Fair Play: oude liefde roest niet…

Het verhaal is al vaker verteld: de historie van Fair Play hengels begint in de tweede helft van de jaren ‘50 met een winkel in hengelsportmateriaal aan het Kleine Gartmanplantsoen in Amsterdam.

Het gebruikte merk Fair Play werd overigens pas wat later, in 1969, geregistreerd toen de winkel verhuisde naar het huidige vestigingsadres aan de Roelof Hartstraat 32.

Mijn eigen historie met Fair Play begint in de eerste helft van de jaren 70, toen ik als jongetje van veertien mijn eerste zelfstandige stappen in de winkel deed. En, enigszins in tegenspraak met die leeftijd: niet zonder eerbied.
Want daaraan vooraf ging het lezen van de nodige boeken van Jan Schreiner, die bij mijn vader keurig op een rijtje in de kast stonden, met voor mij als meesterstuk “Werphengel Wel en Wee” uit 1969. De veel geroemde pen van Schreiner was zeker destijds ongeëvenaard en zijn verhalen maakten op mij dan ook diepe indruk.

Lang vervlogen tijden

In die tijd, wonende in Amsterdam, en met als transportmiddel alleen een fiets, was mijn hengelsportwereld klein en werd die wereld voor mij geregeerd door Koning Jan en kroonprins John, die met zijn vader sinds 1964 ook fysiek inhoud gaf aan het begrip Schreiner & Zn.

Het was tegen deze achtergrond welhaast onontkoombaar dat mijn eerste met vakantiewerk vergaarde muntjes in 1975 opgingen aan een spiksplinternieuw ultralicht geel holglas Fair Play spinhengeltje. Daar waren overigens, ook toen al, hele polemieken in de winkel over de hengels en ook de noodzaak van de bussen aan vooraf gegaan. Die bussen waren voor mij overigens niet de halszaak die de Schreiners er zelf van maakten; ik was gegrepen door het evangelie van het lichter vissen zoals dat door de meester werd verkondigd en had wat minder oog en oor voor zaken als de bussen en de met de hengels opgediende mechanica. Ik wilde gewoon vissen met een maximum aan kansen en plezier.

En voor dat recept was je aan de Roelof Hartstraat natuurlijk aan het goede adres. Het concept van het sportvissen als spel en de onmiskenbare romantiek daarvan, belichaamd door ondermeer een hoepelrond gebogen hengel, de tikkende slip, de juiste verhoudingen tussen hengel, lijn en werpgewicht; het had mij allemaal volledig in de greep en ik voelde mij bevoorrecht dat ik de materie zo nadrukkelijk doorgrondde. Met ongekend vertrouwen zwierf ik met mijn kersverse bezit dan ook langs het hoofdstedelijke water.

De auteur in 1976

Niet zonder succes; in dat voor mij eerste echte Fair Play jaar ving ik op een stomp spinnertje van 25 millimeter een snoek van 87 centimeter. Had ik het licht al gezien, nu werd ik van volgeling voorganger en ging het hek geheel van de dam. Bijbaantjes brachten al snel andere Fair Play’s in huis, zonder uitzondering lekker licht in relatie tot de te beoefenen visserij, zoals een Winston karperhengel voor 18-20/100. Ik vond namelijk 22/00 wat aan de al te stevige kant. Als onweerlegbaar bewijs voor de juistheid van de Fair Play stelling in zake lichter vissen en meer vangen ving ik verschrikkelijk veel vis, wat niet los kan worden gezien van het feit dat ik als scholier ook heel veel tijd had.

De devotie, want zo kun je het misschien wel noemen, nam in die tijd wel enigszins verontrustende vormen aan. Inherent aan de toewijding was dat ik het een beetje overdreef; ik viste soms zelfs met 12 of 14/100 gericht op karper met een brasemhengel – al was de passende nuance van Schreiner dat die visserij natuurlijk wel plaatsvond in cultuurwater - en op “edelkarper”.

Ik kan in het licht van het bovenstaande misschien niet geheel als strikt objectieve beschouwer worden aangemerkt, maar voor mij zijn de holglas hengels zoals die grofweg tussen 1970 en 1980 zijn gemaakt het summum van de Fair Play hengelbouw. Het zijn uitgekristalliseerde hengels ten opzichte van de eerdere perioden; er zijn veelal betere blanks gebruikt, er is sprake van meer innovatieve ontwerpen en ook zijn de hengels beter qua details als geleideogenverdeling. Eigenlijk waren ze niet of nauwelijks voor verdere verbetering vatbaar.

Niet alleen zijn de hengels superlicht, hebben ze vrijwel altijd reelringen, ook zijn ze voorzien van de dunste hardverchroomde ogen en meestal van de onvolprezen duraluminium busjes. Iets zwaardere hengels, zoals de karperhengels, zijn voorzien van een in eigen beheer ontwikkelde messing bus die werd geblauwd.

De hengels uit die tijd, die ik toen als perfect en vrijwel overal inzetbaar heb ervaren, blijken als mijn wereld zich verruimt en grenzen letterlijk wegvallen niet als enige zaligmakend. Maar misschien was het wel gewoon zo dat ik ooit het juiste water bij de hengels zocht en dat ik later die hengels meenam naar water waar ze minder perfect voor waren. Ik kwam op een punt dat andere merken een kans kregen hun waarde te tonen.

