De oorsprong van het ultralichte spinnen

Het ultralichte spinnen is in Nederland vanaf het einde van de jaren veertig van de vorige eeuw tot ontwikkeling is gekomen. Verreweg het meeste baanbrekende en propagerende werk is daarbij verricht door de grote man van de Nederlandse hengelsport in de twintigste eeuw, Jan Schreiner. De oorsprong van het ultralichte spinnen ligt echter in Frankrijk en de uit dat land geïmporteerde materialen en technieken zijn van belangrijke invloed geweest op de manier waarop de ultralichte kunstaasvisserij bij ons werd en wordt beoefend.

Drie Fair Play ultralichte spinhengels uit de jaren zestig (afbeelding uit het 'Groot Sportvissersboek')

Wat verstaan we in dit artikel eigenlijk onder ultralicht spinnen? Het begrip ’spinnen’ is het gemakkelijkst te omschrijven. We nemen het wat ruimer dan alleen het vissen met spinners en rekenen er het vissen met al het denkbare kunstaas toe - voorzover dat natuurlijk met ultralicht materiaal te werpen en te vissen valt. Dan het begrip ‘ultralicht’. Als je uitgaat van de vissoorten waar je op uit bent, is dat een relatief begrip. Je kunt ultralicht vissen op baars, met een 4-grams spinhengeltje, maar je kunt ook ultralicht op haai gaan, bijvoorbeeld met een 40-grams plughengel of een baitcaster. In dit artikel gaan echter we niet uit van vissoorten maar van hengels, meer precies van spinhengels. Daarmee nemen we het begrip ultralicht dus niet relatief maar absoluut. Naar wat volgens de Nederlandse traditie het meest gebruikelijk is, rekenen we er de spinhengels toe met een maximaal werpgewicht tot en met 6 gram. Sommigen leggen die grens liever bij 5 gram en in andere landen gelden weer andere grenzen, al is het verschil vaak maar minimaal. In Amerika bijvoorbeeld kiest men algemeen voor een bovengrens van 1/4 oz. wat overeenkomt met 7 gram. Alles daaronder heet ultralight. De keuze van zo’n grens is natuurlijk niet van levensbelang en berust ook niet op een of andere noodzakelijkheid, het gaat er alleen maar om dat we een afspraak maken over de afbakening van wat we ‘ultralicht’ noemen, zodat tenminste duidelijk is waar we het met die term over hebben.

Waaraan dankt het ultralichte spinnen zijn bestaansrecht? Of anders gezegd: wat is het nut of de aantrekkingskracht van deze manier van vissen, die immers meer risico’s op het verspelen van vis of het vastraken van kunstaas met zich meebrengt dan wanneer er zwaarder materiaal wordt ingezet? Het ultralichte spinnen staat in feite op twee benen. Ten eerste heeft het een functioneel doel en om die reden is het ook ontstaan: het maakt het mogelijk om bijzonder lichte kunstaassoorten te werpen en aan een vis te presenteren, die met grover geschut of aan opvallender materiaal in bepaalde omstandigheden moeilijker of helemaal niet te verleiden zou zijn geweest. Ten tweede - maar zeker niet minder belangrijk - is het ultralichte spinnen een methode die een hoge mate van raffinement en fijnzinnige perfectie met zich meebrengt, en dat geldt ook voor de materialen die erbij worden gebruikt. Voor degene die daar gevoelig voor is, heeft deze visserij alleen al daardoor zoveel genoegen te bieden, dat de functionaliteit desnoods op de tweede plaats mag komen. Je kiest dan voor ultralicht spinnen ook al is een andere methode op dat moment misschien effectiever, een keuze puur dus voor het plezier - en daar gaat het toch in de eerste plaats om.

