Op zoek naar de koning van British Columbia - deel 1/2
We kijken uit het raampje van het kleine Air Jazz toestel dat ons van Vancouver naar Terrace brengt, een vlucht van iets minder dan twee uur. We, dat zijn mijn vader, Willem, en ik. Beneden biedt het landschap een onherbergzame indruk. Bergen; besneeuwde toppen; en daar tussen groen en rivieren. Het vliegtuigje landt op het vliegveld van Terrace dat door niemand als zodanig zou worden bestempeld; het heeft meer weg van een parkeerterrein. Een leeg parkeerterrein wel te verstaan.
We denken nog even terug aan de aanleiding voor ons bezoek aan juist deze plek. Vorig jaar waren we in juni aan de Varzuga, in Kola, Rusland. Daar werden we onder meer “gegidst” door Jeroen Wohe. We hadden daar, door weersomstandigheden, een moeilijke week. En alhoewel Jeroen zelf ook een zwakke plek heeft voor Rusland, en begrijpelijk, gaf hij ons ter plaatse het advies: “Kom ook eens naar BC, dan heb je het volledige plaatje en kun je je pas definitief een oordeel vormen over het zalmvissen”. Want los van het weer, gaat het in Rusland om Atlantische zalm, afgezien dan van Kamchatka, in BC en Alaska gaat het over Pacifische zalm. En dat is nog een ander verhaal.
We hadden eigenlijk al daar, aan de Varzuga, besloten dat we dat hele zalmavontuur als het even kon inderdaad maar gingen verlengen in British Columbia. En zo komt het dat we nu bijna tienduizend kilometer van huis zijn. Om zalm te vangen. Onder regie van de Skeena River Lodge van Jeroen, die ter plaatse daarvoor ruime mogelijkheden biedt. Afhankelijk van het seizoen trekt er in de Skeena regio Chinook (de bekende King’s of ook Spring Salmon, zoals ze in Canada zeggen), Chum, Pink, Coho, Sockey en steelhead op. Wij hebben eigenlijk min of meer gekozen voor de Chum Salmon run, ook wel Dog Salmon genoemd, met als bijprogramma de op zijn eind lopende Chinook run en natuurlijk de alom tegenwoordige Pink Salmon, de Pink’s. Op de Chinook’s durfden we niet uitsluitend en alleen te gokken. Als je eerder gaat doe je dat qua grote vis eigenlijk wel, omdat de (ook flink grote) Chum dan nog niet voldoende optrekt.
We hadden de verhalen rond de King’s veiligheidshalve wel zeer uitvoerig bestudeerd. Het eerste wat ons opviel is dat je vaak foto’s van King’s ziet op heel weinig water en dat de vissen erg donker van kleur zijn. Dat komt omdat de vissen dan op de paaigronden zijn aanbeland waar ze ook zullen sterven. Daar aangekomen verdedigen de vissen fanatiek hun “Redds”, de kuilen in het gravel waar de eitjes zijn afgezet. En dus zijn ze eenvoudig te vangen. Veel strijd geven ze na de paai niet meer. Zo vissen is absoluut “not done”. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat de zalmen juist vers van zee worden gevangen, liefst met de zeeluis nog rond de anaalvin. Die zeeluis gaat maar een paar uur mee in zoet water en dient dus als bewijs van de onmiddellijke herkomst van zee. “Chromers” noemen ze die vers optrekkende vis. Het grote voordeel daarvan is dat de vissen dan werkelijk oersterk zijn.
Een King, zo van zee, is maar moeilijk met de vlieg te verleiden en toch is dat ons doel. “Fly Only” is het motto van onze reis en van onze lodge. Jeroen runt een vliegvisserslodge, dus meer smaken heeft hij ook niet. Elke zalmsoort heeft zo z’n eigen route in de rivieren; de Pink’s trekken dicht langs de oever, maar ook weer niet te dicht vanwege de arenden, maar een King zoekt zich een andere weg, in sneller stromende stukken. Dat pleit nu ook niet direct voor “de vlieg”, maar de tegenwoordige lijnsystemen zijn heel veelzijdig en Jeroen en zijn gidsen hebben zich min of meer gespecialiseerd in deze materie en leggen je precies uit waar de vis zwemt en waar ze rusten. De rest is techniek. De Skeena valt na aankomst ter plaatse echter af als ons jachtgebied. Het is een natte zomer in BC en het regent al enige tijd hevig. Dat heeft, zoals altijd, impact op de rivieren: ze zwellen en worden “bruin”. Voor de vlieg heb je echter een zeker doorzicht nodig, want het pakken van de vlieg gebeurt immers “op zicht”. Jeroen heeft daarom besloten float trips te maken met een raft op een andere rivier. Die ziet er veel beter uit en hij heeft daarmee de week voor ons ook het nodige succes gehad. We prijzen ons gelukkig met de uitwijkmogelijkheden.