Wie veel vist ontwikkelt als hengelsporter niet alleen een bepaalde stijl, maar ook en vooral eigen voorkeuren en overtuigingen. Ik denk dat, op dat punt aangekomen, de gidsrol die Fair Play in het begin van menige hengelsportcarrière onmiskenbaar heeft vervuld voor velen ophield te bestaan. Zo zijn bijvoorbeeld veel vlieg- en karpervissers andere wegen ingeslagen; ook mij is het als vliegvisser zo vergaan. Wat overigens niet wil zeggen dat ik niet meer met Fair Play hengels viste.

Als ik na al die jaren nu nog eens terugblik stel ik vast dat het Fair Play assortiment groot is geweest en nog altijd is. Natuurlijk kan niet elk hengel ontwerp even geslaagd worden genoemd, maar voor welke hengelbouwer geldt dat wel? Daarbij valt over smaak niet te twisten, al denken we daar met z’n allen in relatie tot hengels natuurlijk heel anders over….

Glas in alle kleuren

Belangrijker is de vaststelling dat sommige hengels echte klassiekers zijn geworden en onmiskenbaar verbonden zijn met onze Nederlandse hengelbouwhistorie.
De ultralichte en lichte spinhengels in holglas, de drie grams Floret voorop, en de brasem- en vlokhengels voor 10-12/00 bijvoorbeeld; de lange lichte karperhengels; maar ook een veel moderner grafiet twee grammertje als de Rapier heeft inmiddels cultstatus verworven.
Andere bijzondere hengels zijn de grafiet brasemhengel voor 10-12/100 en de lange vlokhengel van hetzelfde materiaal. Unieke hengels met een heel herkenbare signatuur.

Mijn persoonlijke slotsom is dat ook vandaag de dag Fair Play nog altijd een perfecte keus is, een keus die ik zelf maak voor een aantal modellen bedoeld voor de ultralichte visserij. Voor mij schijnt daar de Fair Play ster - net als toen - het helderst.

Niet alleen gebruik ik af en toe nog het materiaal waarmee het allemaal begon, maar ook bezit ik een aantal van de hedendaagse hengels uit het atelier van John; die overigens zelf nog altijd vist, wat niet van elke hengelbouwer gezegd kan worden maar wat ik zelf vanuit het oogpunt van de beleving wel sympathiek en daarmee een pluspunt vind.

En daarmee kom ik op het gegeven dat veel van de keuze om juist met Fair Play hengels te vissen vooral met gevoel en ook met smaak te maken heeft. Mij spreekt de consistent door de decennia heen gehanteerde stijl, zowel qua ontwerp alsook qua afwerking, erg aan.
En juist in deze tijd, na een periode waarin een kritische beschouwer componenten als de gebruikte geleideogen vaak terecht als (te) zwaar van gewicht taxeerde, zijn hengels als mijn persoonlijke favoriet, de grafiet vlokhengel in de lengte van 235 cm, maar ook bijvoorbeeld de Rapier en de Floret weer helemaal up to date. Voorzien van bijvoorbeeld de lichtere REC Recoil ogen, mooi kurk en geblauwde busjes zijn dit opnieuw geslepen klassieke juwelen.

Opnieuw geslepen juweel

Ook is er tijd en ruimte voor echt “custom” werk, wat natuurlijk bij een product in deze prijsklasse van handbouw past, maar bijvoorbeeld ook, en dat is niet alledaags, ten aanzien van kleurstellingen van de blanks. Zo beschikken sommige sportvissers inmiddels over moderne Fair Play hengels in retro Schreiner kleuren als geel en groen.

Vijfendertig jaar na dato ben ik dan misschien ongevoelig geworden voor het verhaal dat rond de hengels wordt verteld; feit is dat vele modellen simpelweg voor zichzelf spreken. Met mij is er een grote groep vissers die, vaak door jarenlange ervaring wijs geworden, uit de collectie z’n eigen keuze kan maken.

In een hengelsportwereld die met harde hand wordt geregeerd door investerings-maatschappijen, marketingafdelingen en de daarmee opgelegde continue vernieuwing, en waarin hengels naar het soms lijkt alleen maar nieuw of tenminste licht, strak en hard moeten zijn, betrap ik mij er zelf op dat ik net als destijds af en toe weer volop geniet van hengels die vooral ouderwets werpen en buigen en ook qua afwerking eigengereid of misschien wel gewoon een beetje wars zijn van de moderne tijd.

Echte hengels; oude liefde roest niet!

De lange tiengrammer van CJW

Een spinhengel is een heerlijke hengel om roofvis met kunstaas mee te vangen. Een goede spinhengel voldoet aan een aantal eisen. Hij moet de meestal lichte kunstaasjes precies kunnen werpen. Als dat ook nog eens ver kan is dat mooi meegenomen. Verder moet de haak goed kunnen worden gezet in de vaak harde roofvisbek. De hengel moet verder over een goede demping beschikken waardoor de haak niet gelost wordt tijdens de dril. Een hengel met een progressieve buiging heeft hierbij de voorkeur.
Vanwege al deze eisen was het in het verleden niet mogelijk een wat langere spinhengel te maken. Door de extra lengte werd de hengel slapper en trager waardoor het gevoel over het kunstaas verloren ging. Ook het succesvol zetten van de haak was nogal eens een probleem, zeker bij de grotere vissen. Met een langere hengel kan echter verder worden geworpen en het heeft ook zijn voordelen bij het vissen over de rieten of steenstort heen.
Cor Spinhoven heeft de handschoen opgepakt om een volwaardige tiengrams spinhengel met een lengte van 250 cm te maken. Aan mij de eer om de hengel eens goed in de praktijk te testen.

