Op zoek naar de koning van British Columbia - deel 2/2
Op één van de vroege ochtenden hoorden we tijdens het inslaan van wat lokale vliegen - je hebt er natuurlijk nooit genoeg al heb je er veel - dat er een Grizzly encounter was geweest aan de rivier, minder dan 200 meter van een plaats waar wij ook al eens met de raft waren geland. We hebben de gids die het overkwam zelf gesproken. Die man zag er helemaal niet goed uit; wel fysiek ongeschonden maar mentaal nog flink beschadigd. De beer was een kijkje komen nemen toen hij een zalm aan het bereiden was aan de rivier; wat natuurlijk vragen om moeilijkheden is. Nou was dat een jonge beer en de gids was er in geslaagd de beer af te schrikken met een bijl (“I swung an axe at him”). Mijn vader had dat verhaal met enig scepsis stilzwijgend aangehoord en hem toen plotseling gevraagd: “let me guess: you sell axes, don’t you?”. Dus dat was wel even lachen. Gids Jeroen verzekerde ons dat hij de bewuste gids kende en dat het verhaal van de ontmoeting ongetwijfeld klopte.
Hoe dan ook, daags erop stond ik vrij diep in de rivier, maar een halve kilometer of zo van de plaats van dat incident, en ik haak een King. Ik begon maar vast naar de kant te waden want ik had wel een beeld van wat er te gebeuren stond. En ja, de vis schoot opeens als een kogel naar de snelle secties van de rivier. Dus het bekende ritueel volgde: lijn strakhouden en langs de oever mee rennen om de vis bij te houden. Nou komt er een moment – als de vis niet losschiet natuurlijk - dat de vis binnen moet komen en dat doe je niet door de lijn zo veel mogelijk op de reel te krijgen; je verliest dan alle rek, die er toch al zo beperkt is met een vliegenlijn en volglijn (de leader is meestal maar tot anderhalve meter lang) en dus moet je naar achteren gaan lopen, net zolang tot je de vis kunt “beachen”. Nou vindt zo’n zalm dat helemaal niks, dat beachen, en dus zijn dat hachelijke taferelen waarbij het water hoog opspat omdat de zalm z’n laatste runs maakt op dertig centimeter water… een schitterend gezicht! Maar ik denk dat ik bij dat naar achteren lopen op de rivierbank nog nooit zo vaak over m’n schouders naar achteren heb gekeken als tijdens die dril. Zo’n verhaal met een Grizzly kruipt dan toch onder je huid. De beer bleef weg, de vis kwam binnen en die woog rond de 30 pond. En dan zit je wel even na te genieten hoor!
De dag erna haakte ik op de rand van de snelle stroming en een wat rustiger gedeelte weer een naar het zich liet aanzien grote vis. Omdat de vis een beetje bleef bokken en trekken maar eigenlijk niet van z’n plaats kwam dacht ik in eerste aanleg aan een grote Chum. Ik riep dan ook naar Derek: “Chum!”. Derek keek naar de hengel, waarvan zes, zeven ogen in het verlengde van de lijn stonden, en riep terug: “Could be a Chinook, I’ve seen this before”. De vis bleef rustig. Minuten verstreken maar van de vis naar mij toe krijgen was geen sprake, het had er eerder de schijn van dat de vis helemaal niet wist dat hij gehaakt was. Ik bewoog maar vast richting de oever en kwam aan land. Achter mij hoorde ik “Ja!”. Ik keek naar Pa die een meter of vijftig verderop met een dubbelgevouwen hengel stond te gebaren dat Derek moest komen. “You hold this fish, right, as I’m gonna help your dad, OK?” zei Derek. Hij verdween richting Pa.
Na een halve minuut komt mijn Abel reel tot leven en begint de reel in een misselijk makend tempo lijn af te geven. Ik houd de boel zo strak als mogelijk – dat is maatwerk, de leader heeft een trekkracht van twintig pond dus als het buigen of barsten wordt dan is het 100% zeker de hengel die barst – maar er is geen houden aan. Nadat meer dan de helft van de backing is verdwenen besluit ik, gids of geen gids, te gaan rennen. Na driehonderd meter over de keien en twee bomen ben ik op gelijke hoogte met de vis en kan ik de lijn flink verkorten. Weer een schot richting zee. Weer rennen, wat met waadpak en waadschoenen over blokken en stronken niet direct heel comfortabel is. Pa en Derek kan ik inmiddels niet meer zien. Nu wordt het penibel, want de rivierbank waarop ik sta eindigt over een meter of twintig met een onderbreking door een zijrivier.
Ik draai de slip nog twee tandjes aan. Nu staat de bovenste twee meter hengel naar de vis gevouwen en voel ik het laatste beetje kracht uit mijn TCX wegvloeien. Breuk hangt heel nadrukkelijk in de lucht. In de verte komt Derek weer aangehold. Ik vrees hevig voor een laatste run naar zee; als de vis nu nog één keer besluit het ruime sop te kiezen en de hoofdstroom bereikt gaat het beslist fout. Maar de vis lijkt juist met de kop stroomopwaarts te liggen, ik kan hem inmiddels op een meter of dertig uit de kant in de oppervlakte zien slaan. Op instructie van Derek loop ik ver naar achteren, blokkeer ik uiteindelijk de slip en zie ik hoe Derek de vis in het net krijgt. Ook zie ik hoe hij zijn handen voor z’n mond slaat en dan naar mij op de oever roept: “That’s a big girl, man!”
Ik draai de volglijn op en kijk in het net. Een grote Chinook. Ik kan de vis vervolgens nauwelijks voor de foto omhoog houden want ik krijg mijn hand er ook niet goed onder, ze is veel te breed. Na een lengte en omtrek maat te hebben genomen is de conclusie dat de vis “in the low forties, but definitely in the forties” zit. Ze haalt net geen één meter tien…
Dat ik, terug bij Pa, die mij omstandig feliciteert en zich verontschuldigt voor het feit dat zijn knieën echt geen halve kilometer gestruikel langs de oever toelaten, op de eerstvolgende worp weer een King haak en land - maar nu een kleine, iets gekleurde, wat er op duidt dat de vis even in de “tidal section’ heeft gezeten alvorens op te trekken - doet er niet meer toe. Genoeg is genoeg. We poseren met de kleine Chinook en gaan daarna langdurig ons geluk overdenken.