In de lodge – we zijn ondergebracht in de Pioneer Lodge van Jezz en Pip Crosby omdat we hebben gekozen voor een wat luxere verblijfsvariant, mijn vader wordt immers dit jaar 74 – sorteren we onze spullen nadat we zijn geïnstrueerd over de alom aanwezige beren. Het belangrijkste is de uitdrukkelijke instructie “nooit weg te hollen”. Het is voor ons wel een beetje een abstract verhaal, we hebben moeite om te schakelen van het uitkijken voor het verkeer naar het uitkijken voor beren.
We hebben allebei een 14 voets hengel voor een # 9 bij ons, merk Sage, met een werpvermogen van ca. 35 gram, met daarnaast twee back-up hengels voor dezelfde lijn uit hetzelfde huis om ingeval van breuk meteen verder te kunnen. Hetzelfde geldt voor de zalmreels. Ook hebben we nog een leuk licht Switch spulletje en wat éénhandig materiaal bij ons voor de Pink’s, die zo tussen 6 en 12 pond zwaar worden. De wekker gaat de volgende morgen al om 05.00 uur, wat het regime van de week zal blijken te zijn. Ter compensatie worden we getrakteerd op een majestueuze zonsopgang.
Jeroen pikt ons al vroeg op en een goed uur later is de raft via een backchannel op weg naar de rivier zelf. Het weer is matig; het regent een beetje maar daarvoor is het hier dan ook een “ coastal rainforest”. Als je niet van regen houdt heb je hier niets te zoeken, zal Derek Barber, de Assistant Guide van Jeroen, later zeggen. Ons interesseert het niet, we hebben de ademende waadpakken aan en onze waadjacks en zijn daarmee geheel “waterproof”.
Het is wat droger als Jeroen de raft laat landen op een rivierbank en we tuigen op. In het achterhoofd zitten de cursusdagen aan het Oostvoorne, de masterclass met Menno van Dam en de vele uren die we zelf nog in het werpen hebben gestoken.
We zullen de vis diep, langs de bodem, moeten zoeken. Afhankelijk van de zalmsoort en de plek in de rivier kan dat variëren. De hengels zijn opgetuigd met drijvende Skagit lijnen, in deze contreien ontwikkelde vliegenlijnen met een gewicht van ongeveer 650 grains (ca. 40 gram) die de hengel iets overbelasten, wat kan omdat de lijn deels op het water ligt bij de worp, en die met een speciale worp in gang worden gezet en daarbij door hun massa aan de Skagit geluste 15 voets sinktips en de daaraan verbonden korte leader met zich meenemen. Vroeger wierp men met geheel zinkende lijnen, maar die moet je elke keer na de worp weer omhoog rollen voordat je de nieuwe worp kunt inzetten. Die Skagit lijnen zijn kort, acht meter of zo, en ze drijven dus, maar door de energie van de worp transporteren ze de soms als een steen zinkende sinktips, die wel tot 20 gram kunnen wegen, met redelijk gemak. Die tips werp je dus als gewicht niet met de hengel, ze hangen voor het maken van de worp in het water of liggen zelfs op de bodem, maar door de energie van de worp worden ze opgetild. Het voordeel is dat je dus blijft werken met een drijvende lijn, wat het werpen enorm vergemakkelijkt. Door een hele set verschillende sinktips in te zetten, zowel qua lengte als zinksnelheid, kun je inspelen op de situatie ter plaatse. Op de reel zit achter de Skagit lijn een meter of vijftig dunne en gladde volglijn, die bij de worp wordt losgelaten zodat afstanden rond 30 meter binnen bereik komen. En achter die volglijn zit 300 meter backing, op advies van Jeroen niet de gebruikelijke 30 lbs dacron maar braid met een hogere treksterkte, in ons geval 80 lbs. Je wilt namelijk onder geen beding dat de backing qua treksterkte de zwakste schakel is, want dan verlies je ingeval van breuk alles. Het is enige dagen voor onze aankomst nog gebeurd, net zoals er de nodige hengels zijn gebroken en reels in de bekende soep zijn gedraaid.