CJW Mosquito 3LV (speciale custom uitvoering)

In de polder is het vaak belangrijk om keer op keer precies te kunnen werpen, ook als er wind staat. Een spinner precies kunnen plaatsen strak tegen de overkant of tegen begroeiing aan is vaak het verschil tussen vissen en vangen. Met deze hengel is dit uitstekend te doen. Een kleine beweging uit de pols is al voldoende om met een onderhandse worp het kunstaas weg te zetten en precies daar te plaatsen waar je het hebben wilt. Iedere keer weer. En moet er wat verder geworpen worden dan is dat heel goed mogelijk met een bovenhandse of zijdelingse worp. Door zijn extra lengte werpt de hengel verder dan de vergelijkbare Mosquito 3 spinhengel met een lengte van 215 cm. Ook met deze hengel wordt eenhandig geworpen.

Na een nauwkeurige worp wordt het kunstaas binnen gevist. Het is van het grootste belang dat de bewegingen van het kunstaas optimaal worden gevoeld en kunnen worden beïnvloed. Ook nu weer een ruime voldoende voor deze hengel. Volgt er een aanbeet dan zal de haak met succes gezet moeten worden. Waar andere lange spinhengels het af laten weten slaagt deze hengel met vlag en wimpel. Tijdens de testperiode van een maand heb ik slechts drie missers gehad op een aantal van 37 gevangen vissen. De missers losten na een aantal seconden. De gevangen vissen die slechts minimaal werden gehaakt bleven door de prima demping toch hangen.

De hengel voelt onbelast strak en snel aan. Tijdens het drillen van de vis is het handig dat de hengel over een goede demping beschikt en de uitvallen van de vis iedere keer weer op weet te vangen, waarbij er wel de nodige spanning op de lijn blijft staan. En dat is absoluut het geval. Een vis moet heel wat kracht leveren om de hengel helemaal krom te trekken waarna de slip van de molen zijn werk gaat doen.

CJW Mosquito 3LV

Met een spinhengel loop je vaak lange tijd in de hand. Een goede balans in de hengel is dan van belang. De hengel mag dus niet topzwaar aanvoelen. Met een molen van 220 tot 250 gram ligt de hengel lekker in de hand. Ik heb Shimano molens in de grootte 2000 en 2500 gebruikt.

De vraag rijst natuurlijk of deze hengel wel een echte tiengrammer is. Naar mijn mening wel. Hierbij baseer ik mij op het ermee geviste kunstaas.
Volgens een tabel in het boek “De kunst van het kunstaasvissen” van Jan Schreiner zijn optimale spinners voor een tiengrammer slanke spinners van 45 mm en stompe spinners van 35 en 40 mm. Genoemde spinners blijken in de praktijk ook het meest prettig te vissen op deze hengel. Ook van iets kleinere spinners zijn de omwentelingen nog goed te voelen. Bij grotere spinners staat de hengel te krom om nog goed en gevoelig te kunnen vissen. Verder zijn mijn favoriete lepels van Pako (de PS, S, 6 en 9) ook uitstekend te vissen.
En omdat we toch bezig zijn met een opsomming van kunstaas dat optimaal te vissen is, een lijstje: (bont)streamers met een lengte tot 15 cm, shadjes gemonteerd op een loodkop van 3 tot 7 gram, kleine diepduikende plugjes zoals de Illex Cherry, Illex Chubby en Salmo Hornet, Jan Eggers tandemspinner 2 en natuurlijk een hele serie van ondiep duikende plugjes met een gewicht rond de tien gram. Dat dit slechts een kleine opsomming is mag duidelijk zijn. Het geeft slechts een beeld van het kunstaas dat optimaal geschikt is voor deze hengel.

Genoemd kunstaas is ook uitermate goed te vissen tijdens het slepend vissen vanuit de boot. Wat zwaardere ondiep duikende pluggen zijn dan eveneens goed te gebruiken omdat er niet geworpen hoeft te worden. Net als de ratelaars van Mann’s (Manniac) of Bill Lewis (Rattle Trap).

Populair kunstaas dat gebruikt wordt voor het vissen op roofblei is uitstekend met een bloedgang binnen te vissen. Ik noem de Rapala X-Rap en Rapala Long Cast, maar ook de eerder genoemde plugjes Illex Chubby en Salmo Hornet. Omdat deze hengel een erg goede demping heeft zal de keiharde aanbeet van een roofblei niet voor problemen zorgen.

Voor wie op zoek is naar een wat langere tiengrams spinhengel zal deze hengel een erg goede optie zijn. Een scala aan kunstaas kan optimaal bevist worden waarbij de extra lengte zijn voordelen heeft. Een hengel waar menig roofvis aan kan laten zien wat voor een prachtige sport wij mogen beoefenen.

De hengel wordt geleverd in matgroen, waarbij gekozen kan worden uit vier kleuren wikkelingen (zwart, donkergroen, donkerrood of donkerbruin). De hengel is voorzien van REC Recoil nikkel titanium ogen en afgewerkt met RVS componenten. De handgreep bestaat uit kwaliteitskurk en kan naar keuze worden afgebouwd met reelringen of een reelhouder. De verkoopprijs bedraagt 350 euro.