Frankrijk

Zoals gezegd steunde het ultralichte vissen in Nederland, toen het hier vanaf het einde van de jaren veertig van de twintigste eeuw tot ontwikkeling kwam, vooral op de ontwikkelingen die eerder in dat decennium hadden plaats gehad in Frankrijk. Daar had dr. Pierre Barbellion in 1941 in zijn boek Lancer léger et poissons de sport voor het eerst de term lancer extra-léger (extra licht werpen) gebruikt voor het werpen van gewichtjes van 1,5 tot 3 gram. Dit gebeurde met behulp van ragfijne splitcane werphengeltjes met een werpvermogen van rond de 2 gram. Het was in de jaren veertig en vijftig zowel in Frankrijk als in Nederland gebruikelijk om werphengels behalve naar hun werpvermogen ook te klasseren naar hun ‘arbeidsvermogen’: de minimale belasting waaronder een horizontaal gehouden hengel 90 graden naar beneden buigt (wat de Engelsen test curve noemen). Het maximale werpgewicht voor 7-voets splitcane spinhengels werd dan vastgesteld als zijnde 1/50 deel van het arbeidsvermogen. De hengeltjes die Barbellion gebruikte voor het ‘extra lichte werpen’ hadden een arbeidsvermogen van niet meer dan 90 of 100 gram. Ze werden onder meer ingezet om met kleine spinnertjes en ander licht kunstaas op forel of baars te jagen.

Dr. P. Barbellion, 'Lancer léger et poissons de sport' (1941), 2e druk 1946

De term lancer ultra-léger (ultralicht werpen) werd in de literatuur voor het eerst gebruikt door Pierre Lacouche in zijn boek Le lancer léger de surface uit 1945. Het jaar daarop publiceerde Sylvain Massé het boek Au léger - ultra-léger, waarin hij het ultralichte werpen definieerde als het werpen met gewichten tot en met 2 gram. Daarbij werden in die tijd lijnen gebruikt van 0,09 tot 0,14 mm bij een trekkracht van ongeveer 0,5 tot 0,8 kg. De categorie daarboven was dan het lancer extra-léger met gewichten van 3 tot 6 gram en lijnen van 0,14 tot 0,18 mm, gevolgd door het lancer léger met gewichten van 7 tot 10 gram en lijnen van 0,18 tot 0,22 mm. Maar tegenwoordig wordt de term lancer extra-léger niet of nauwelijks meer gebruikt. Het ultralichte werpen wordt nu in Frankrijk algemeen gedefinieerd als het gebruik van werphengels met een werpgewicht tot 3 gram. Werpgewichten daarboven, van 4 gram oplopend tot 10 gram, worden tot het lichte werpen gerekend, gevolgd door het middelzware en zware werpen. Overigens, laat iemand zich geen vooral geen zorgen maken als hij alle termen, gewichten en begrenzingen inmiddels niet meer kan bijbenen.

In Frankrijk werd in de eerste decennia na de oorlog een heel scala aan fijne ultralichte splitcane spinhengeltjes gebouwd, met arbeidsvermogens van 60, 80, 90 en 100 gram (dus met maximale werpgewichten oplopend van 1,2 tot 2 gram). De leidende fabrikant hiervan was de gerenommeerde firma Pezon & Michel, die in 1948 haar eerste ultralichte splitcane spinhengeltjes op de markt bracht. Dezelfde firma produceerde inmiddels ook een voor die tijd superieure lichte werpmolen: de oorspronkelijke Luxor (model 1936), een molentje van 225 gram met kunststof spoel, dat al snel werd gevolgd en verdrongen door de iets degelijker en forser uitgevoerde versie met aluminium spoel, de Luxor-Luxe (260 gram). De producten van Pezon & Michel kwamen ook op de Nederlandse markt en met die materialen ook de vismethodes die ermee mogelijk waren. In de eerste druk van Jan Schreiners invloedrijke boek Flitsend Nylon (1950) zien we bijvoorbeeld al 7-voets Luxor spinhengels van Pezon & Michel afgebeeld, waarvan indertijd behalve 24, 18 en 12-grams modellen ook een 6-grammer verkrijgbaar was; in de 2e druk uit 1952 is bovendien een 4-grammer afgebeeld.