Wat moet je verder nog van zo’n trip beschrijven? Dat vliegvissen ontstellend productief kan zijn en niet alleen moeilijk doen is? Dat we op de laatste middag ons helemaal klem hebben gevangen aan Chum’s en haast elke worp een vis tussen 12 en 20 pond opleverde? Dat we uiteindelijk meer dan 200 zalmen hebben gevangen? Ik denk het niet.
Wat nog wel onderbelicht is gebleven, is de natuur. Sprookjesachtig mooi. De rivier, de bomen, de besneeuwde toppen erachter, de stilte, de vele arenden in de lucht, de vogeltjes die over het wateroppervlak scheren. De wolkenluchten. Alles even mooi… Met als rode draad de altijd aanwezige rivier, soms laag, soms hoog, altijd mooi en indrukwekkend. Het verblijf in de Pioneer Lodge is ons goed bevallen. Onze hoop dat wij in navolging van Rusland een paar kilo kwijt zouden raken werd echter niet bewaarheid. Daarvoor leggen Pip & Jezz je te zeer in de watten, het was beslist “truly excellent” en de ambiance droeg belangrijk bij aan de hele ervaring.
Het team van Jeroen, dat verder wordt gevormd door Derek, Manon en David, is op en top professioneel en resultaatgericht, niet alleen in termen van vis maar ook van het welzijn van de vissers, die hier nu eenmaal klanten zijn. We zijn dan ook bepaald onder de indruk van de Skeena River Lodge experience maar zijn enigszins bevreesd dat wanneer op grote schaal bekend wordt wat Jeroen hier presteert het vissen met hem er niet eenvoudiger op gaat worden. Hij heeft het nu al erg druk maar dat zal alleen maar erger worden nu ook zijn internationale faam snel toeneemt.
En ja, we hebben nu het plaatje van het zalmvissen completer gekregen. Niet dat we nu experts zijn, maar we zijn inmiddels, en niet zonder succes, zowel in het walhalla voor de Atlantische zalm geweest, Kola, als in het epicentrum van de Pacifische zalm, de Skeena regio. Een paar woorden nog daarover. Wat Rusland biedt is naast het vissen ook introspectie, om niet te zeggen een welhaast psychedelische trip. De taal, de grauwheid van Rusland, de leegte van oost Kola, de onvermijdelijke wodka, het niet donker worden, het draagt allemaal bij aan het gevoel van desoriëntatie. Als je daar aan de rivier zit, honderden kilometers van zelfs maar een rudimentair bewoonde wereld, met alleen een afspraak met een helicopter om je weer op te halen, dan ben je je bewust van het feit dat dit alles niet meer alleen over een hobby gaat. En de omgeving daar appelleert hevig aan dat gevoel; en daar zijn, in die leegte, voelt heel natuurlijk aan. Het verblijf daar is dan ook een soort van bewustwording: dit is nu wat we als mens honderdduizenden jaren achtereen hebben gedaan, en niet het vissen in zo’n gebied voelt daarom als buitenissig, onze moderne maatschappij lijkt dat te zijn.
Maar dat gezegd hebbende is onze conclusie dat voor wat betreft de vissen zelf de Skeena regio superieur is aan Kola. Want aantallen, formaat, de kracht, alles valt dan in het voordeel uit van de Pacifische zalm. Maar… er is wel een maar. Want die Pacifische zalm moet diep worden gezocht en dus, afgezien van de steelhead, worden bevist met zware sinktips. Dat moet je liggen, en het is heel wat anders dan met een drijvend lijntje een Atlantische zalm verleiden, die de vlieg ook niet zelden van de “surface” wil halen. Wat je als eleganter, gracieuzer en ook visueel aantrekkelijker kan zien. Daarom geven veel vissers op Atlantische zalm niets om Pacifische zalm; de “manier waarop” spreekt hen simpelweg niet aan.
De ook vaak gehoorde tegenwerping van de hardcore Atlantische zalmvisser dat hij niet wil vissen op een vis die na het optrekken dood gaat moet iedereen maar even op zich laten inwerken.
Wij zelf hebben dat ook gedaan en we zijn tot de slotsom gekomen dat we daar geen boodschap aan hebben; de vis wordt “fresh from the ocean” gevangen, net als een Atlantische zalm, en we spannen ons natuurlijk tot het uiterste in voor een “safe release”.
Die zalm zwemt weer weg, het water spat daarbij hoog op en wat er daarna gebeurt is niet aan ons mensen maar aan de natuur. En als (zalm)vissen ons iets heeft bijgebracht dan is het het besef dat het is zoals het is. De natuur heeft altijd het laatste woord.
De klassieke multireel
De ‘multiplying reel’, ook wel ‘multiplier’ of in het Nederlands ‘multireel’ genoemd, is een reel met een versnellend inhaalmechanisme, waarmee hij dus verschilt van de simpele centrepin reel. Het is een Britse uitvinding uit de 18e eeuw.
Blijkens advertenties uit de periode 1760-1770 van de Londense maker van hengelsportmateriaal Onesimus Ustonson waren ‘multiplying brass winches’ toen in ieder geval al een bekend begrip. Afgaand op de oudst bekende afbeelding van zo’n reeltje, in deel 2 van William Barker Daniels boek Rural Sports uit 1802, waren die vroege multireels nog vrij onhandige, zwak geconstrueerde messing gevalletjes. Maar desondanks werden ze in de eerste decennia van de 19e eeuw in Engeland al algemeen gebruikt.
In de eerste helft van de 19e eeuw werden de multireels sterk verbeterd. Dat gebeurde enigermate in Engeland, maar vooral in Amerika en met name in de staat Kentucky. De vader van de ‘Kentucky reel’ - indertijd de gebruikelijke aanduiding voor de ‘multiplying reel’ - was de horlogemaker en zilversmid George Snyder.
Zijn reels dateren van tussen 1820 en 1844. Naar zijn voorbeeld werden vanaf 1833 in toenemende aantallen Kentucky reels gemaakt door diverse andere ambachtslieden in die staat, zoals de broers J.F. en B.F. Meek en B.C. Milam. Deze reels werden vooral gebruikt voor ‘baitcasting’: het werpen met niet al te licht kunstaas, zoals pluggen en lepels.
