Een eresaluut voor Jan Eggers
Als zeer bekende Nederlander of iemand met een enorme staat van dienst krijgt men in Nederland een lintje of een wassen beeld in het museum van Madam Tussaud. Als je 25 jaar “professional” bent in de hengelsport met internationale bekendheid en een tiental kilometers kolommen hebt gevuld met een unieke en vakkundige inhoud over het sportvissen en speciaal over het vissen op roofvis, dan kom je daar eigenlijk best ook voor in aanmerking. De criteria daarvoor liggen meestal anders en daarom vonden wij het een goed idee om op de website van Flitsend Nylon een prominente plaats in te ruimen voor Jan Eggers.
Op 1 juli is Jan Eggers 65 jaar geworden en behalve dat hij dan zijn eerste AOW gaat ontvangen, gedenkt hij meteen het 25-jarig jubileum als hengelsportprofessional. Nee, niet dat Jan met het feitelijke sportvissen zijn brood verdiende (al zou hij natuurlijk niets liever gedaan hebben), hij heeft zijn dagelijks brood met daarop ook nog een behoorlijk beleg verdient als hengelsportjournalist en als hengelsportconsultant. En dat, zoals in de eerste alinea al aangeduid, niet alleen in het Nederlandstalige maar over heel veel landen in de wereld. Jan Eggers is zowel in Engeland als in Duitsland, als in de VS als in Tsjechië, om maar eens een paar landen te noemen een veel gelezen auteur en vaak als consultant om advies gevraagd door tal van bekende firma’s in de sportvisserij.
Op zijn staat van dienst staat o.a. ook zijn grote inzet en bijdragen aan de Snoek Studiegroep Benelux (SNB) die volgend jaar ook 25 jaar bestaat. De SNB met meer dan 2000 leden werd mede door Jan opgericht als navolging van de Pike Anglers Club in Engeland en Jan was ruim 20 jaar voorzitter van deze actieve vereniging.
Bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan werkt Jan momenteel aan een jubileumboek voor de SNB, over het wel en wee van “zijn kindje”, zoals Jan het zelf noemt.
Een afspraak voor een soort van interview was snel gemaakt en dus getogen Sjoerd en ik naar het Noord Hollandse Bovenkarspel. Het bleek de lange autorit van ruim tweeënhalf uur meer dan waard, want als Jan Eggers in zijn sportviswerkkamer op de hengelsportpraatstoel zit dan is hij een grote waterval van verhalen en belevenissen, die stuk voor stuk het noteren waard zijn.
Het moet voor Jan allemaal voorbestemd zijn want hij werd geboren in een streek waar het letterlijk barst van de mooie viswatertjes (speciaal voor het vissen op snoek) en niet te vergeten de nabijheid van het IJsselmeer waar Jan nog steeds menig uurtje op paling vist.
Sinds zijn allervroegste jeugd vist hij al. “Ik ben een echt natuurmens”, zegt Jan. Als je zou denken dat hij alleen met het vissen bezig is dan vergist men zich. Kievitennesten markeren… IVN… weidevogelbescherming… Het zijn zomaar enkele opmerkingen van Jan die de revue passeerden bij zijn bewering dat hij niets liever doet dan in de natuur verkeren. Jan’s vrouw Tine bevestigde dat Jan bijna iedere vrije minuut de deur uit is. Vaak nog even op paling, want dat zit bij Jan in de genen. “Mijn buren hebben niets te klagen, want we eten regelmatig samen een lekkere paling”, aldus Jan. “Ik weet niet meer wanneer ik begonnen ben met het vissen. Ik heb het in ieder geval van mijn vader geleerd. Als kind was is al gepakt door het vissen. Ik weet nog dat ik vaak aasvisjes ging vangen voor de hengelsportwinkel in Alkmaar, om zo een paar zakcentjes te hebben. Ik heb later mijn beroep gemaakt van mijn hobby en dat al gedurende 25 jaar”.
Jan begon als jong sportvissertje op baars, via de toen populaire baarswedstrijden (hij was verschillende keren kampioen baarsvissen, waaronder tweemaal federatiekampioen). Later werd hoofdzakelijk met aasvisjes op snoek gevist en met succes. Toen het kunstaas in de mode kwam werd dit dé uitdaging voor Jan. Hij perfectioneerde zijn technieken en dacht mee bij het ontwikkelen van nieuw kunstaas.