Nederland

Ultralicht materiaal, zoals afgebeeld in Jan Schreiner, 'Flitsend Nylon', 2e druk 1952

De meest omvangrijke ontwikkeling die zich tot op heden in de Nederlandse hengelsport heeft voltrokken, een ware stroomversnelling feitelijk, had plaats in ruwweg de periode 1950-1970. Het vissen met werphengels en werpmolens, dat in ons land voordien nog slechts door weinigen werd toegepast - met als pionier A.M.J. Dresselhuys in de jaren twintig - vond in die twee decennia algemeen ingang. Allerlei nieuwe materialen kwamen beschikbaar, in de eerste plaats de nylon lijn, en fundamenteel nieuwe technieken werden gepropageerd en toegepast. Bovendien veranderden de inzichten en de mentaliteit ten aanzien van het vissen. Vissen werd nadrukkelijk spórtvissen: het genieten van het vissen zelf werd steeds belangrijker en het terugzetten van vis won terrein op het meenemen, dat altijd zo vanzelfsprekend was geweest. Doordat de buit niet meer allesbepalend werd gevonden, kón er ook meer aandacht komen voor de manier waarop de vis gevangen werd en telde niet meer alleen het eindresultaat in de vorm van een flink gevulde bun of juten zak. Sterker nog, de manier van vangen kwam voor velen voorop te staan. Helaas kreeg deze mentaliteitsontwikkeling later, vanaf de jaren zeventig, echter weer de wind tegen, vooral door invloed van het uit Engeland overgewaaide specimen hunting.

Dé grote man achter de evolutie - zo niet revolutie - van de Nederlandse hengelsport in de eerste dertig jaar na de oorlog was zonder twijfel Jan Schreiner. En zoals aan het begin al werd vermeld, was hij ook verreweg de belangrijkste man die in ons land het ultralichte kunstaasvissen heeft gepropageerd en tot ontwikkeling heeft gebracht. De ontwikkeling waarvoor Schreiner zich heeft ingezet omvat zowel de vistechnische vernieuwingen als de hierboven genoemde mentaliteitsverandering. Die twee elementen zijn nauw met elkaar verbonden. Zonder die mentaliteitsverandering, waarbij het genoegen van de vismethode belangrijker werd gevonden dan de hoeveelheid gevangen vis, zou het ultralichte vissen immers ondenkbaar zijn. Het zou als een veelal te weinig productieve en te riskante methode beschouwd worden en geen recht van bestaan hebben.

Jan Schreiners baanbrekende boek 'Flitsend Nylon' (1950), 2e druk 1952

In zijn boeken publiceerde Jan Schreiner het eerst over ultralicht vissen in 1950. In dat jaar verscheen zowel de eerste druk van zijn standaardwerk Flitsend Nylon als het kleinere boek De pen duikt weg…! Om met het laatste boek te beginnen, hierin noemt Schreiner onder andere het vissen met kleine spinner-vlieg-combinaties. Die leveren volgens hem, “hoewel eigenlijk gemaakt voor ultralicht werk op forel, vooral in het vroege voorjaar vaak zeer goede resultaten op op de baars.” Hij viste die spinnertjes dan met 0,14 tot 0,18 mm nylon op hengeltjes van 4 of 6 gram werpvermogen en soms zelfs wel eens met 0,12 mm op een 2-grammertje. Ook op de snoekbaars zette hij wel eens een klein ‘Tarantella’-spinnertje in, met 0,14 mm nylon op een 6-grammertje. Voor 1950 is dat inderdaad ultralicht vissen. Vooral als je je bedenkt dat zo’n 0,14 mm lijntje toen niet meer trekkracht had dan 0,8 kilo!

In de eerste druk van Flitsend Nylon worden ook al dergelijke prestaties genoemd: “Met kunstaas dat bv. 3 à 5 gram weegt, kan men een snoek van 10 pond en zwaarder vangen. Met een tweepondslijn en een ultralichte hengel - ik ving er eens een van 10 pond aan een hengeltje dat 70 gram woog - kan men zo’n snoek overwinnen.” Maar het was toen, in 1950, kennelijk nog wel erg een visserij in de marge - een apart hoofdstuk heeft Schreiner dan nog niet aan het ultralichte spinnen gewijd. Dat voegde hij wel toe aan de tweede druk, die in 1952 verscheen. Daarin schrijft hij na een bevlogen romantische intro onder meer:

“Wij gaan ultra-licht spinnen. Dat splitcane-rapier, waar ik het al eerder over had, is een eersteklas 6½ ft stokje met een maximum-werpvermogen van 4 g en het nylon dat ge daar ziet glanzen, meet onder de micrometer geen honderdste millimeter meer dan 12/100. Het lokaas is een grappig klein spinnertje met een blad van 10 mm, waarachter een vliegje is gemonteerd op een enkel haakje. De enige bezwaring die hier nog bij komt is één enkel gespleten hageltje van middelmatige grootte.
Het werpen met dit lichte gewicht is zeer moeilijk en kan beschouwd worden als de hoogste vorm van lanceren. U kunt het gerust op één lijn stellen met het werpen van de vlieg.”

