Ultralichte jeugdherinneringen

In juni 1968 verhuisde ik met mijn ouders vanuit Rotterdam naar Rodenrijs, toen nog een lintdorp in de uitgestrekte polders van het Delfland. Ik was twaalf jaar en had al wat met een vast hengeltje gevist in de vijvers in het Kralingse Bos. Voor ons nieuwe huis liep de Rodenrijse Vaart en die was soms zo vol van kringen van happende ruisvoorns dat het leek alsof het op het wateroppervlak regende. Een mirakel, ik wist niet hoe ik het had! Een naburige tuindersknecht bracht me met het vissen met de vaste hengel vakkundig op het goede spoor. Schreiners boekje ‘Vastslaan en strakhouden’, dat ik in september ‘68 voor mijn dertiende verjaardag kreeg, hielp me vervolgens op weg naar de werphengelsport en voor de rest nam ik mijn ontwikkeling in eigen handen. Zo werd ik al snel een verwoed sportvissertje.

Mijn solide fundament als sportvisser: Jan Schreiners pocket 'Vastslaan en strakhouden' en het 'Groot Sportvissersboek'. Met de jaren stukgelezen en later zelf opnieuw in de band gezet, die inmiddels ook al weer verschoten is.

De ruisvoorns ging ik met een primitief volglas werphengeltje achterna. Letterlijk soms, terwijl de scholen zich al maar verder de polder in verplaatsten en ik, er achteraan, al maar later al maar verder van huis raakte. Zo zwierf ik door tot ik een stipje aan de horizon was - en mezelf, als voormalige stadsjongen, ook zo voelde. Dat klinkt nogal transcendentaal, maar het was eind jaren zestig en toen kon je daar goede sier mee maken. De polders waar ik viste waren indertijd nog uitgestrekt en verlaten en ik zag er niet tegenop als ik op een zomerdag moegelopen was om in het weiland langs de kant van de Bovenvaart een kwartiertje een tukkie te doen. Languit, ogen dicht en zo’n beetje soezend luisteren naar de grutto’s en weg was je. Onschuldige tijden.

Ruisvoornvissers rond 1960, de rechter met een ultralicht hengeltje en een Luxor molen. Mannen om te benijden.

Op een dag kreeg ik door dat er in de vaart ook baarzen te vangen waren, aan spinners. Dat zag ik een oudere jongen doen. De plaatselijke LTB - de winkel van de Boerenbond - had wel een paar kleine Veltic en Olympique stroomspinnertjes, en zo was ik al snel ‘in business’. Spinner dicht langs een stenen loswalletje vissen of onder een brug doorwerpen en… BENG! Verslavend was dat. Je kon daar dag na dag in opgaan zonder dat het verveelde. Tot je opeens weer een school ruisvoorns aan de oppervlakte zag happen en je je weer een tijdlang met evenveel overgave op de vlokvisserij stortte. Ja, die ruisvoorns en baarzen waren mijn favorieten en dat is eigenlijk nooit meer overgegaan.

Als het op ruisvoorn- en baarsvissen met de werphengel aankwam, was volgens Jan Schreiner de ultralichte visserij het ultieme werk. Ik twijfelde daar geen moment aan. Dat wilde ik dus ook wel. Maar ultralicht materiaal was duur, en vooral een ultralichte hengel liep behoorlijk in de papieren. Er waren wel enkele redelijk geprijsde ultralichtjes, zoals van Mitchell, maar die hadden een reelhouder en dat mocht niet van Schreiner: zo’n onding hoorde op een spinhengel beslist niet thuis, zei hij stellig - zoals hij alles nogal stellig zei.

Reclame van Ronald Fenger voor ruisvoorn- en baarsmateriaal. Uit het maandblad 'De Sportvisser' van juli 1971.

Nu stond er in die tijd - voorjaar 1970 - bij de toen befaamde Rotterdamse hengelsportzaak van Ronald Fenger wel een heel mooi holglas stokje met reelringen in het rek, een Hardy Fibalite 2 lb Spinning. Maar dat kostte tachtig gulden en viel daarmee ruim boven het budget. En aan de bruine houten sprietjes ernaast, splitcane hengeltjes van Pezon & Michel, hingen kaartjes met prijzen die je ook na twee keer lezen nog onwaarschijnlijk voorkwamen.