Aan het begin van de 20e eeuw hadden de multireels in Amerika al een hoge graad van kwaliteit en functionaliteit bereikt en werden ze in grote hoeveelheden geproduceerd en voor een deel ook geëxporteerd naar Europa en elders.
A.B. Urfabriken (ABU)
In Svängsta, in Zuid-Zweden, was sinds 1921 de A.B. Urfabriken (N.V. Uurwerkenfabriek) gevestigd, vanaf eind jaren ‘50 bekend als ABU. Deze firma fabriceerde vooral gespecialiseerde uurwerken, met name taximeters en telefoontellers.
Juist toen het bedrijf in 1939 een zeer handzame moderne taximeter had ontwikkeld en daarmee de markt wilde veroveren, brak in september van dat jaar de Tweede Wereldoorlog uit. Dit bracht enerzijds brandstofschaarste met zich mee - minder taxigebruik dus - en verlamde anderzijds voor het grootste deel de overzeese export. Beide omstandigheden deden de afzetmogelijkheden voor taximeters de das om. Daarom schakelde de fabriek eind 1939 over op de productie van werpreels. De eerste modellen kwamen in 1940 op de markt onder de merknaam Record (pas vanaf 1957 werd de merknaam ABU gebruikt) en waren gebaseerd op de Amerikaanse multireels die voor de oorlog in Zweden populair waren.
In de Record-catalogus van 1941 wordt hierover gezegd (mijn vertaling):
“99% van de werpreels die tot nu toe in ons land gebruikt worden, werden geïmporteerd vanuit Amerika. Deze import is nu opgehouden, maar sportvissers hoeven zich geen zorgen te maken. Er zijn nu in Zweden gebouwde reels, gefabriceerd en van een garantiestempel voorzien door A.B. Urfabriken, Svängsta.”
En er werd meteen een ‘advertorial’ uit de krant Svenska Dagbladet van 12 november 1940 geciteerd, waarin de kwaliteit van deze reels ten opzichte van de Amerikaanse multireels werd aangeprezen:
“Record werpreels gefabriceerd door A.B. Urfabriken hebben bewezen van minstens zo goede kwaliteit te zijn als de betere Amerikaanse reels, waarvoor de import in de toekomst niet meer nodig lijkt. Record reels worden in vijf verschillende modellen gemaakt, uiterlijk gelijk aan de Amerikaanse, maar met een verbeterd mechanisme. Bij het testwerpen met de Record 1800 werden minstens zulke goede afstanden behaald als met de beste Amerikaanse reels.”
Vrijloopmechanisme en centrifugale rem
Of de vroege Record reels in de praktijk inderdaad konden wedijveren met de beste vooroorlogse Amerikaanse reels, zou ik niet durven beamen. Ik heb geen van beiden ooit gebruikt.
Duidelijk is wel dat de beste reels die vóór 1940 in Amerika werden gebouwd in ieder geval uiterlijk de indruk geven al bijzonder hoogwaardige staaltjes van ambachtelijk vakmanschap te zijn. De meest geavanceerde vooroorlogse Amerikaanse modellen zien er bepaald indrukwekkender uit dan de eerste Record-reels uit de jaren 1940-1944. Maar met de introductie van de Record 2100 Sport in 1945 bereikten ook deze Zweedse multireels een voor die tijd hoge graad van perfectie. De 2100 Sport was namelijk de eerste Record-reel met een vrijloopmechanisme (d.w.z. de transmissie en de slinger draaiden tijdens de worp niet met de spoel mee, waardoor verdere worpen mogelijk waren) én het was de eerste reel met de door A.B. Urfabriken gepatenteerde centrifugale rem. Deze rem verminderde de kans op ‘backlash’ (pruiken werpen) aanzienlijk, terwijl ook het vrijloopmechanisme daaraan bijdroeg (minder vliegwielwerking).
Overigens was het vrijloopmechanisme op multireels geen nieuwtje van de A.B. Urfabriken, maar een Amerikaanse uitvinding. Het oudste patent erop dat mij bekend is, werd op 12 december 1933 verleend aan een zekere Ira L. Spenny uit Ohio, een brillenmaker van beroep. (Zie: http://www.freepatentsonline.com/1939148.html , waar een link naar het PDF-document van het patent staat.)
De overbrenging (versnelling)
De oorspronkelijke aanduiding multiplicator (vermenigvuldiger) duidt bij de multireel op de overbrenging, dus de versnelling die de spoel krijgt bij het draaien aan het hendeltje. Een versnelling van 1 op 4 (of 1:4) betekent bijvoorbeeld dat één omwenteling van de hendel leidt tot vier omwentelingen van de spoel.
Daarbij geldt het simpele mechanische principe dat hoe groter de versnelling is, hoe zwaarder het inhalen gaat en hoe geringer de kracht die je daarbij kunt zetten. Er zal dus een juist evenwicht gekozen moeten worden tussen de snelheid en kracht die gewenst zijn en die keuze is allereerst afhankelijk van het soort visserij. Zware bootvisserij op haaien bijvoorbeeld vereist veel kracht en maakt dus een geringe versnelling noodzakelijk. Maar de geleidelijke verbeteringen in het mechaniek (m.n. de overbrenging) van een reel laten soms ook een grotere versnelling toe, zonder dat dit de reel veel zwaarder doet draaien. Last but not least doet ook de marketing en daarmee de mode een duit in het zakje, wat mettertijd in grote lijnen tot steeds snellere reels heeft geleid. Die hogere snelheid wordt namelijk steevast als winstpunt aangeprezen - typisch eigentijds - waarbij het nadeel van krachtverlies doorgaans verzwegen wordt.