Met de Franse slag

Franse vissers hebben bij ons de naam vooral wedstrijdvissers te zijn, pikeurs met de vaste stok, jongleurs met ragfijn nylon en scherp uitgelode pennetjes. Die bijna spreekwoordelijke finesse beperkt zich echter niet tot de arena van het wedstrijdgebeuren, want Frankrijk is ook de bakermat van het “lancer léger”, het lichte werpen, waarmee Jan Schreiner ons uitgebreid liet kennismaken in zijn “Flitsend Nylon”.

Vaak wordt gedacht dat het ultralichte spinnen in Nederland is uitgevonden. Zeker is dat Jan Schreiner de schatkamer van het ultralichte spinnen voor ons Nederlanders heeft ontsloten. Maar even zeker is dat de sleutel hem door de Fransen werd aangereikt; hun vroege vistechnische raffinement leidde immers al voor de Tweede Wereldoorlog tot (ultra)lichte spinhengels. Gemaakt van, hoe kan het ook anders in die tijd, “bambou refendu”, bij ons beter bekend als splitcane.

Wie aan Frankrijk denkt, ultralicht werpen en aan splitcane kan niet om Pezon et Michel heen, de beroemde fabriek uit Amboise, die met name tussen 1935 (het jaar waarin namelijk de eerste twee Franse werpmolens werden geïntroduceerd, de Vamp en de Capta) en 1975 glorieerde. Maar om die fabrikant op het toppunt van zijn kunnen te brengen was echter een Franse hotelier en sportvisser nodig, de legendarische Charles Ritz.

Nog steeds in trek bij de kenners

Charles Ritz, inderdaad die van de beroemde hotels, was een sportvisser in hart en nieren en ook nog eens financieel onafhankelijk. Hij kon daarom reizen om te vissen, in die tijd ongewoon, en viste dan ook overal, met de bekendste vissers van zijn tijd, zoals Lee Wulff, Frank Sawyer, die van de nimf ja, maar ook met royalty en beroemdheden; zo was hij bijvoorbeeld bevriend met Ernest Hemingway. In 1958 richtte Ritz de hoogst exclusieve Fario Club op, met als leden de crème de la crème van de internationale hengelsportwereld, en als clubhuis The Ritz aan de Place Vendome in Parijs… Ritz was kortom gek van (vlieg)vissen en vooral ook van materiaal, en geldt ondermeer als de uitvinder van de parabolische hengelactie, de telescoophengel en nog wel wat meer.

Zijn inbreng als consultant van Pezon et Michel leidde na de Tweede Wereldoorlog tot de waarschijnlijk meest geroemde series van Pezon et Michel: de PPP vliegenhengels, waarover later misschien nog eens meer, en de Télebolic spinhengels.

Beide door Ritz ontworpen series waren op één in het oog springend punt al een radicale breuk met de gelijkdelige vliegen- en spinhengels die Pezon et Michel al sinds de dertiger jaren produceerde. Ze kenmerkten zich namelijk vooral door hun wel erg ongelijke delen: de top was werkelijk veel langer dan het achtereind, wat volgens Ritz, die een reputatie op te houden had als casting expert, bedoeld was om meer snelheid en precisie in het werpen te brengen.

De Télebolic spinhengels verschenen medio jaren ‘60 van de vorige eeuw op de Nederlandse markt, waren gemaakt van speciaal gehard splitcane (het zogenaamde bambou trempé) en gewikkeld in groen met donkerrode accenten. De ogen waren van het hardverchroomde Luxor type, het handvat was geheel van kurk, overigens in eerste aanleg ook in een speciale dunne (19 mm) uitvoering verkrijgbaar, met natuurlijk daarop twee reelringen. De hengels waren afgewerkt met Luxor afdekplaatje, cone en stootdop, waarbij de kleur van het afwerkingmateriaal blank of roze (latere versies) was. Een gebronsde bus met rode stipjes voor de juiste positie (splitcane houdt er niet zo van om gedraaid te worden, vandaar) completeerde het geheel. Het foedraal was hetzij beige, dan wel oranje, met daarop gestikt het P&M embleem. Alleen latere modellen hadden voor het tientallen centimeters kortere achtereind een op maat gemaakt stuk hout in de bus, zodat in het foedraal de delen even lang waren.

De voor het Nederlandse (polder)water meest geschikte modellen

Alle hengels waren voorzien van een serienummer, dat ondermeer de exacte bouwdatum weergeeft, en de type aanduiding “BB” met daarachter een cijfer. Alhoewel er ook zware modellen in deze serie bestaan zijn de bekendste en voor de Nederlandse (polder)wateren meest geschikte modellen de BB0, BB1 en BB2.

In “200 Ruisvoorntips” uit 1977 passeerden deze stokjes al de gezamenlijke revue van Kees Ketting en Henk Peeters, die niet veel woorden nodig hadden om voor een vlokhengel hun keus uit deze drie hengels te bepalen: “wij vinden de BB0 iets te slap,en de BB2 iets te stijf, vandaar dat we het liever houden op de BB1″.

Kees Ketting, die destijds al bekend stond als een liefhebber van Pezon et Michel, beschreef de hengels in het kader van een terugblik nadien nog eens in een paar zinnen in het verenigingsblad van “De Vissende Verzamelaar”: “De hengels zijn vinnig en werpen uiterst precies. Vooral de BB1 en de BB2 waren destijds zeer in trek als vlok- en als ultralichte kunstaashengel voor de polder. (Bij de kenners zijn ze dat nog steeds)”.

