Flitsend Nylon - de lijn zelf
Deze website dankt zijn naam aan het beroemde boek Flitsend Nylon van Jan Schreiner, waarvan de eerste druk verscheen in oktober 1950. De naam van dat boek kon niet beter gekozen zijn. Het was immers, zoals de ondertitel luidde: ‘Het eerste Nederlandse boek over het vissen met de werphengel’. En die werphengelsport dankte zijn opkomst en bloei voor het overgrote deel aan de uitvinding van een lijn die zich vanaf werpmolens goed en gemakkelijk liet werpen: de lijn van enkeldraads polyamide, een materiaal dat de naam ‘nylon’ kreeg.
De nylon lijn kwam pas op de markt toen de werpmolen al bestond. In Nederland was de Franse Luxor werpmolen al eind jaren dertig verkrijgbaar en de Engelse Illingworth zelfs al in de jaren twintig. Maar op de nylon lijn moest hier tot na de Tweede Wereldoorlog worden gewacht. Tot die tijd was de hengelaar die met een reel of werpmolen viste vooral aangewezen op lijnen van gevlochten zijde of op een enkeldraads uit zijderupsen gewonnen product, het ’silk’ of ‘gut’, dat voor gebruik eerst geweekt moest worden. Die lijnen waren vooral op een werpmolen lastig te gebruiken. De nylonlijn was een uitkomst, zowel vanwege zijn betrouwbaarheid en relatieve duurzaamheid als vanwege het feit dat hij glad en veerkrachtig en dus enigszins springerig was, wat het werpresultaat belangrijk ten goede kwam. De nylon lijn hoefde bovendien niet regelmatig geïmpregneerd te worden en het lastige voorweken behoorde nu ook tot het verleden.
Een Amerikaanse uitvinding
‘Nylon’ was een Amerikaanse uitvinding. Het materiaal, met de verkorte chemische naam ‘polyamide 66′ (ook wel polyamide 6.6 of 6-6), werd ontwikkeld door een researchgroep van het chemische bedrijf DuPont in Wilmington, Delaware. Deze groep stond als geheel onder leiding van de chemicus dr. Wallace H. Carothers, die formeel als de uitvinder van het nylon geldt. Het is echter feitelijk een ander lid van zijn team, dr. Gerard J. Berchet, aan wie deze eer toekomt. Berchet was namelijk degene die vanaf begin 1935 het specifieke onderzoek naar synthetische polymeren leidde en die het chemische proces uitvoerde dat op 28 februari 1935 leidde tot de vervaardiging van de stof ‘polyamide 66′.
De geboortedatum van ons nylon is dus 28 februari 1935 - schrijf het op de verjaardagskalender, want de gebeurtenis is het zeker waard om te vieren. Het materiaal werd aanvankelijk aangeduid als ‘fibre 66′. Het werd, na een periode waarin het in het diepste geheim gereed gemaakt werd voor productie, op 20 september 1938 gepatenteerd op naam van het bedrijf DuPont en op die van dr. Carothers - een postuum eerbetoon, want Carothers, die aan depressies leed, had in april 1937 zelfmoord gepleegd. Pas een maand na het patenteren, in oktober 1938, kreeg het materiaal na lang wikken en wegen (een verhaal apart) een commerciële naam: via ‘norun’, ‘nuron’, nulon’, en ‘nilon’ kwam men uit op ‘nylon’. Die naam werd al snel zozeer een begrip, dat hij mettertijd feitelijk van handelsnaam tot materiaalnaam is gepromoveerd.
Nylonvezels werden voor het eerst commercieel toegepast bij de fabricage van tandenborstels, ter vervanging van het tot dan toe gebruikte varkenshaar. Dat was in oktober 1938. Precies een jaar later, in oktober 1939, werden ze al op kleine schaal gebruikt voor het weven van dameskousen: de ‘nylons’. En nog in datzelfde jaar werden er voor het eerst vislijnen van gemaakt. Dat waren overigens geen enkeldraadse maar gevlochten nylon lijnen. Deze lijnen werden voor DuPont vervaardigd door de Ashaway Line & Twine Manufacturing Co. in Rhode Island. Maar ze voldeden maar matig, omdat ze in die vroege staat van ontwikkeling nog te stug en te dik waren en daarmee inferieur aan de gevlochten zijden lijnen.
Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog de export van Japanse zijde naar Amerika gestaakt werd, zette DuPont vanaf november 1941 zijn productie van nylon geheel in voor militaire doeleinden, zoals de fabricage van parachutes en nylon koord, maar later ook van zgn. karkassen voor luchtbanden, enz. Direct na de oorlog kwam nylon weer beschikbaar voor civiele producten, waaronder gevlochten vislijnen. Toen wat later ook de eerste enkeldraadse nylon vislijnen in Amerika op de markt kwamen, werden die aanvankelijk vooral verkocht in korte lengtes, als leadermateriaal of onderlijn.
Het eerste nylon in Nederland
Wanneer kregen de Nederlandse sportvissers nu precies voor het eerst de beschikking over de nylon vislijn? Dat bleek een lastige opgave om uit te zoeken. Jan Schreiner noemt het materiaal al in zijn boekje De kunst van het ’snoeken’ uit 1947. Hij heeft het daarin over “Een ondersim van Nijlon 5, 24/100 mm, het doorschijnende ‘glazen’ draadje”, dat hij in combinatie met een heel dun staaldraadje gebruikte om lastig vangbare snoeken te verleiden. Nylon was er toen dus al wel, maar misschien nog alleen als onderlijnmateriaal. Het stond ook vast dat het materiaal pas na de oorlog in Nederland kon zijn ingevoerd, dus op z’n vroegst in de tweede helft van 1945, maar vermoedelijk later, omdat het wat betreft import uit Amerika niet tot de producten behoorde waaraan in die periode van grote schaarste het eerst behoefte was, terwijl de productie van nylon in Europa (onder licentie van DuPont) nog moest worden opgestart. Het is dan ook het meest aannemelijk dat de nylon vislijn pas ergens in de loop van 1946 in Nederland op de markt is gekomen.
Dat vermoeden wordt ondersteund door een berichtje in het maandblad De Nederlandsche Hengelsport van november 1946. Daarin schreef een zekere heer J. Pier uit Amsterdam:
“Nu er overal Nylon-vischlijnen te koop worden aangeboden, moge het wellicht dienstig zijn er op te wijzen, dat “Nylon” een weinig betrouwbaar materiaal is. Deze synthetische vezel, gemaakt uit kolen, water en lucht, is zeer onregelmatig van samenstelling. Daardoor kan een nieuwe lijn bij bijv. de tweede karpervangst eenvoudig afbreken. Bij de eerste maal treedt een rek van ca. 20 pCt. op. Deze rek blijft en hier of daar ontstaat tevens een zwakke plek. Voor zeelt, snoek, snoekbaars of karper is het m.i. niet raadzaam Nylon te gebruiken, want de teleurstelling blijft niet uit. Voor de kleinere vischsoorten is het echter prachtig.”
Wantrouwen dus bij de heer Pier, maar tegelijk ook de belangrijke mededeling dat ‘Nylon-vischlijnen’ nu - dus in het najaar van 1946 - al overal te koop worden aangeboden. En gezien de formulering was dat kennelijk nog niet zo lang het geval. Ik vermoed dan ook dat de nylonlijn omstreeks het begin van het visseizoen 1946, dus vanaf ongeveer juni 1946, voor de Nederlandse sportvissers beschikbaar is gekomen. Wie nadere informatie hierover heeft, al zijn het bijvoorbeeld maar puzzelstukjes in de vorm van advertenties uit die tijd, wordt van harte uitgenodigd te reageren.
De eerste nylonlijnen die in Nederland werden geïmporteerd, waren van Frans fabrikaat. In Frankrijk maakte het bedrijf Rhodia onder licentie van DuPont het originele nylon, d.w.z. lijnen van ‘polyamide 66′ met de gepatenteerde en beschermde merknaam ‘nylon’. Enkele jaren later, in 1949, kwamen er ook vislijnen uit Duitsland op de markt. Die waren gemaakt van het sterk op nylon lijkende ‘polyamide 6′, een materiaal dat op 29 januari 1938 door dr. Paul Schlack van het chemiebedrijf IG-Farben in Berlijn was uitgevonden en dat gepatenteerd werd onder de handelsnaam ‘perlon’. De voortrekker bij de fabricage van perlon vislijnen was dr. Karl Plate, de grondlegger en naamgever van het Duitse bedrijf dat de bekende Platil-lijnen ging maken.