“Maar je kunt natuurlijk ook zelf een hengel bouwen”, zei meneer Fenger, “dat scheelt stukken”. Hij liet me een eendelig viergrams Conolon glasblankje zien en de bijbehorende ogen, reelringen (natuurlijk!) en al wat er verder nodig was. Hij becijferde de kosten - het blankje kwam op vijftien gulden, de overige materialen op ongeveer twee tientjes - en dat was te behappen. Daarna legde hij het nodige uit over kurken verlijmen en schuren, wikkelingen takelen en de harde en zachte kant van de blank bepalen en hij zette netjes streepjes op de blank waar de ogen moesten komen. Ik ging secuur aan de slag en mijn eerste zelfbouwhengel werd een succes. Ik vis er ruim veertig jaar later af en toe nog steeds mee. De kurken greep heb ik in al die jaren wel een keer moeten vervangen, maar de oorspronkelijke, veel te dikke wikkelingen - lekker stevig, vond ik - heb ik om sentimentele redenen laten zitten.

Mijn eerste ultralichte uitrusting: een zelfgebouwde viergrammer van Conolon glas, een Noris Shakespeare 2200 Deluxe molentje en wat vliegspinnertjes en viergrams lepeltjes.

Na nog wat sparen kon ik ook het ultralichte molentje aanschaffen waar ik op uit was, een Noris Shakespeare 2200 Europa-klasse Deluxe. Een chique mond vol, maar terecht. Het donkerblauwe juweeltje kostte 35 gulden. Spoeltje 100 meter 0,14 mm Rhodia nylon erbij voor het vlokvissen en 0,16 mm voor het spinnen, wat pauwenpennetjes en voor het hele ondiepe water kleine groenwitte steekdrijvertjes, en een zakje arendsklauwhaakjes. Klaar.

Wat al zo leuk was, werd daarna alleen nog maar plezieriger en spannender. Ruisvoorns en baarzen werden op dat ultralichte spulletje geweldige sportvissen. Je hield bij het vlokvissen soms je hart vast als je drijvertje met een ruk naar onder getrokken werd en je moest aantikken. Wat voor geweld zou er nu weer losbarsten? En met spinnen was het nog erger, want dan wist je niet eens van te voren wanneer de schok kwam. Vooral als er een snoek op mijn spinner dook, kneep ik ‘m soms, want ik viste met een dun lijntje en kunstaas was duur. Ik leerde het dus wel af om overhaast te werk te gaan en de vissen al te gretig naar de kant te dirigeren.

Vond ik zelf het kunstaasvissen al bloedstollend, mijn jongere broer werd het één keer zelfs echt teveel. Hij viste op een warme zomerdag dromerig zijn spinner binnen tot vlak voor zijn voeten. Dat was het moment waarop er met een enorme plons een snoek op dook. De snoek miste, maar broertje - toen heel jong nog - was zich werkelijk lam geschrokken. Hij durfde niet verder te vissen, puur uit angst om nóg eens zo vreselijk te schrikken. Mijn empathie was op die leeftijd nog niet zo ver ontwikkeld, dus ik heb hem schandelijk staan uitlachen en hem er ook nadien nog behoorlijk mee gepest. Niet zo fraai.

Broederlijk bijeen in het rusthuis van de oude glorie: links de Pelican 75 van mijn jongere broer, rechts mijn eigen ABU Cardinal 33, gekocht in 1977.

Zo viste ik opgewekt de jaren zeventig door. Mijn materiaal werd mettertijd uitgebreid. Er kwam onder meer een snel tiengrammertje bij, ook zelf gebouwd van Conolon glas en ook nog steeds trouw in dienst, en een ABU Cardinal 33 molentje.
Ergens rond het midden van de jaren zeventig kwam vismaat Ger Schuit - tegenwoordig in hengelsportkringen bekend als Mr. Pikefly - aanzetten met de eerste twistertjes. Vers uit Amerika. En ronduit belachelijk! Tot hij me meenam naar een plas bij Zwartewaal, een zandafgraving met diep helder water, en me min of meer opdrong om zo’n onnozel gevalletje ook eens te proberen. Vooruit dan maar. De baarzen knalden erop alsof ze er al jaren op hadden liggen wachten. Weer wat geleerd.