Voor we eens naar deze hengels kijken zet ik de belangrijkste kenmerken ervan even op een rijtje:

    BB 0: 1.67 meter, gewicht 85 gram, werpgewicht 0,5 tot 3 gram
    BB 1: 1.67 meter, gewicht 110 gram, werpgewicht 1,5 tot 4 gram
    BB 2: 1.83 meter, gewicht 135 gram, werpgewicht 3 tot 7 gram

De BB0 is echt een heel licht hengeltje. Het werpvermogen ligt op 3 gram, en ook een stomp spinnertje van 20 mm is hieraan nog heel goed te voelen, wat overigens niet van veel spinhengeltjes gezegd kan worden. Mijn exemplaar is van 1970, heeft het dunne handvat en wordt gebruikt met 10/00 gewone nylon. De actie is, inderdaad, wat aan de zachte kant voor een spinhengel en daarom is deze van de drie hengels het meest geschikt voor de vlok. Maar er kan wel degelijk mee gespind worden, al zorgt een snoek van 60 cm voor tamelijk klamme handen, niet alleen omdat er nauwelijks druk uit te oefenen valt met een anderhalfponds lijntje, maar ook omdat het een fragiel houten hengeltje betreft dat om enig beleid in het gebruik vraagt - en dus de angst voor splinters om de oren al snel de kop opsteekt.

De BB1 was in Nederland, afgezet tegen het destijds toch niet misselijke prijskaartje, waar je zowat twee handgebouwde holglas hengels van destijds toonaangevende winkeliers van kon kopen, toch een vrij populaire hengel en daarom een regelmatige verschijning in onze polders. Dit is ten opzichte van de BB0 een universeler te gebruiken 4 grams hengel, snel en ook strak, en ideaal voor het vissen met bijvoorbeeld de stompe 20-25 mm Terribles. Als het hengeltje in actie komt is het moeilijk om er niet verliefd op te worden, want wat werpt dit hengeltje zuiver en wat is het heerlijk “nerveus”. Ook verschaft deze hengel net wat meer zelfvertrouwen dan de BB0 bij het drillen van snoek tussen zeg 50 en 70 cm.

De BB2 is een lichte, meer all-round, spinhengel voor de polder, zes voet lang, met een vermogen van een gram of 7, misschien wel een grammetje meer, wat vandaag de dag nog altijd een perfecte keus is als de wind opsteekt of de keus moet vallen op een iets grotere spinner. Ook komt een klein plugje binnen het bereik van de mogelijkheden, maar de magie waarmee het ultralichte spinnen is omgeven gaat aan deze hengel een klein beetje voorbij, omdat hij, bespannen met 18/00 en een Luxor Rafale spinner eigenlijk meer een lichte dan een ultralichte spinhengel is. Maar dit is wel een mooie hengel als we net niet uitkomen met de lichtere familieleden; en met een werpvermogen van 7 gram is het een plezierige tussenmaat, die bij mij nog geregeld, vooral in de herfst, uit het foedraal komt.

Afgewerkt met Luxor afdekplaatje

Want ook nu nog, bijna 50 jaar na hun introductie, komen deze hengels overal ter wereld nog geregeld uit de foedralen. Daar is een reden voor; juist op deze lengtes en met dit vermogen doet het voornaamste bezwaar van splitcane – het gewicht – zich niet zo gelden en is dat gewicht onder de noemer “massa” bij het ultralichte spinnen een pluspunt bij het zetten van de haak. Vistechnisch zijn ze nog altijd bij de tijd, en onmiskenbaar gaat er een blijvende aantrekkingskracht uit van deze hengels, die een sensatie waren bij hun introductie en vele hengelbouwers tot inspiratie hebben gediend. Maar dat niet alleen, want wie ze ter hand neemt blijft maar zelden ongevoelig voor hun charme. Ze zijn, zo lijkt het, niet alleen gelakt met vernis maar ook met sfeer en romantiek en velen van ons weten dat ook in deze moderne tijd op waarde te schatten.

En ja, toegegeven, dit soort lichte sprietjes van splitcane hebben wel een beetje een gebruiksaanwijzing. Ze buigen niet graag verder door dan de bedoeling is, vinden het fijn om goed afgedroogd te worden na gebruik en ook wordt het op prijs gesteld als er af en toe wat tegengestelde rek- en strekoefeningen worden gedaan na heftige inspanning. Ze vragen kortom wat aandacht, maar belonen de bezitter daarvoor in ruime mate met deels ondefinieerbaar genot, waarin ook een deel van de attractie schuilt.

Wie vandaag de dag deelgenoot wil worden van dat genot moet weten dat eind jaren ‘90 de hengels nog enige jaren als kostbare heruitgave in de catalogus van Pezon et Michel prijkten. Wat mij betreft missen die de charme van hun roemrijke voorgangers. Wie juist interesse heeft in die klassiekers ziet op Marktplaats en eBay de hengels nog geregeld opduiken. Met uitzondering van exemplaren in echte, dus ongeviste, nieuwstaat worden er doorgaans geen torenhoge prijzen voor betaald. Een mooie hengel met foedraal verwisselt veelal tussen 100 en 150 euro van eigenaar, en daarmee zijn ze nu eigenlijk een stuk bereikbaarder dan ze bij introductie waren.