Uit Amerika werden aanvankelijk vrijwel geen enkeldraads nylon vislijnen naar Europa geïmporteerd. Daar concentreerde DuPont zich nog geruime tijd op de productie van het halffabrikaat (de dunne draden) voor de fabricage van gevlochten vislijnen: lijnen van nylon en wat later ook van de in 1948 ontwikkelde kunstvezel dacron. Door het wijdverbreide gebruik van de reel in Amerika, die daar veel populairder was dan de werpmolen, was de belangstelling voor deze gevlochten lijnen, die beter voor de reel geschikt waren, daar tot lang na de oorlog veel groter dan voor het stuggere massieve nylon. Pas in 1958 kwam DuPont met een sterk verbeterde - vooral meer soepele - lijn van enkeldraads nylon, onder de merknaam Stren.
Nylon door de jaren heen
Aanvankelijk was het nylon naar de huidige maatstaven nog erg zwak in verhouding tot zijn diameter. Jan Schreiner geeft in de 1e druk van Flitsend Nylon (1950) de breeksterktes op, en die zijn identiek aan de waarden die vermeld staan achterop een houten spoeltje nylon uit die tijd van het merk Water Queen, een van de Franse merken waaronder het fabrikaat van Rhodia werd verkocht. Deze waarden zijn als volgt:
Trekkracht van Rhodia (DuPont) nylon in 1950
| 0,10 mm | 0,50 kg | 0,20 mm | 1,40 kg |
| 0,12 | 0,65 | 0,22 | 1,65 |
| 0,14 | 0,80 | 0,24 | 2,00 |
| 0,16 | 1,00 | 0,26 | 2,35 |
| 0,18 | 1,20 | 0,28 | 2,70 |
Nylon van 0,20 mm diameter had toen dus een trekkracht van 1,4 kg, vermoedelijk gemeten in droge staat. Dat was in 1976 al opgelopen naar 2,0 kg voor het Rhodia nylon. Dit Franse nylon was over het algemeen wat soepeler dan het Duitse product, dat volgens de eigen opgave weer wat meer trekkracht had. Platil Universal uit 1976 trok bijvoorbeeld bij 0,20 mm 2,5 kg, terwijl het extra sterke Platil Stark bij die diameter toen al 2,9 kg trok. Een goede nylonlijn van een betrouwbaar merk dat niet al te veel liegt, trekt bij 0,20 mm tegenwoordig al ruim 4 kg. Kortom, nylon is in de afgelopen zestig jaar geleidelijk aan ongeveer drie keer zo sterk geworden.
Het onderscheid tussen Franse (nylon) en Duitse (perlon) vislijnen is overigens inmiddels vervaagd. Van de Duitse lijnenproducent Monofil-Technik vernam ik dat wereldwijd de meeste polyamide kwaliteitslijnen tegenwoordig gemaakt worden van polyamide 6/66 (PA 6/66), een zgn. copolymeer, waarvan ieder molecuul bestaat uit een deel PA 6 (perlon) en een deel PA 66 (nylon).
Deze sterk toegenomen trekkracht per diameter van nylon heeft ook consequenties voor de verhouding tussen de lijndikte en hengel. Hoewel de trekkracht van nylon inmiddels verdrievoudigd is, blijken in tal van boeken en tijdschriften en op websites de vertrouwde verhoudingen die Jan Schreiner al in de jaren vijftig heeft geformuleerd nog ruimschoots onveranderd aanwezig. Bijvoorbeeld: op een 10-grammer hoort 0,20 mm nylon thuis, op een 8-grammer 0,18 mm, op een 4-grammer 0,14 mm, enz. Daar mag onderhand wel eens over worden nagedacht. We kunnen het inmiddels in principe met veel dunnere lijnen af, waardoor we een stuk verder zouden kunnen werpen, terwijl we dan ook minder last hebben van zijwind of stroming in het water. Maar we kunnen ook een kleinere stap zetten en kiezen voor enigszins lichtere lijnen, terwijl we tegelijkertijd de slip wat losser zetten dan voor die lijn passend is. We belasten de hengel dan ongeveer evenveel als vroeger, met het zwakkere en dikkere nylon, maar we werpen verder met de toch wat dunnere lijn en houden tegelijkertijd nog wat reserve over voor hangers of kritieke situaties. Het is allemaal net wat men wil, niets moet, maar het is in ieder geval wel een overdenking waard.