Ik kijk naar Pa. Hij heeft de Skagit uit het topoog, stript meters volglijn naast zich in het water, maakt een rolworp stroomafwaarts en de lijn ligt daarmee strak. Dan maakt hij een Snap-T, waarmee de lijn in één keer stroomopwaarts van hem ligt en omdat de lijn nu met de stroming op hem afkomt heeft hij op hetzelfde moment met de hengel en dus de Skagit een halve cirkel over het water geschreven, de hengel naar achteren gebracht waardoor de zogenaamde D-loop ontstaat die de hengel oplaadt en, als hij het gewicht van de lijn en de oppervlaktespanning voelt, de voorwaartse worp ingezet. De lijn vliegt over de rivier en de vlieg, een roze Intruder, komt perfect haaks op de stroom neer. Het water grijpt de sinktip en de vlieg aan de leader en neemt die met de stroom mee. De Skagit drijft erachter aan, volgt het onderwater gebeuren en nu de lijn natuurlijk door de stroomdruk strak trekt, drijft de Skagit langzaam door die stroom naar het ondiepe water waar Pa staat terwijl de vlieg aan het einde van de lijn onderweg de zogenaamde “swing’ maakt. De bedoeling van de swing is dat de vlieg tijdens die swing in het zicht komt van een optrekkende vis of soms ook een “holding” vis, die ter plaatse rust alvorens verder op te trekken. Als alles weer strak stroomafwaarts ligt en er geen vis is gevonden volgt de Snap-T weer. Er zijn dan misschien twintig seconden verstreken na de vorige worp. Op de swing na de tweede voorwaartse worp is er al contact, een ruk en de eerste Pink, een vis van een pond of zes, vecht tegen de druk. Meters worden van de spoel gerukt, de veertienvoeter staat minuten lang helemaal krom op de Pink. Een goed begin.
Ik kijk het allemaal aan en moet zelf nog beginnen! De volgende uren vangen we een heel stel Pink’s als Pa opeens een vis vast heeft die na wat gemor plotseling een schot neemt van een meter of honderd. Jeroen komt Pa van dichtbij coachen en na een half uur, waarin de vis steeds opnieuw een meter of negentig, honderd uitloopt komt de vis eindelijk binnen bereik van het net en blijkt het een King van een pond of 25. Jeroen meldt Pa dat hij geluk heeft dat deze King zich zo rustig hield en dat hij er niet op moet rekenen dat het de volgende keer weer zo gaat. Het zal Pa een zorg zijn en hij poseert trots als een pauw met z’n King.
Hoe het normaal wel verloopt maak ik zelf in de middag mee als het eerst lijkt alsof ik vast zit aan de bodem. Ik sta vrij diep maar uit het trekken aan de top en het tikken van de slip maak ik op dat het vis is die op enige afstand over de bodem schuifelt, nog even twijfelend over wat hem of haar te doen staat. Maar niet voor lang. Want dan gebeurt waar ik over heb gelezen: onder water drukt iemand op de knop “Ignition” en als een torpedo schiet de vis van me weg, dwars over de rivier, terwijl de reel luid gierend onophoudelijk tientallen meters afgeeft. Als ik al zeker 150 meter kwijt ben en de reel steeds harder gaat aflopen kijk ik vertwijfeld naar Jeroen en de schreeuw om advies is nadrukkelijk van mijn gezicht te lezen. “Hiervoor ben je naar BC gekomen”, roept Jeroen alleen. Echt niet, denk ik, om gespoeld te worden zeker… maar terwijl ik dat overpeins veert de hengel terug en is de vis los. Tja. De vliegen hebben geen weerhaken, de vis zwemt tijdens de dril heen en weer, de stroom is zeer sterk en zo zijn er tal van factoren die maken dat de vlieg gemakkelijk los kan komen. Een landingspercentage tussen 10 en 60% wordt voor de King’s als “business as usual” gezien dus dit losschieten is geen verdere analyse waard anders dan het checken en zonodig wat aanscherpen van de haak. Pa heeft een uur later dezelfde ervaring maar heeft het genoegen de vis meermalen te zien springen, wat niet bevorderlijk is voor de zenuwen omdat de vis overduidelijk aan de zeer forse kant is vergeleken met zijn eerste King. Ook deze schiet, maar nu sneller, los en als Pa zijn lijn indraait meldt Jeroen dat het zo te zien om “een veertiger” ging. We zijn sprakeloos.