De oude Kentucky reels uit de 19e eeuw, die gebruikt werden voor het ‘baitcasting’ op ‘bass’ (een vrij snelle kunstaasvisserij), hadden veelal een overbrenging van 1:4 of daaromtrent en deze werden dan ook aangeduid als ‘quadruple multipliers’. Eigenlijk was dat nog betrekkelijk snel vergeleken met de oudere types Record-reels uit Zweden, die sinds begin jaren ‘40 van de 20e eeuw een versnelling van 1:3,33 hadden. De Ambassadeur 5000 en 6000 reels, die in de jaren ‘50 op de markt kwamen, waren al wat sneller, met een overbrenging van 1:3,6 (feitelijk 1:3,56). In 1974 - de Record-reels waren inmiddels ABU gaan heten - kwamen er daarvan ook high speed modellen met een overbrenging van 1:4,7 (feitelijk 1:4,66), wat vervolgens in 1985 de ‘geüpgrade’ overbrenging van de standaard 5000 en 6000-modellen werd. Zo werd de versnelling van de ABU-reels in de loop der jaren geleidelijk aan steeds verder opgevoerd. Inmiddels is de snelheid van de standaard 5000 en 6000-modellen 1:5,3 en die van de high speed modellen1:6,3. Voor sommige doeleinden waarbij enige kracht een vereiste is, bleek dit toch wat te veel van het goede, zodat ruimte ontstond voor extra langzame ‘winch’-modellen met een 1:3,8 overbrenging - die daarmee dus nog altijd iets sneller zijn dan de standaard Ambassadeurs uit de periode 1952-1985. En daarbij zijn we dan weer min of meer terug bij ‘af’.
Kogellagers
De al genoemde Record 2100 Sport uit 1945 - de eerste Record-reel met een vrijloopmechanisme - was heel geliefd bij wedstrijdwerpers en er werden veel afstandsrecords mee behaald.
In 1950 introduceerde A.B. Urfabriken een meer geavanceerde werpreel, de Record 3000 Flyer. Dit was de eerste Record-reel waarvan de spoelas op kogellagers draaide. Bovendien had de Flyer wat nauwkeuriger afstelbare lagercupjes (deze dienen als mechanische rem). Toen echter eind 1952 het paradepaardje van A.B. Urfabriken op de markt kwam, de legendarische rode Ambassadeur 5000, was deze niet voorzien van kogellagers, maar van bronzen glijlagers (buslagers). De 3000 Flyer bleef in productie tot 1957 (de 2100 Sport, die tot 1973 gemaakt werd, hield het dus als afstandsreel veel langer vol), waarna A.B. Urfabriken een aantal jaren geen reels met kogellagers meer produceerde. Die kogellagers keerden pas terug in 1963, als extra snufje van de toen geïntroduceerde peperdure ‘gouden’ Ambassadeur 5000 DeLuxe; in de normaal uitgevoerde ABU-reels verschenen ze pas weer in 1967, toen de eerste Ambassadeur 5000C modellen op de markt kwamen.
Algemeen wordt aangenomen dat met een multireel voorzien van kogellagers verdere worpen mogelijk zijn dan met een reel met glijlagers, c.q. bronzen buslagers. In kleinere kring bestaat hierover echter discussie - zoals dat overigens ook met betrekking tot de lagering van centrepin reels het geval is. Buslagers, en zeker goed ingelopen of zorgvuldig gepolijste buslagers, blijken namelijk in de praktijk minstens zo ver en soms zelfs verder te werpen dan goed geoliede kogellagers. ABU wist dat zelf ook best, toen zij haar 5000C-modellen introduceerde (de toevoeging C staat bij ABU voor kogellagering). En in dat licht bezien lijkt de herintroductie van deze kogellagers in 1963 en 1967 vooral een commerciële zet te zijn geweest waarmee de illusie van extra kwaliteit geboden werd. Terugkijkend geeft ABU dat zelf ook wel toe. In haar catalogus van 2002 valt daarover zonder omhaal te lezen (vertaald uit de Zweedse editie): ” Het C-model, de reel met kogellagers, werd al snel een succes, hoewel het eigenlijk niet verder wierp, en sindsdien worden de meeste Ambassadeurs zowel met als zonder kogellagers gemaakt.” Zo gaat dat.
In deze tijd van hevig gepropageerde high-tech RVS en keramische lagers, Rocket Fuel olie en ‘fine tuning’ (precies afstellen), waarin veel vermeende experts elkaar bovendien maar klakkeloos napraten, valt de beweerde gelijkwaardigheid van de glijlagers waarschijnlijk maar moeilijk te aanvaarden. Dat vond ook een ‘reel tuning expert’ als Tim Parratt. Die kocht op een dag een oude Ambassadeur 5000, voorzien van bronzen buslagers dus, om er tot zijn stomme verbazing achter te komen kwam dat hij daarmee verder wierp dan met zijn goed onderhouden en veel modernere Ambassadeur 4600C4, die ruim voorzien was van kogellagers, geolied met hippe Rocket Fuel. Of zoals hij zelf schreef:
“I was astounded - the 5000 out-cast the 4600C4. Thinking it was a fluke I kept on casting. Every time it was the same - the 5000 cast further. If someone told me this I wouldn’t believe them - a 5000 with two bushings and a fixed spindle design out-casting a 4600C4 with two spool bearings, a level wind bearing and an ultra-cast spool. It made no sense.”
Toch was het niet anders. Voorzichtig polijsten van de binnenkant van de buslagers, de uiteinden van spoelas en nog enkele andere kleine onderdelen bleek bovendien de werpprestaties van reels met buslagers nog te verhogen.
Overigens heb ik hetzelfde ondervonden als Tim Parratt. Ik gebruik al jaren twee tip-top onderhouden Ambassadeur 4601C3 reels, met kogellagers dus. Maar toen ik een tijdje terug mijn veel oudere en primitievere ABU 1750A om sentimentele redenen weer eens mee uit vissen nam (nieuw gekocht in 1978 en gebruikt tot ver in de jaren ‘90), was ik na al die tijd ook verrast over de onverwacht lange worpen die ik er mee maakte. Langer dan met de 4601C3 reeltjes? Ik heb het niet daadwerkelijk vergeleken, maar het zou heel goed kunnen.
Tot slot
Er valt over multireels nog oneindig veel meer te vertellen, maar ik laat het in het korte bestek van dit artikel bij deze selectieve grepen uit het leven van een nuttig en plezierig stukje techniek.
Voor wie meer wil weten over de geschiedenis van diverse merken Zweedse werpreels en molens (waaronder ABU) is het boek van Daniel Skupien een aanrader: Vintage Fishing Reels of Sweden (2002). De verreweg grootste en beste website over alle producten en achtergronden van Record / ABU is die van Wayne Real uit Australië: Real’s Reels (http://www.realsreels.com/). Hier zijn overigens ook de genoemde bevindingen en uitgebreide onderhoudstips van Tim Parratt te vinden (onder ‘Servicing’).