Trekkrachten en diameters
Het is plezierig dat het nylon in de loop der tijd zo veel aan trekkracht gewonnen heeft, maar het is erg jammer dat de commercie daar nog eens een schep bovenop heeft gedaan. In de onderlinge wedijver om zoveel mogelijk trekkracht per diameter aan te bieden, wordt namelijk door tal van merken soms ontstellend gelogen. Diameters worden meestal dunner voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn en trekkrachten worden soms zo enorm aangedikt dat het bijna lachwekkend wordt. Wat moeten we nog geloven? Niet veel, vrees ik.
Toch bestaan er, voor zover ik het kan beoordelen, in ieder geval twee, weliswaar niet objectieve, maar toch redelijk betrouwbare opgaven van wat een goede nylonlijn (polyamide monofilament) tegenwoordig maximaal aan trekkracht kan hebben. Namelijk die van het Duitse bedrijf Stroft en van de eveneens Duitse fabrikant Monofil-Technik, die tegenwoordig onder meer de Platil-lijnen maakt. Zij bereiken die waarden in hun meest hoogwaardige lijnen, resp. Stroft-GTM en Platil-Souverän. Nogmaals, beide firma’s beschouwen hun eigen producten en gaan daarmee uit van hun eigen kunnen, maar ze hebben in hun publicaties wel steeds blijk van gegeven van openheid en het nastreven van correcte metingen, terwijl hun bevindingen ook overeenkomen met de waarden die we bij andere gerenommeerde merken en in onafhankelijke tests tegenkomen. Die huidige maximale waarden zijn als volgt:
| Diameter | Stroft GTM | Platil-Souverän |
| 0,10 mm | 1,4 kg | 1,2 kg |
| 0,12 | 1,8 | 1,6 |
| 0,14 | 2,2 | 2,2 |
| 0,16 | 3,0 | 2,7 |
| 0,18 | 3,6 | 3,3 |
| 0,20 | 4,2 | 4,0 |
| 0,22 | 5,1 | 4,6 |
| 0,25 | 6,4 | 6,2 |
| 0,28 | 7,3 | 7,4 |
Deze waarden zijn onderling niet helemaal gelijk, maar ze geven toch een goed beeld van wat men maximaal van een nylon lijn kan verwachten, ervan uitgaand dat de opgegeven diameter redelijk klopt. Dat laatste betekent dat die diameter binnen de productietolerantie van 0,01 mm blijft en dus niet meer dan 0,01 naar boven afwijkt - afwijkingen naar beneden komen bij de diameters van vislijnen net zo weinig voor als bij de slager, waar het ook altijd toevallig ‘een onsje meer’ is. Helaas wordt eerlijkheid bij de opgaven van diameters en trekkrachten niet beloond, maar stellen de eerlijke lijnmerken zich juist op achterstand ten opzichte van hun in mindere of meerdere mate liegende concurrenten. Alleen goede, onafhankelijke metingen en daaraan verbonden keurmerken, zoals verstrekt door de EFFTA (European Fishing Tackle Trade Association), kunnen daar op termijn misschien wat verbetering in brengen. Een kijkje op de website met tests van de EFFTA is overigens ontnuchterend. Zo is er bijvoorbeeld een lijn (Falcon Planet) waarvan als diameter 0,20 mm wordt opgegeven, maar die nagemeten ruim 0,26 mm dik blijkt te zijn, terwijl de beweerde trekkracht van 6,35 kg het bij nameten niet verder brengt dan 3,70 kg. Dergelijk bedrog is helaas geen uitzondering. Les: zet bij voorbaat altijd vette vraagtekens bij de opgaven op nylonspoeltjes of in advertenties.