Jan kwam helemaal in de ban van met name grote snoeken. Snoeken van meer dan 100 cm. Voor veel vissers op snoek een droomgrens. Een belangrijk moment in zijn snoekersleven was het moment dat Jan een boek van Fred Buller in handen kreeg. Het wereldwijd befaamde standaardwerk The Domesday Book of Mammoth Pike van Fred Buller staat als gesigneerde authors edition in zijn rijk gevulde sportvisboekenkast.
Dit boek ging over zeer grote snoeken van meer dan 35 Engelse ponden (16,2 kilogram). Snoeken die gevangen werden in Engelse, Ierse en Schotse wateren. Er stonden echter geen snoeken in van het Europese vaste land. Jan was hier een beetje pissig over en besloot een brief te schrijven aan Fred Buller. Jan was bekend met zeker wel 30 tot 40 grotere snoeken die in andere landen in West-Europa gevangen waren. Hij las hierover immers in internationale hengelsportlectuur. Binnen een week kreeg hij een brief terug van Fred Buller met de vraag of hij wilde meewerken aan het zoeken van grote snoeken. Daarmee kon dan de informatie in de boeken van de historicus op snoekgebied Fred Buller worden uitgebreid en werd er ook gepubliceerd in het toonaangevende blad Pike and the Pike Angler. Jan werkte graag mee en dat was het begin van een sterke vriendschap en intensief contact. Zij hebben bijna wekelijks met elkaar nog telefonisch contact en vele keren hebben zij elkaar ontmoet, met name ook aan de waterkant o.a. met de gezamenlijk vriend Fred Taylor.
Fred Buller was het ook die aan Jan de titel “The Pike Ferret” heeft gegeven. Dat komt voort uit de jacht. Fred Buller is namelijk een fervent jager. Het jagen met fretten is in Engeland gebruikelijk en zo kwam het dat Fred Buller zijn maten Fred Taylor en Jan de “jonge fretten” noemde. Het vervolg met de titel “The Pike Ferret” lag daarna dus voor de hand.
Hoe is het er van gekomen dat Jan beroepsmatig in de hengelsport actief is geworden? Vroeger had hij al eens geprobeerd om voor ABU, Zweden te werken. Hij leerde toen ook zijn vrouw Tine kennen en de overstap naar Zweden is er niet van gekomen. Ook solliciteerde Jan bij Nederlands grootste hengelsportgroothandel Albatros. De alom bekende heer Vogel vroeg Jan tijdens zijn gesprek naar zijn drie favoriete roofvisattributen. Het eerlijke antwoord van Jan was: de ABU 505 - 506 als werpmolen, ABU Conolon als lijn en de ABU-reflex als kunstaas.
Het kan zijn dat Vogel niet zo blij was met dit antwoord want geen van die producten stond toen op zijn programma. Of dat de reden was dat Jan uiteindelijk toch niet bij Albatros kwam te werken laat zich nu alleen nog maar raden.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Eind zeventiger jaren heeft Jan Eggers voor het eerst enkele artikelen geschreven in clubblaadjes. Nadat hij via briefwisselingen over zetfouten in advertenties in contact kwam met de redactie van onder andere De Nederlandse Hengelsport kreeg hij de vraag om een artikel te maken. Dat kreeg regelmatig en vooral veel opvolging en Jan werd daarna ook al snel gevraagd door buitenlandse uitgevers. In overleg met zijn vrouw Tine trok Jan de stoute schoenen aan en besloot in 1983 om “beroeps” te worden. Op de zolder van zijn toenmalige huis werd een bescheiden kantoortje ingericht. “Nou ja”, aldus Tine, “een grote tafel op de zolder, met een TL-buis er boven en een typemachine”. Dag in dag uit en vele avonden ratelde de typemachine en produceerde Jan er zijn artikelen. Hij schreef voor veel bladen waaronder naast Nederlandse bladen, voor o.a. Fisch und Fang, Raubfisch (in Duitsland wordt Jan de “Hechtpapst” genoemd), The Inn Fisherman, Fiske Journalen en anderen. Vanaf 1981 tot 2006 was Jan hoofdredacteur van het Nederlandse deel van Voor en Door de Visser. Heel bekend daarin is zijn langdurige briefserie onder de titel Jan en Jan. Een briefwisseling met Jan Schreiner waarin menige discussie op papier werd gevoerd, wat tot interessante standpunten leidde.