Een ‘Berb’ op z’n Limburgs
John Riegman is een van onze leden die regelmatig op barbeel vist. Met het Limburgse landschap als jachtgrond, weet hij zich verzekerd van een sfeervolle omgeving en een serieuze kans op bronzen barbelen. Zijn laatste verslag was er een van een uiterst succesvolle dag…
Om 03:30 uur de wekker gezet met de bedoeling om net voor zonsopgang op de plaats van bestemming aan te komen. Die plaats van bestemming is een van de vele mooie Limburgse beken. Even voor half zes arriveer ik op de eerste stek en neem ik nog even snel de van te voren bedachte tactiek door. Direct een lading voer op de stek het water in of simpel beginnen met een stukje kaas? Het is nog vroeg en mogelijk ligt er een barbeel op de stek te wachten. Ik besluit te kiezen voor het stukje kaas, althans, een tot bolletje gekneed hoopje geraspte kaas. Dat valt wat makkelijker uit elkaar bij het aanslaan en bij het zetten van de haak.
Het bolletje kaas, gekneed rond een haak maatje 8, gaat te water samen met een schuivend lood montage. Op 60 centimeter plaats ik een stuitje, rubber kraaltje en de quick connector met het lood. Dan afwijkend, op ongeveer een meter van het eerste stuitje, nog een stuitje met een olivette loodje van 4 gram. Het enigszins afgeplatte wartellood weegt zo’n 20 gram. Het olivette loodje daarachter moet de eerste meters lijn daarna op de bodem houden om te voorkomen dat de barbeel in de lijn zwemt en schrikt of valse aanbeten veroorzaakt.
Geduldig wachten is in het prachtige landschap geen straf. Een half uur na het te water laten van de montage komen de eerste tikken op de top. Even aankijken, het kan ook kopvoorn zijn. Dan is er ineens die actie en versnelling in gebeurtenissen die geen twijfel laten bestaan. De plotselinge, harde ruk aan de hengeltop en de aanslag die volgt in een reflex… hangen! Een “berb” (op zijn Limburgs), kan niet missen. Binnen milliseconden na die bevestiging volgt direct een pittige strijd. De barbeel zoekt alle lastige hoeken van de stek op. Slechts met moeite worden die vluchten gepareerd. Het spel duurt enkele minuten, dan glijdt er een prachtige barbeel in het uitgestoken landingsnet. De eerste van de dag, vroeg en snel en met 64 cm en ruim 3 kilo een mooi exemplaar. Hopelijk de belofte van meer.
Na amper een half uur is het opnieuw raak op dezelfde stek. Tussentijds heb ik met de baitdropper wat voer geplaatst. Gekiemde hennep, casters, maden en geraspte kaas. Het blijft een lekkere mix voor de barbelen. Op het vers geknede bolletje kaas volgt dus nog voor 8 uur al de tweede vis. Met 65 centimeter iets langer en minstens net zo mooi. Geweldig!
Vervolgens weer een stuk of 10 baitdroppers met aas te water gelaten op dezelfde stek, wie weet zitten er nog meer. In de hoop op het vangen van een mooie kopvoorn tuig ik nog een andere hengel op. Voorzien van een aantal maden als haakaas gaat ook deze te water. Net als ik even een moment vind om uit te rusten van de inspanningen, zie ik in mijn ooghoeken die bewuste hengeltop al heen en weer gaan gevolgd door een harde ruk. Opnieuw sla ik aan en maak contact met alweer een barbeel. Dit kan niet waar zijn?! De hengel is een stuk lichter maar heeft gelukkig voldoende ruggengraat om de barbeel veilig en snel uit te drillen. Deze derde vis in korte tijd meet 63 centimeter.
In de periode die daarop volgt sla ik nog een aantal keer mis op kleine aanbeten en valt het vervolgens een tijd stil. Die rust wordt echter even plotseling doorbroken als ze begonnen is. Opnieuw wordt met een harde ruk mijn hengel bijna uit de steunen gerukt. In een reflex sla ik aan, maar de vis heeft zich al geprikt op de haak. De eerste vissen waren sterk, maar de weerstand die ik voel bij dit exemplaar slaat werkelijk alles. Alsof ik een onderzeeboot heb gehaakt, er is geen houden aan! Eerst schiet de vis naar het midden van het water, gelukkig denk ik nog. Dan draait hij zich pijlsnel om en schiet onder de bomen door. Ik vrees het ergste. Enkele woeste rukken onder het hout maken een einde aan de dril. De lijn is gebroken, helaas.
Ik besluit toch nog even verder te vissen en laat het laatste voer te water met de baitdropper. Het apparaatje bevalt prima en heeft als voordeel dat het voer dicht bij de bodem wordt losgelaten en pas dan met de stroming wordt meegevoerd. Daardoor verspreid het aas zich niet over al te grote afstand maar blijft het in de buurt van de stek. Een prima techniek. Van het laatste beetje geraspte kaas kneed ik een enkel bolletje op de haak. Voor de verandering voeg ik er een aantal casters aan toe. Tot mijn grote verbazing sta ik binnen een kwartier opnieuw met een hoepel ronde hengel in mijn handen. Een herkansing voor de verspeelde kanjer en mijn vierde barbeel van de dag! Het blijkt ook nog eens de grootste met 72 centimeter. Geweldig afsluiter van een dag om nooit te vergeten! Hoe groot zou die kanjer zijn geweest…?
Op zoek naar de koning van British Columbia - deel 1/2
We kijken uit het raampje van het kleine Air Jazz toestel dat ons van Vancouver naar Terrace brengt, een vlucht van iets minder dan twee uur. We, dat zijn mijn vader, Willem, en ik. Beneden biedt het landschap een onherbergzame indruk. Bergen; besneeuwde toppen; en daar tussen groen en rivieren. Het vliegtuigje landt op het vliegveld van Terrace dat door niemand als zodanig zou worden bestempeld; het heeft meer weg van een parkeerterrein. Een leeg parkeerterrein wel te verstaan.