Na weer de nodige Pinks overdenken we de dag en kijken we elkaar eens aan en lezen we in elkaars ogen de wederzijdse vraag: wat gebeurt hier? Derek, die ons de volgende dag begeleidt, zet mij meteen neer op een stek aan de andere kant van de rivier en meldt mij dat ik door de keuze van de vlieg minder “takes” ga krijgen maar dat hij me op een briefje geeft dat de aanbeten die ik krijg van Chinooks zullen zijn. Ik zie af van het briefje, geloof hem zo ook en maak m’n worpen terwijl ik de vlieg, stapje voor stapje de pool afwerkend, laat swingen. In het uur dat volgt heeft Pa continue een kromme hengel en vangt hij Pink’s. Daar zit een vis van bijna tien pond bij. Ik krijg maar drie keer beet maar dat uur blijft mij denk ik heel lang bij. De eerste King blijft even staan en accelereert dan als een dragster naar de overzijde van de plaatselijk brede rivier. Nog nooit heb ik m’n reel zo snel zien afspoelen. De vis komt in de hoofdstroom, slaat een hoek, springt hoog op en is los. “Big fish!” roept Derek. Schrale troost, denk ik. “At least you had the fun part of it!”, roept Derek nog. Daar denk ik anders over. De tweede van de dag heb ik tien minuten later al vast. Weer gaat de vis in een onwaarschijnlijk tempo de rivier af, ik gil “King!’, waarop Derek mij onmiddellijk de oever op dirigeert om beter te kunnen inspelen op de vis, maar na 200 meter stopt de King en kan ik wat lijn terugkrijgen. Na een goed half uur trekken en draaien van beide kanten en een stuk meelopen langs de oever krijg ik de vis in het zicht en niet veel later heeft Derek de King in het net. Hij geeft mij het net en meldt over de mobilofoon aan Jeroen, die met het tweede koppel elders op de rivier zit, dat er een “chrome bullet, fresh from the ocean” binnen is.
“Is it the old man or the young guy”, hoor ik vragen. “It is Wim, the young guy”, meldt Derek en ik hoor de tevredenheid aan de andere kant luid en duidelijk. Vader en zoon allebei een King, dat is maar vast geregeld! En het voordeel van met je vader vissen is dus dat je zelf jong bent en altijd blijft!
Vanaf de middag van de tweede dag hebben we, met die King’s op zak, de aandacht vistechnisch wat verlegd en beginnen we Chums te vangen, de Dog Salmon. Dat is een zwaar onderschatte vis. Die beesten worden zomaar een metertje of meer groot, brengen gemakkelijk 20 pond op de schaal – en meer - en niet alleen attaqueren ze de vlieg kei- en keihard, ze vechten ook een gemeen robbertje en het kan zo maar een half uur duren voordat het net tevoorschijn kan komen. Maar het gebeurt ook dat er 150 meter van je reel wordt gescheurd en dat je in beweging moet komen om grip te houden: op de laatste middag dacht ik een King vast te hebben die mij in één run verloste van dik 200 meter en terwijl ik langs de oever holde, met een kromme hengel, probeerde over aangespoelde bomen te klimmen terwijl de hengel uit mijn handen werd getrokken en de slip maar bleef huilen, zou ik waarschijnlijk gespoeld zijn als Derek niet ver voor mij uit was gerend, tot zijn middel de rivier in was gewaad en met meer geluk dan wijsheid de vis in één keer had “genet”. Een Chum van één meter en 25 pond, helemaal vers van zee, die na het pakken van de vlieg zoals dat heet echt helemaal “ballistic” ging.
In de dagen die volgden hebben we ons echt letterlijk pijn in de armen staan vangen aan die Chum’s. Soms ook was het een uurtje rustig, maar altijd weer trokken er nieuwe scholen vis de rivier op en als die op de plaats waar de raft lag arriveerden was het raak, en niet zo’n beetje ook. We verlangden soms echt even naar rust…
- Deel 2 van dit fantastische avontuur volgt binnenkort! -

