Alle reden dus om het eens “met de Franse slag” te gaan proberen, en als ik zelf dit gezegde lees - of hoor - dan dwalen in ieder geval mijn gedachten menigmaal af naar de foedralen met deze klassieke ultralichte hengels van Pezon et Michel, die ik hierbij - misschien wel opnieuw - aan u heb willen voorstellen.

Over karperhengels

Als reactie op het artikel “Pleidooi voor een klassieke penhengel” van Wim Ter Voert ontvingen we een artikel van Hans van der Pauw over karperhengels. Het artikel was in de jaren negentig al eens gepubliceerd in Het Visblad en later iets bijgewerkt voor zijn boek “Tijdloos Sportvissen”. Dat boek kreeg uiteindelijk echter een ander karakter en het artikel is daarin toen niet meer opgenomen.

In het midden van de jaren zeventig werkte ik free-lance in de hengelsportzaak van Ronald Fenger in Rotterdam. Er bestond daar toen een soort taakverdeling bij het adviseren van klanten, waarbij ik graag het karpervissen voor mijn rekening nam. Karperen was in die tijd als specialisme sterk in opkomst. De technieken die daar toen bij werden toegepast, zijn inmiddels “klassiek” gaan heten: in hoofdzaak penvissen, bodemvissen met weinig of geen lood en korstvissen. Als geld geen rol speelde en er geen uitzonderlijke visomstandigheden waren, was mijn advies duidelijk. De best denkbare all-round uitrusting was dan een Richard Walker karperhengel van Hardy (10 voet, 1,5 lbs testcurve en van holglas uiteraard) gecombineerd met een ABU Cardinal 44 werpmolen en een nylonlijntje van 6 à 8 pond trekkracht. Daar viste ik zelf ook het meest mee. En wat die uitzonderlijke omstandigheden betreft, het kwam wel eens voor dat iemand vaak viste op plaatsen waar struiken of overhangende bomen het manoevreren met een 10-voeter lastig maakten. In zo’n geval was dan bijvoorbeeld een 8-voets Hardy Spinning gemakkelijker te hanteren. Dergelijke korte hengels zouden vele jaren later als “stalking rods” opnieuw in trek komen.

De best denkbare all-round uitrusting

Inmiddels is er in de afgelopen 25 jaar veel veranderd in de meningen over wat de prettigste hengels zijn om karper aan te vangen, ofwel - en dat is meestal heel wat anders - wat de meest efficiënte hengels zijn om zoveel mogelijk karper per sessie mee op de kant te krijgen. Er kwamen andere materialen beschikbaar, zowel op het gebied van de kunstvezels (carbon, Kevlar, Dyneema) en de daarbij gebruikte harsen, als op het gebied van de afwerking van de hengel (zeer gladde, slijtvaste ogen, carbon reelhouders, duplon handgrepen en dergelijke). Er werden ook andere vistechnieken ontwikkeld, die om andere, vooral zwaardere hengeltypes vroegen. Maar de belangrijkste verandering was wel de mentaliteitsverandering die om zich heen greep. Het kwantitatieve eindresultaat van de visserij werd allesbepalend. Er telde in hoofdzaak nog maar één ding: zo veel mogelijk zo zwaar mogelijke karpers op je naam krijgen. De manier waarop dit verwezenlijkt moest worden, werd volkomen ondergeschikt gemaakt aan dit doel. Technieken waarbij een karper zichzelf haakt aan een zwaar stuk lood, bleken inderdaad bijzonder productief. Maar het eens zo verfijnde karpervissen zakte zo voor een belangrijk deel wel af tot een nogal lompe visserij. Vaak ook tot een luie en achteloze visserij, waarbij de vraag is gaan tellen: hoe doden we de tijd op onze stretcher tot het gepiep van de electronische beetverklikker ons eraan herinnert dat we zitten te vissen?

Terug nu naar de ontwikkelingen in het midden van de jaren zeventig. Rond die tijd drong hier van overzee het afstandsvissen op karper door, dat met name in het zuidoosten van Engeland sinds enkele jaren steeds meer werd toegepast. De vraag naar snellere en langere karperhengels - d.w.z. sneller dan de traditionele soepele Mark-IV types en langer dan de gebruikelijke 10 voet - nam daardoor ook in Nederland toe. Nu was Ronald Fenger in die tijd importeur van het befaamde merk Hardy en hij liet door deze firma exclusief voor zijn afzetgebied (de Benelux) een serie van aanvankelijk vier lichte, soepele werphengels bouwen (een ultralichtje en drie brasem- annex snoekbaarshengels), de zogenaamde Benelux-serie. Fenger zag er commercieel wel wat in deze serie uit te breiden met een karperhengel en hij vroeg mij daarvoor een ontwerp te maken. Overeenkomstig de vraag van dat moment stelde ik hem een wat langere, snellere karperhengel voor. Ik viste zelf al af en toe met een voor die tijd vrij snelle hengel, een door mij zelf afgebouwde strakke Fibatube-blank van het Avon-type (10 voet, 1,25 lbs). Die gebruikte ik voor het vissen op de lijn (free-lining), waarbij meestal met een snelle haal geslagen moet worden. Eind mei 1977 diende ik een op papier uitgewerkt ontwerp in voor een soortgelijke, even zware hengel, nog van glasvezel uiteraard, die wel iets langer was (10,5 voet) maar die daarbij toch zijn snelheid behield. Deze hengel kwam een aantal maanden later op de markt onder de naam Hardy Benelux V. Prijskaartje: 225 gulden. Ik geloof wel dat er in korte tijd behoorlijk wat van verkocht zijn, maar na een paar jaar was het nieuwtje eraf en bovendien kwam toen de ontwikkeling van karperhengels in een stroomversnelling, waarbij zowel door schrijvende vissers als in gerichte reclame door de handel in hoog tempo steeds weer andere, “nieuwere” hengels gepropageerd werden.