We denken nog even terug aan de aanleiding voor ons bezoek aan juist deze plek. Vorig jaar waren we in juni aan de Varzuga, in Kola, Rusland. Daar werden we onder meer “gegidst” door Jeroen Wohe. We hadden daar, door weersomstandigheden, een moeilijke week. En alhoewel Jeroen zelf ook een zwakke plek heeft voor Rusland, en begrijpelijk, gaf hij ons ter plaatse het advies: “Kom ook eens naar BC, dan heb je het volledige plaatje en kun je je pas definitief een oordeel vormen over het zalmvissen”. Want los van het weer, gaat het in Rusland om Atlantische zalm, afgezien dan van Kamchatka, in BC en Alaska gaat het over Pacifische zalm. En dat is nog een ander verhaal.
We hadden eigenlijk al daar, aan de Varzuga, besloten dat we dat hele zalmavontuur als het even kon inderdaad maar gingen verlengen in British Columbia. En zo komt het dat we nu bijna tienduizend kilometer van huis zijn. Om zalm te vangen. Onder regie van de Skeena River Lodge van Jeroen, die ter plaatse daarvoor ruime mogelijkheden biedt. Afhankelijk van het seizoen trekt er in de Skeena regio Chinook (de bekende King’s of ook Spring Salmon, zoals ze in Canada zeggen), Chum, Pink, Coho, Sockey en steelhead op. Wij hebben eigenlijk min of meer gekozen voor de Chum Salmon run, ook wel Dog Salmon genoemd, met als bijprogramma de op zijn eind lopende Chinook run en natuurlijk de alom tegenwoordige Pink Salmon, de Pink’s. Op de Chinook’s durfden we niet uitsluitend en alleen te gokken. Als je eerder gaat doe je dat qua grote vis eigenlijk wel, omdat de (ook flink grote) Chum dan nog niet voldoende optrekt.
We hadden de verhalen rond de King’s veiligheidshalve wel zeer uitvoerig bestudeerd. Het eerste wat ons opviel is dat je vaak foto’s van King’s ziet op heel weinig water en dat de vissen erg donker van kleur zijn. Dat komt omdat de vissen dan op de paaigronden zijn aanbeland waar ze ook zullen sterven. Daar aangekomen verdedigen de vissen fanatiek hun “Redds”, de kuilen in het gravel waar de eitjes zijn afgezet. En dus zijn ze eenvoudig te vangen. Veel strijd geven ze na de paai niet meer. Zo vissen is absoluut “not done”. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat de zalmen juist vers van zee worden gevangen, liefst met de zeeluis nog rond de anaalvin. Die zeeluis gaat maar een paar uur mee in zoet water en dient dus als bewijs van de onmiddellijke herkomst van zee. “Chromers” noemen ze die vers optrekkende vis. Het grote voordeel daarvan is dat de vissen dan werkelijk oersterk zijn.
Een King, zo van zee, is maar moeilijk met de vlieg te verleiden en toch is dat ons doel. “Fly Only” is het motto van onze reis en van onze lodge. Jeroen runt een vliegvisserslodge, dus meer smaken heeft hij ook niet. Elke zalmsoort heeft zo z’n eigen route in de rivieren; de Pink’s trekken dicht langs de oever, maar ook weer niet te dicht vanwege de arenden, maar een King zoekt zich een andere weg, in sneller stromende stukken. Dat pleit nu ook niet direct voor “de vlieg”, maar de tegenwoordige lijnsystemen zijn heel veelzijdig en Jeroen en zijn gidsen hebben zich min of meer gespecialiseerd in deze materie en leggen je precies uit waar de vis zwemt en waar ze rusten. De rest is techniek. De Skeena valt na aankomst ter plaatse echter af als ons jachtgebied. Het is een natte zomer in BC en het regent al enige tijd hevig. Dat heeft, zoals altijd, impact op de rivieren: ze zwellen en worden “bruin”. Voor de vlieg heb je echter een zeker doorzicht nodig, want het pakken van de vlieg gebeurt immers “op zicht”. Jeroen heeft daarom besloten float trips te maken met een raft op een andere rivier. Die ziet er veel beter uit en hij heeft daarmee de week voor ons ook het nodige succes gehad. We prijzen ons gelukkig met de uitwijkmogelijkheden.
In de lodge – we zijn ondergebracht in de Pioneer Lodge van Jezz en Pip Crosby omdat we hebben gekozen voor een wat luxere verblijfsvariant, mijn vader wordt immers dit jaar 74 – sorteren we onze spullen nadat we zijn geïnstrueerd over de alom aanwezige beren. Het belangrijkste is de uitdrukkelijke instructie “nooit weg te hollen”. Het is voor ons wel een beetje een abstract verhaal, we hebben moeite om te schakelen van het uitkijken voor het verkeer naar het uitkijken voor beren.
We hebben allebei een 14 voets hengel voor een # 9 bij ons, merk Sage, met een werpvermogen van ca. 35 gram, met daarnaast twee back-up hengels voor dezelfde lijn uit hetzelfde huis om ingeval van breuk meteen verder te kunnen. Hetzelfde geldt voor de zalmreels. Ook hebben we nog een leuk licht Switch spulletje en wat éénhandig materiaal bij ons voor de Pink’s, die zo tussen 6 en 12 pond zwaar worden. De wekker gaat de volgende morgen al om 05.00 uur, wat het regime van de week zal blijken te zijn. Ter compensatie worden we getrakteerd op een majestueuze zonsopgang.
Jeroen pikt ons al vroeg op en een goed uur later is de raft via een backchannel op weg naar de rivier zelf. Het weer is matig; het regent een beetje maar daarvoor is het hier dan ook een “ coastal rainforest”. Als je niet van regen houdt heb je hier niets te zoeken, zal Derek Barber, de Assistant Guide van Jeroen, later zeggen. Ons interesseert het niet, we hebben de ademende waadpakken aan en onze waadjacks en zijn daarmee geheel “waterproof”.
Het is wat droger als Jeroen de raft laat landen op een rivierbank en we tuigen op. In het achterhoofd zitten de cursusdagen aan het Oostvoorne, de masterclass met Menno van Dam en de vele uren die we zelf nog in het werpen hebben gestoken.