Wat nu te doen bij gebrek aan zekerheid? Kies, naar mijn smaak, in ieder geval voor een lijn van een gerenommeerd merk, en daarvan dan vaak nog liever de aloude, beproefde standaardlijn dan een met veel tam-tam aangeprezen opgefokte variant. En laat je vooral niet verleiden door onwaarschijnlijke beloften over geweldige trekkrachten. De beste grondstoffen en productiemethoden leiden in het beste geval ongeveer tot de resultaten in het hierboven afgebeelde tabelletje. En die resultaten zijn mettertijd slechts geleidelijk aan verbeterd, dus geloof niet te snel in de revolutionaire doorbraken die advertenties steeds weer melden. Overigens is trekkracht niet allesbepalend. Bedenk dat soepelheid en veerkracht misschien wel te prefereren vallen boven extra trekkracht, die doorgaans ook met meer stugheid gepaard gaat. Daarover zo iets meer.
Zelf gebruikte ik vroeger, in de jaren zeventig, graag nylon dat door Rhodia was gefabriceerd, maar dat ook onder allerlei andere merknamen te koop was, bijv. als Tortue Nacrita. Het was fijn spul: soepel en betrouwbaar. Dat gold ook voor Platil. Daarna probeerde ik op aanraden eens Maxima Chameleon, dat me inderdaad goed beviel, vooral nadat ik er met 0,17 mm eens een half matras mee naar boven kreeg. Aan Maxima bleef ik jarenlang hangen, tot ik in de loop van de jaren negentig in de gaten kreeg dat die lijn door andere merken toch wel erg werd ingehaald wat betreft trekkracht per diameter. Tegenwoordig gebruik ik meestal Berkley Trilene XL, vooral omdat het een heel soepele lijn is met weinig geheugen: dat werpt prettig en zorgt voor een goede aasaanbieding. De lijn heeft daarbij een flinke trekkracht per diameter en is betrouwbaar. Maar ook een goed merk als Berkley is op zichzelf helaas nog geen garantie dat ál zijn producten deugen, want ik had teleurstellende ervaringen met een andere lijn van dit merk (Trilene Maxx). Ongetwijfeld zijn er lijnen van andere merken die net zo goed, of voor bepaalde doeleinden zelfs beter zijn, dan die waar ik voor heb gekozen.
Rek en soepelheid
Tenslotte nog een belangrijk punt. Ik vind zelf, zoals gezegd, de soepelheid van een lijn erg belangrijk. Het kan zijn dat een soepele lijn van bijv. 0,25 mm beter werpt en voor een betere presentatie zorgt dan een voorgerekte extra sterke lijn van 0,22 mm, die dezelfde trekkracht heeft, maar die uiteindelijk - hoewel dunner - toch stugger is. Ik vind ook de veerkracht van een lijn belangrijk, omdat ik meestal relatief dunne lijnen gebruik in verhouding tot de vissen die ik wil vangen en dan helpt de rek goed bij het opvangen van krachtsexplosies en bij het drillen. Maar voor kunstaasvissen kan ik me de voorkeur voor een lijn met minder rek voorstellen - hoewel ik zelf ook dan de soepelheid belangrijker vind. Bij afstandvissen ligt de keuze voor een lijn met weinig rek wel voor de hand.
Maar wat je ook kiest, houd altijd in gedachte dat soepelheid en rek precies dezelfde eigenschappen van een enkeldraads - dus massieve - lijn zijn. Of misschien beter gezegd: het zijn twee gezichten van één eigenschap, namelijk van elasticiteit. Dat valt gemakkelijk te begrijpen als je je de lijn sterk vergroot voorstelt als een staaf van rubber. Als je die in een halve cirkel buigt, wordt het materiaal in de ‘binnenbocht’ samengeperst en in de ‘buitenbocht’ opgerekt. Tegelijkertijd wordt ook de diameter wat vervormd: van rond naar ovaal. Het gemak waarmee dat allemaal gaat, is afhankelijk van de elasticiteit van het materiaal, dus van de rek. Hoe meer rek hoe soepeler de staaf buigt. Voor een lijn van massief nylon geldt precies hetzelfde principe (voor gevlochten lijnen níet). Rek en soepelheid in massieve nylon vislijnen zijn dus onverbrekelijk met elkaar verbonden. Een heel soepele lijn met weinig rek is dan ook een tegenstrijdigheid en dus onzin, ook al staat het in tal van advertenties. Ik meen dat Richard Walker dit allemaal al lang geleden eens heeft uitgelegd, maar helaas zonder wijdverbreid en blijvend succes. Ook ik reken daar maar niet op.