Een vette polderbaars op een oud verschoten fotootje. De knaap van 42 cm vergiste zich lelijk in een Luxor Succes spinner.

Maar voor de polder met z’n vuile bodem hield ik het toch liever op spinners. Die voorzag ik van een fleur en ik hing ze zodanig aan mijn spinstangetje - feitelijk een zelfgemaakt antikinkvaantje met een tot 15 cm verlengd stangetje - dat vaantje en fleur bij het binnenvissen allebei omhoog wezen en de boel dus maar zelden vastliep. Dat werkt nu al veertig jaar probleemloos.

Ook het vlokvissen bleef een bron van genoegen. Ruisvoorns waren target nr. 1, maar aangezien ik in het meestal vrij heldere water van de veenpolders goeddeels op zicht kon vissen, liet ik bijna geen enkele potentieel broodetende vis die ik in de gaten kreeg ongemoeid. Alleen van flinke karpers in de nabijheid van waterplanten zag ik af; dan zat verspelen er ál te dik in.

Uw vissertje, veel jonger nog, met een verrassing tijdens het vlokvissen op ruisvoorn: een kroeskarper met sluierstaartgroei. Vastgelegd op een oude polaroidfoto.

Maar brasems en graskarpers van het formaat tot zo’n 60 cm moesten er wel aan geloven. Soms was er een verrassing in de vorm van een zeelt of een kroeskarper. Die laatste vis ving ik ook wel een enkele keer aan kunstaas, zelfs eens aan een behoorlijke Heddon River Runt plug. Het arme beest had de plug van achteren gepakt en het ding zat een paar centimeter in z’n bek alsof hij een bolknak aan het paffen was. Het kostte me de grootste moeite om hem te onthaken. Maar mijn merkwaardigste kroeskarpervangst was toch wel een exemplaar met sluierstaartvinnen.

Met of zonder dergelijke verrassingen, het trouwe viergrammertje verveelde nooit. Het was een soort universele sleutel tot de polder. Eenmaal binnen in die wereld kon je er letterlijk en figuurlijk alle kanten mee op.
Zo werd het ultralichte vissen voor mij een belangrijk onderdeel van mijn jeugd. Een gelukkige jeugd. Soms zie ik nog wel eens jongetjes met dezelfde totale overgave vissen, ook al is hun materiaal soms primitief. Ik denk dan: genieten maar, jongens, want zo mooi als nu wordt het misschien nooit meer, ook al heb je later de duurste spullen.

——————————

TIPS. Voor wie er niet al vanuit zijn jeugd mee bekend is, wil ik nog wel een paar klassieke hengelsportboeken noemen die aardig aansluiten bij het tijdsbeeld en de manieren van vissen die in dit stukje beschreven werden. Twee boeken, beide van Jan Schreiner, kwamen al aan de orde: het Groot Sportvissersboek (1969) en de pocket Vastslaan en Strakhouden (1961). Ook de andere Elsevier-pockets van Schreiner, zoals Tussen ruisend riet en plompeblad (1963), zijn nog steeds de moeite waard. Boeiend en terecht geliefd is vooral ook zijn paperback Werphengel wel en wee (1968). Een zwak heb ik tot slot voor het kleine boekje Kijk op vissen (1965) van Hans van Assumburg (pseudoniem van C.J.M. Fens) met een gastoptreden van Ronald Fenger: leuk geschreven en met veel afbeeldingen van materiaal uit die tijd. Al deze boeken zitten nog steeds royaal binnen hun houdbaarheidsdatum, dat frisse proef je, en goed nieuws is bovendien dat ze allemaal tweedehands voor (ruim) onder de tien euro nog vrij gemakkelijk verkrijgbaar zijn.