We zullen de vis diep, langs de bodem, moeten zoeken. Afhankelijk van de zalmsoort en de plek in de rivier kan dat variëren. De hengels zijn opgetuigd met drijvende Skagit lijnen, in deze contreien ontwikkelde vliegenlijnen met een gewicht van ongeveer 650 grains (ca. 40 gram) die de hengel iets overbelasten, wat kan omdat de lijn deels op het water ligt bij de worp, en die met een speciale worp in gang worden gezet en daarbij door hun massa aan de Skagit geluste 15 voets sinktips en de daaraan verbonden korte leader met zich meenemen. Vroeger wierp men met geheel zinkende lijnen, maar die moet je elke keer na de worp weer omhoog rollen voordat je de nieuwe worp kunt inzetten. Die Skagit lijnen zijn kort, acht meter of zo, en ze drijven dus, maar door de energie van de worp transporteren ze de soms als een steen zinkende sinktips, die wel tot 20 gram kunnen wegen, met redelijk gemak. Die tips werp je dus als gewicht niet met de hengel, ze hangen voor het maken van de worp in het water of liggen zelfs op de bodem, maar door de energie van de worp worden ze opgetild. Het voordeel is dat je dus blijft werken met een drijvende lijn, wat het werpen enorm vergemakkelijkt. Door een hele set verschillende sinktips in te zetten, zowel qua lengte als zinksnelheid, kun je inspelen op de situatie ter plaatse. Op de reel zit achter de Skagit lijn een meter of vijftig dunne en gladde volglijn, die bij de worp wordt losgelaten zodat afstanden rond 30 meter binnen bereik komen. En achter die volglijn zit 300 meter backing, op advies van Jeroen niet de gebruikelijke 30 lbs dacron maar braid met een hogere treksterkte, in ons geval 80 lbs. Je wilt namelijk onder geen beding dat de backing qua treksterkte de zwakste schakel is, want dan verlies je ingeval van breuk alles. Het is enige dagen voor onze aankomst nog gebeurd, net zoals er de nodige hengels zijn gebroken en reels in de bekende soep zijn gedraaid.
Ik kijk naar Pa. Hij heeft de Skagit uit het topoog, stript meters volglijn naast zich in het water, maakt een rolworp stroomafwaarts en de lijn ligt daarmee strak. Dan maakt hij een Snap-T, waarmee de lijn in één keer stroomopwaarts van hem ligt en omdat de lijn nu met de stroming op hem afkomt heeft hij op hetzelfde moment met de hengel en dus de Skagit een halve cirkel over het water geschreven, de hengel naar achteren gebracht waardoor de zogenaamde D-loop ontstaat die de hengel oplaadt en, als hij het gewicht van de lijn en de oppervlaktespanning voelt, de voorwaartse worp ingezet. De lijn vliegt over de rivier en de vlieg, een roze Intruder, komt perfect haaks op de stroom neer. Het water grijpt de sinktip en de vlieg aan de leader en neemt die met de stroom mee. De Skagit drijft erachter aan, volgt het onderwater gebeuren en nu de lijn natuurlijk door de stroomdruk strak trekt, drijft de Skagit langzaam door die stroom naar het ondiepe water waar Pa staat terwijl de vlieg aan het einde van de lijn onderweg de zogenaamde “swing’ maakt. De bedoeling van de swing is dat de vlieg tijdens die swing in het zicht komt van een optrekkende vis of soms ook een “holding” vis, die ter plaatse rust alvorens verder op te trekken. Als alles weer strak stroomafwaarts ligt en er geen vis is gevonden volgt de Snap-T weer. Er zijn dan misschien twintig seconden verstreken na de vorige worp. Op de swing na de tweede voorwaartse worp is er al contact, een ruk en de eerste Pink, een vis van een pond of zes, vecht tegen de druk. Meters worden van de spoel gerukt, de veertienvoeter staat minuten lang helemaal krom op de Pink. Een goed begin.
Ik kijk het allemaal aan en moet zelf nog beginnen! De volgende uren vangen we een heel stel Pink’s als Pa opeens een vis vast heeft die na wat gemor plotseling een schot neemt van een meter of honderd. Jeroen komt Pa van dichtbij coachen en na een half uur, waarin de vis steeds opnieuw een meter of negentig, honderd uitloopt komt de vis eindelijk binnen bereik van het net en blijkt het een King van een pond of 25. Jeroen meldt Pa dat hij geluk heeft dat deze King zich zo rustig hield en dat hij er niet op moet rekenen dat het de volgende keer weer zo gaat. Het zal Pa een zorg zijn en hij poseert trots als een pauw met z’n King.
Hoe het normaal wel verloopt maak ik zelf in de middag mee als het eerst lijkt alsof ik vast zit aan de bodem. Ik sta vrij diep maar uit het trekken aan de top en het tikken van de slip maak ik op dat het vis is die op enige afstand over de bodem schuifelt, nog even twijfelend over wat hem of haar te doen staat. Maar niet voor lang. Want dan gebeurt waar ik over heb gelezen: onder water drukt iemand op de knop “Ignition” en als een torpedo schiet de vis van me weg, dwars over de rivier, terwijl de reel luid gierend onophoudelijk tientallen meters afgeeft. Als ik al zeker 150 meter kwijt ben en de reel steeds harder gaat aflopen kijk ik vertwijfeld naar Jeroen en de schreeuw om advies is nadrukkelijk van mijn gezicht te lezen. “Hiervoor ben je naar BC gekomen”, roept Jeroen alleen. Echt niet, denk ik, om gespoeld te worden zeker… maar terwijl ik dat overpeins veert de hengel terug en is de vis los. Tja. De vliegen hebben geen weerhaken, de vis zwemt tijdens de dril heen en weer, de stroom is zeer sterk en zo zijn er tal van factoren die maken dat de vlieg gemakkelijk los kan komen. Een landingspercentage tussen 10 en 60% wordt voor de King’s als “business as usual” gezien dus dit losschieten is geen verdere analyse waard anders dan het checken en zonodig wat aanscherpen van de haak. Pa heeft een uur later dezelfde ervaring maar heeft het genoegen de vis meermalen te zien springen, wat niet bevorderlijk is voor de zenuwen omdat de vis overduidelijk aan de zeer forse kant is vergeleken met zijn eerste King. Ook deze schiet, maar nu sneller, los en als Pa zijn lijn indraait meldt Jeroen dat het zo te zien om “een veertiger” ging. We zijn sprakeloos.