Zelf ben ik overigens nooit in het bezit geweest van zo’n Benelux V, al was het mijn eigen ontwerp - ik zat indertijd niet zo ruim in de slappe was. In de omstandigheden waarin een snelle hengel de voorkeur genoot, viste ik vrolijk verder met mijn zelfgebouwde Fibatube Avon en ik geloof niet dat ik daardoor veel tekort gekomen ben. Karperen doe ik echter nog altijd bij voorkeur op vrij korte afstand, vaak met een klein vlokdobbertje op de kruip-en-besluip-methode (”stalking”). En daarvoor is de Richard Walker karperhengel van Hardy nog steeds mijn favoriet. Een “ouderwetse” holglas hengel, jawel, en daarmee precies die soepele, taaie stok die ik voor geen enkele carbonhengel zou willen ruilen! Glasvezel is immers voor tal van doeleinden functioneel nooit achterhaald door carbon-fiber. Beide materialen hebben elk hun eigen voor- en nadelen en daarmee hun eigen toepassingsmogelijkheden. Voor sommige hengeltypes is carbon een superieur materiaal, andere kunnen weer beter van glasvezel worden gebouwd. Het valt dan ook te betreuren dat glasvezel vrij algemeen wordt beschouwd als achterhaald voor de hengelbouw en dat hoogwaardige hengels en blanks van dat materiaal nauwelijks meer worden geproduceerd.

Tijdloos Sportvissen

Toch blijkt er de laatste jaren weer sprake te zijn van een herwaardering voor hengels van glasvezel, wat zich onder meer vertaalt in de prijzen voor gebruikte holglas kwaliteitshengels, die nu vaak al meer opbrengen dan hun oorspronkelijke nieuwprijs. En sterker nog: in 2009 brengt Hardy zelfs opnieuw holglas hengels op de markt, een serie vliegenhengels in dit geval, vanwege de speciale mogelijkheden van dat materiaal.

Net als dat bij de Benelux-serie het geval was, maakte Hardy ook voor andere landen speciale hengels. Ik heb zelf in de jaren ‘80 Hardy zeeforelhengels gezien in Denemarken, en Jim Hardy schreef me toevallig in juli 2008 nog dat Hardy indertijd ook voor andere landen speciale hengels fabriceerde. Hij had het echter ondoenlijk gevonden ook die series op te nemen in zijn boek, “The House the Hardy Brothers built”, zodat daarin op de productielijsten alleen maar de hengels uit de Britse catalogi zijn opgenomen.

In mijn boek “Tijdloos Sportvissen” uit 2006 valt wat meer te lezen over de klassieke karperhengels, zoals de oorspronkelijke splitcane Mark IV hengels en hun holglas opvolgers, en over hoe daar indertijd mee gevist werd.

Pleidooi voor een klassieke penhengel

Het merk Hardy behoeft natuurlijk geen verdere introductie. Los van de grote historie en reputatie op het gebied van vliegvismateriaal heeft Hardy in de jaren ‘70 en begin ‘80 van de vorige eeuw namelijk veel energie gestoken in de verovering van Nederland, nu niet bepaald een land met een rijke vliegvistraditie.

Toch was er één nadrukkelijk in het oog springende overeenkomst tussen de thuisbasis in Engeland en ons Nederland: beide landen waren landen waar karper op bijzondere aandacht kon rekenen. In Nederland speelden pioniers als Dirk de Vries en Jan Schreiner in de vijftiger en zestiger jaren daarin een rol, op basis waarvan vooral Jan B. de Winter het karpervissen voor ons definieerde met zijn boek “Karpervissen” uit 1969. In Engeland is bijna alles op karpergebied te herleiden tot Richard (Dick) Walker, die in 1952 zijn legendarische Clarissa ving op Redmire Pool. De grote aandacht die daar jarenlang het gevolg van was en de grote bekendheid die Walker verwierf werd dankbaar benut door Hardy, dat Walker als adviseur verbond aan de firma. Walker stond dan ook aan de basis van de zeer bekende (eerste) Richard Walker Carp, een bruine holglas karperhengel met een testcurve van 1,5 lbs en een lengte van 10’ (305 cm), die in 1969 op de markt verscheen en voor velen in Nederland aan de basis van hun karperloopbaan heeft gestaan.

