hadden; zo onwaarschijnlijk stil als de toendra is, zo druk is namelijk de insectenwereld in deze streken.

Vader en zoon

Het Upper Varzuga Camp waar wij verbleven was gezien de ligging in “No Mans Land” eigenlijk best comfortabel, met jetboats, cabins, warm water, een sauna en prima maaltijden. De groep vissers was zeer kameraadschappelijk; Jelle, Libbe, Harm, Zladko, Dragan, Carl, Hans, Henny en Gerard – allemaal mannen om mee uit vissen te gaan.

Inmiddels zijn we weer terug en kijken we nog eens terug. Ik had willen schrijven: en bladeren we door de foto’s, maar dat valt tegen omdat mijn onderwatercamera met bijna alle “natte” foto’s bij terugkomst in St. Petersburg uit mijn jas gestolen is. Zoiets drukt natuurlijk wel een beetje een stempel op de reis. De hoge waterstand zou ook een stempel op onze reis hebben gedrukt als de laatste middag niet een verrassing voor ons in petto zou hebben gehad.

Werkkleding

Jeroen Wohe, die in British Columbia woont en werkt (als Guide) en als gids mee was en die tot mijn grote verbazing in de Camp sauna niet zo gespikkeld als een zalm bleek te zijn, verdient het om hier met name genoemd te worden. Zijn kennis, gevoel en vooral watersense zijn echt ongeëvenaard. Jeroen wees mij de bewuste middag een langzaam stromend stuk achter een rots aan op grote afstand en adviseerde mij een standplaats in de rivier die met enig risico nog wel te bewaden was. Wat dan nog resteerde was een (voor mij vrijwel onmogelijke) worp stroomafwaarts naar de bewuste plek.

De eerste pogingen met een drijvende lijn liepen op niets uit. Ik haalde door de tegenwind de benodigde afstand van 30-35 meter net niet met m’n twaalf voet lange hengel voor een #8 lijn, die met een drijvende lijn was opgetuigd. Ook liep de vlieg te hoog in de drift. Ik waadde terug en schakelde om naar een langzaam zinkende shooting head. Opnieuw waadde ik naar m’n lanceerplaats.

Kort daarna kwam de Cascade op haakmaat 8 wel op de goede plek neer. De vlieg was nog geen meter onderweg of het lusje werd met grote snelheid uit m’n handen gegrist en de lijn trok strak. De vis zwom op circa vijfendertig meter een tijdje heen en weer. Toen ik nog wat meer spanning op de hengel zette en wat lijn terugdraaide trok de vis terug.

De daarop volgende twintig minuten waren klassiek. Staande in de snel stromende rivier, aangemoedigd door mijn vader, hangend in de tot barstens toe gebogen hengel, met een vis aan de lijn die onophoudelijk tientallen meters lijn van de Ross reel scheurde en soms hoog boven water kwam, wist ik de vis uiteindelijk tot dichtbij te krijgen en was het voor Jeroen, die inmiddels naar mij was gewaad met een net, mogelijk om de vis te netten.

Aan de kant gekomen werd de vis onthaakt en knipte Jeroen de leader met de vlieg af op de lengte van de vis. Dat stuk leader ligt hier bij mij op tafel en meet 102 centimeter. Ik zal de lezer het scala aan emoties besparen wat na de vangst de revue passeerde. Ook hier was er echter sprake van de enigszins verwijde pupillen die typerend zijn voor zalmkoorts.

Jeroen met Wim's vis

Jos Vanrunxt’s Ryba Adventures verzorgde de reis naar deze uithoek van Rusland. Hij is overigens als geen ander in ons land bekend met de ins en outs van Kola. Bedenk wel dat Rusland geen Ierland of Zweden is; het land heeft zo z’n eigen mores en het gaat er soms net wat anders aan toe dan je zou denken of verwachten. Jos spreekt Russisch en weet de weg. Als je zelf voor een flexibele instelling zorgt is het plaatje compleet.

De slotsom is hoe dan ook dat wie van zalm durft te dromen eigenlijk, ook al is het maar eens in z’n leven, een keer naar Kola moet. Sommige dromen worden daar namelijk gewoon werkelijkheid. Zelfs die van twee koortsige debutanten.

Volgende pagina »