Na weer de nodige Pinks overdenken we de dag en kijken we elkaar eens aan en lezen we in elkaars ogen de wederzijdse vraag: wat gebeurt hier? Derek, die ons de volgende dag begeleidt, zet mij meteen neer op een stek aan de andere kant van de rivier en meldt mij dat ik door de keuze van de vlieg minder “takes” ga krijgen maar dat hij me op een briefje geeft dat de aanbeten die ik krijg van Chinooks zullen zijn. Ik zie af van het briefje, geloof hem zo ook en maak m’n worpen terwijl ik de vlieg, stapje voor stapje de pool afwerkend, laat swingen. In het uur dat volgt heeft Pa continue een kromme hengel en vangt hij Pink’s. Daar zit een vis van bijna tien pond bij. Ik krijg maar drie keer beet maar dat uur blijft mij denk ik heel lang bij. De eerste King blijft even staan en accelereert dan als een dragster naar de overzijde van de plaatselijk brede rivier. Nog nooit heb ik m’n reel zo snel zien afspoelen. De vis komt in de hoofdstroom, slaat een hoek, springt hoog op en is los. “Big fish!” roept Derek. Schrale troost, denk ik. “At least you had the fun part of it!”, roept Derek nog. Daar denk ik anders over. De tweede van de dag heb ik tien minuten later al vast. Weer gaat de vis in een onwaarschijnlijk tempo de rivier af, ik gil “King!’, waarop Derek mij onmiddellijk de oever op dirigeert om beter te kunnen inspelen op de vis, maar na 200 meter stopt de King en kan ik wat lijn terugkrijgen. Na een goed half uur trekken en draaien van beide kanten en een stuk meelopen langs de oever krijg ik de vis in het zicht en niet veel later heeft Derek de King in het net. Hij geeft mij het net en meldt over de mobilofoon aan Jeroen, die met het tweede koppel elders op de rivier zit, dat er een “chrome bullet, fresh from the ocean” binnen is.
“Is it the old man or the young guy”, hoor ik vragen. “It is Wim, the young guy”, meldt Derek en ik hoor de tevredenheid aan de andere kant luid en duidelijk. Vader en zoon allebei een King, dat is maar vast geregeld! En het voordeel van met je vader vissen is dus dat je zelf jong bent en altijd blijft!
Vanaf de middag van de tweede dag hebben we, met die King’s op zak, de aandacht vistechnisch wat verlegd en beginnen we Chums te vangen, de Dog Salmon. Dat is een zwaar onderschatte vis. Die beesten worden zomaar een metertje of meer groot, brengen gemakkelijk 20 pond op de schaal – en meer - en niet alleen attaqueren ze de vlieg kei- en keihard, ze vechten ook een gemeen robbertje en het kan zo maar een half uur duren voordat het net tevoorschijn kan komen. Maar het gebeurt ook dat er 150 meter van je reel wordt gescheurd en dat je in beweging moet komen om grip te houden: op de laatste middag dacht ik een King vast te hebben die mij in één run verloste van dik 200 meter en terwijl ik langs de oever holde, met een kromme hengel, probeerde over aangespoelde bomen te klimmen terwijl de hengel uit mijn handen werd getrokken en de slip maar bleef huilen, zou ik waarschijnlijk gespoeld zijn als Derek niet ver voor mij uit was gerend, tot zijn middel de rivier in was gewaad en met meer geluk dan wijsheid de vis in één keer had “genet”. Een Chum van één meter en 25 pond, helemaal vers van zee, die na het pakken van de vlieg zoals dat heet echt helemaal “ballistic” ging.
In de dagen die volgden hebben we ons echt letterlijk pijn in de armen staan vangen aan die Chum’s. Soms ook was het een uurtje rustig, maar altijd weer trokken er nieuwe scholen vis de rivier op en als die op de plaats waar de raft lag arriveerden was het raak, en niet zo’n beetje ook. We verlangden soms echt even naar rust…
- Deel 2 van dit fantastische avontuur volgt binnenkort! -
Engelse kopvoorn
Tom Scholte trakteerde op het forum met een verslag van zijn jaarlijkse trip naar Engeland. In een zoektocht naar grote Engelse kopvoorn toog de reis dit keer naar de Hampshire Avon en de Stour. Niemand minder dan John Stearl begeleidde hem voor een dag naar stekken waar een visser alleen maar van kan dromen. Glashelder water, prachtige vissen en vreselijk spannend om continue op zicht te vissen. Maar zien en vangen zijn twee verschillende dingen, zo bleek. Toch gaat het soms een heel enkele keer precies zoals je het wilt.
De meeste ‘chub’ kwam op maïs. Een korrel of twee op een haak maatje 10 of kleiner. Daarvoor een meter fluor carbon voorslag van 6 lbs en verder helemaal niets, geen lood en geen dobber. Hoewel erg moeilijk in te gooien, zeker met een beetje wind, wel uiterst subtiel en zo natuurgetrouw als maar mogelijk. Tom schrijft:
“Vervolgens zie je dat ze het pakken en zoals gebruikelijk sla je in een reflex aan… mis! Blijkbaar houden ze de bek nog even open en daardoor sla je de haak er weer uit. Dit is gefilmd en bewezen door John Searl en Paul Witcher. John vertelde dit maar ondanks die wetenschap is het erg moeilijk om die reflex te negeren. Om succes te hebben moet je dus een langzame aanslag maken iets wat je niet gewend bent. Bovendien is het water glashelder en zien ze je al van verre aankomen. Het is dus allemaal kruip en sluip tactieken.”
Aanpassing van vaardigheden bleek de belangrijkste sleutel tot succes. Hij ving er daarnaast ook een paar op grote afstand door een stuk luncheon meat als aas zonder dobber of lood naar de vis toe te laten stromen. Traditiegetrouw werd de grootste vis helaas verspeeld, pal onder de kant in een paar takken. De kopvoorn bleef nog heel even aan de lijn zitten, maar door de hoge oevers konden ze de vis niet bereiken en werd de strijd uiteindelijk in zijn nadeel beslecht. De gebruikte Chapman The Hunter 12 ft. splitcane en centrepin met 6lbs lijn pasten naadloos in het klassieke decor.








