De ultralichte materialen die Schreiner in deze tweede druk van Flitsend Nylon liet afbeelden, geven een idee van wat er op dat gebied indertijd (1952) in Nederland verkrijgbaar was. Er zijn drie ultralichte hengels te zien: een ‘Luxor 200′ van Pezon & Michel met een werpvermogen van 4 gram, volgens Schreiner geschikt voor de voorn en brasemvisserij, en twee ultralichte spinhengels van het Nederlandse merk B&R (Bertram & Roelfs). De B&R hengels zijn een model ‘Tarantella 300′, een 6-grammer “voor het vissen op baars en snoek, buldobvissen, makreel, brasem en voorn”, en een ‘Zephyr 200′, een 4-grammer voor baarsspinnen en het vissen op voorn en brasem. Alle genoemde hengels zijn van splitcane. Nadat Jan Schreiner met zijn compagnon Willem Persoon enkele jaren later een eigen hengelsportzaak was gestart (’Hengelsporthuis Flitsend Nylon’ aan het Kleine Gartmanplantsoen in Amsterdam, geopend op 1 september 1956) begon hij ook zelf hengels te bouwen, onder de merknaam ‘Fair Play’. Daaronder waren ook ultralichte spinhengels, aanvankelijk vermoedelijk in splitcane, maar begin jaren zestig in ieder geval al in holglas.

Fair Play ultralicht spinhengeltje met 4 gram werpvermogen

Als ultralicht molentje vinden we al in de eerste druk van Flitsend Nylon (1950) de Alcedo Micron afgebeeld, een fraai Italiaans stukje techniek van maar 190 gram. Een paar jaar later kwam Pelican, een merk uit dezelfde Turijnse fabriek als Alcedo, met een ultralicht model, de Pelican 50, dat veel verkocht werd. Maar ook de al eerder genoemde kleine Luxor molen werd, hoewel wat zwaarder, indertijd veel voor het ultralichte werk gebruikt.

Zo kwam het ultralichte kunstaasvissen in Nederland langzaam maar zeker op de kaart te staan. Aanvankelijk, in de jaren vijftig, was dat nog op kleine schaal, maar naarmate in de jaren zestig de welvaart toenam, kwamen de relatief toch vrij kostbare materialen die voor deze visserij nodig waren voor steeds meer sportvissers binnen handbereik. Ik sluit graag af met een kort maar gloedvol pleidooi van Jan Schreiner uit 1969, te vinden in zijn Groot Sportvissersboek:

“Mij beperkend tot ultralicht spinnen kan ik dit zeggen: zo’n ultralichte uitrusting moet worden beschouwd als onmisbaar gereedschap. Zeker voor de sportvissers die de poldervisserij minnen. Want met een klein spinnertje, waarmee correct wordt gevist, schiet men maar zelden naast de roos.
Is dat nu zo, Schreiner?
Bij mijn ziel en zaligheid, het is zo.
Als het echt om ziel en zaligheid zou gaan, slechts te behouden door in de polder wat vis te vangen, zou ik als veiligste wapen een ultralichte hengel en een klein spinnertje kiezen. Om het risico - voor ziel en zaligheid - zo klein mogelijk te maken.”

——————————

TIPS. Boeken speciaal over het ultralichte spinnen zijn er in de Nederlandse taal jammer genoeg niet, op een enkele ‘print-on-demand’-uitgave na. Het ultralichte geweld speelt zich hier behalve aan de waterkant vooral af op websites, waarvan ik het weblog Struinen door de polder van Peter Linzell graag noem; deze site bevat ook links naar verwante websites. Een Amerikaanse publicatie die ik kan aanraden is het boeiende en prachtig verzorgde boek Ultralight Fishing van Tim Lilley (in te zien op Amazon.com).