Startoog voorzien van een inleg in roodbruin agaat

Toch was deze stok, hoewel goed verkocht, voor ons Nederlanders eigenlijk geen ideale hengel. Naar vooral de maatstaven van de Amsterdamse School (in die tijd belichaamd door de winkels van Schreiner en Peeters) was de hengel eigenlijk te kort en ook wel iets licht, al weet ik ook uit eigen ervaring dat de Schreiners de Richard Walker Carp in die tijd afdeden als een stijve pook waar alleen op rivieren emplooi voor was te vinden. Wie nu een Richard Walker Carp (de eerste, pas later nr. 1 genoemd, de versie met nr. 2 is zwaarder) ter hand neemt, realiseert zich de indoctrinatie van het lichter vissen pas in volle omvang; het is namelijk naar de maatstaven van vandaag bepaald geen zware hengel…

Als onderdeel van het marketing offensief dat Hardy medio en eind jaren ‘70 startte in Nederland, ondermeer door de introductie van de Benelux-serie, een reeks van holglas spin- en snoekbaarshengels, lanceerde men de Benelux Carp. Daarbij was door de importeur heel goed gekeken naar wat er bij ons op karpergebied gebeurde en was dat ook werkelijk vertaald in het ontwerp.

De Benelux Carp was beduidend langer en ook iets zwaarder dan de Richard Walker Carp, namelijk 11,8′ (355 cm) bij een testcurve van 1,75 lbs. De hengel, als allroundhengel voor pen en waker bedoeld (de boilie moest immers nog worden geïntroduceerd), werd geleverd in het bekende donkerblauwe foedraal met zwart label. Eenmaal uit het foedraal ontvouwde zich aan het oog een donkerbruine blank, met het bekende oranje garen gewikkeld. De hengel heeft een volledig kurken handvat, aan beide zijden uitlopend, dat is voorzien van reelringen.

Hardy Benelux Carp

De hengel is afgemonteerd met negen hardverchroomde ogen, waarbij het startoog is voorzien van een inleg in roodbruin agaat. Het topoog heeft een doorzichtige voering. De hengel is in twee delen uitgevoerd en heeft een pensluiting die versterkt is met de bekende carbonfiber wikkelingen. Opvallend is dat het opschrift “Benelux Carp” met inkt is geschreven, daar waar de Richard Walker Carp en andere Hardy’s een decal voor het hengeltype opgeplakt kregen.

De productie vond plaats tussen circa 1979-1982 (duidelijkheid daarover is niet helemaal te krijgen) en de hengel kostte bij introductie, als ik het mij goed herinner, 295 gulden. Ik kocht mijn exemplaar in 1983 bij Henk Snoek Hengelsport in Amstelveen, die de hengel had ingeruild, en ik betaalde er 150 gulden voor, wat voor mij als student toen een heel bedrag was. Op de blank staat boven het handvat een code in cijfers en letters vermeld, wat in dit geval op fabricage duidt in oktober 1981.

Ik vond het destijds een vrij bijzondere hengel, waar voor mij een merkwaardig nostalgisch gevoel van uitging omdat de hengel eigenlijk iets ouderwets oogde, wat vooral door het agaten startoog kwam en de oranje wikkelingen, een stijlbreuk ten opzichte van mijn zwaardere en ook veel soberder Fair Play Winston Special Heavy. Meer dan 25 jaar later is dit nostalgische gevoel nog veel sterker: de hengel lijkt nu pas echt uit een andere tijd te komen. Leuk om te zien is dat degene die de hengel vandaag de dag ter hand neemt vrijwel onmiddellijk in verwarring is: is dit nou zo’n één driekwart ponder uit glas die door vrijwel iedereen als te zwaar en achterhaald is afgedaan? Want hoewel de diameter boven het handvat niet “modern” is, spot de hengel desondanks met de zwaartekracht. Bij weging stokt de naald van de weegschaal op ongeveer 250 gram en de totaalindruk is dan ook dat de hengel heerlijk licht in de hand ligt.

Ook de actie roept twijfel op: de stok is namelijk kaarsrecht, hangt niet door, is lekker vinnig en heeft ook nog eens een gevoelige top. Perfect voor een korst of een pennetje en pas bij flinke belasting komt het achtereind uit de luie stoel. “Reversed backtaper” noemde men dat destijds bij introductie, en het was en is een duidelijk verschil met de parabolische hengels die rond 1980 in en om Amsterdam werden verkocht. Die leverden weliswaar onder toenemende belasting steeds meer kracht, maar beschikten niet bepaald over een gevoelige top.

Het is nog steeds plezierig vissen met de Benelux Carp

Ook bij hedendaags gebruik valt op hoe enorm plezierig de hengel nog altijd werkt. Licht, perfect qua balans, nauwkeurig met het pennetje, en natuurlijk met die ongeëvenaarde elasticiteit van het glas waarop de karper zich, eenmaal gehaakt, vrijwel altijd rustig, zelfs bij obstakels, moe vecht. En, maar dat is persoonlijk, de hengel is ook gewoon erg mooi om te zien.

Los van het feit dat de hengel een lust is voor het oog, is het ook vandaag de dag een zeer gewilde penhengel, en dat vertaalt zich in de prijs. Een gebruiksexemplaar zonder foedraal zal zo rond 125-150 euro liggen en een mooie hengel met foedraal zal al gauw tussen de 170 en de 200 euro moeten opbrengen. Bedragen die inmiddels ook voor de veel minder schaarse Richard Walker Carp op tafel komen. Gezien de prijs van destijds en de geldontwaarding is dat geen bijzondere ontwikkeling. Maar juist de Hardy Benelux Carp is vandaag de dag, anders dan een fabriekshengel van hetzelfde bedrag, een investering waarop de komende jaren geen euro meer hoeft te worden afgeschreven. Mocht de hengel daarom ooit uw weg kruisen, dan is hij tenminste een overdenking waard, omdat het ook en vooral een investering is in nostalgisch hengelplezier. Met groot rendement!

Volgende pagina »