Eén van de bekendste was het standpunt over het lichte vissen. De school van Jan Schreiner staat voor altijd zo licht mogelijk te vissen. Resultaat is dan bijna altijd een mooi gekromde hengel. Eggers hulde het standpunt wel licht te vissen maar niet te licht. “Waarom 12/00 gebruiken als men hetzelfde resultaat met 23/00 kan behalen”. Het is in Jan zijn ogen geen prestatie om dun te vissen. “Je moet verantwoord vissen”, aldus Jan en “aan het welzijn van de snoeken denken, niet té lang drillen als dat niet nodig is. Je kunt ook groter kunstaas gebruiken die in verhouding moet zijn met de gebruikte dikte van de lijn en de actie van de hengel”.
Zijn bekendheid en vooral zijn vakmanschap op het gebied van het roofvissen gebruikt hij tevens om als hengelsportconsultant te functioneren. Van het schrijven alleen kon men niet leven en dus werden er afspraken gemaakt met hengelsportfirma’s in binnen- en buitenland. Jan zijn idee was het namelijk dat hij met al zijn kennis goed in staat zou zijn om verschillende firma’s te adviseren in productmanagement en productontwikkeling. Hij kende immers de Europese markt goed, beter gezegd de Europese visserij. Het was in die tijd echt niet zo gemakkelijk voor firma’s als Zebco, Berkley en Rapala om producten te maken die ook effectief waren in West-Europa. Het was niet zo vanzelfsprekend dat producten die in bijvoorbeeld Amerika goed vingen, meteen ook grote vangers waren in onze contreien. Daar lagen dus mogelijkheden en de afspraken die daarna als hengelsportconsultant werden gemaakt hebben de firma’s waarvoor Jan Eggers werkt en heeft gewerkt ook op de Europese markt succes gebracht.
Met name de productontwikkeling is volgens Jan een dankbaar werkgebied. Hij werkte o.a. mee aan verschillende kunstaasproducten van Rapala, waarbij men moet denken aan vorm, kleur, combinaties, haak- en lipposities, enz. In de Benelux verbond Jan zich aan Ultimate Hengelsport, dat mede daardoor een grote ontwikkeling doormaakte op het gebied van roofvissen.
“Maar ik ben daarnaast altijd blijven vissen”. Jan zegt het als een soort van verontschuldiging toen hij enthousiast vertelde over zijn consultant activiteiten. “Door de vele contacten kreeg ik ook regelmatig uitnodigingen om te komen vissen en daar kon ik geen nee tegen zeggen”. Inmiddels heeft Jan op veel mooie viswateren zijn kunstaas te water gelaten en in 19 landen grote snoeken gevangen.
Sjoerd kon het vervolgens niet laten om Jan te vragen naar zijn favoriete kunstaas. Zijn vraag was: “maak eens top vijf van je favoriete kunstaas”. Daar hoefde Jan niet lang over te denken. Hij somde meteen de volgende vijf “vangers” op. De jerkbait Fatso 10 zinkend, de Jan Eggers tandem spinner, Rapala J11 (jointed), Mepps Lusox (onverzwaard) en de Rapala Super Shad Rap.
Bij de vraag naar zijn favoriete hengels kwam best een verrassend antwoord. Jan vist natuurlijk niet met slechte hengels. “Ik heb wel enkele zelfbouwhengels, maar vis net zo lief met standaardhengels van Berkley”. Als werpmolen staat de ABU 506 - 507 nog steeds bovenaan. “Dat zijn onverwoestbare werkpaardjes”.
Tijdens het gezellige gesprek in Jan zijn werkkamer kijk je natuurlijk ook om je heen. Je waant je in een bibliotheek. Honderden hengelsportboeken, heel veel over het vissen op snoek en andere roofvissen, maar ook karper en witvis ontbreken niet. Zelfs het boekje 200 Wedstrijdtips van ondergetekende stond op het schap. Jan wilde dat ik het nog even zou signeren, maar bij het openslaan bleek dat mijn toenmalige lijfspreuk er al in stond: “Old fishermen never die, they only smell that way”, met daaronder mijn paraaf. Verbazingwekkend is de verzameling nationale en internationale tijdschriften. Jan zegt er nooit eentje weg te hebben gedaan, zelfs niet de Russische en Tsjechische visbladen waarin het zelf geen letter kan lezen.
Jan gaf meteen ook een leuke tip mee voor de bezoekers van onze website. “Leuk om te lezen… Classic Angling” van onder andere Fred Taylor. “Helemaal naar jullie smaak, met veel nieuws en artikelen over vintage en lang beproefde hengelmethodes. Trouwens de aanschaf van een of meer van de nieuwe boeken van de 82-jarige Fred Buller is ook altijd een goede investering. Ik heb exemplaren die inmiddels meer dan het tig-voudige van de aanschafprijs waard zijn”, aldus Jan.
Aan het eind van ons gesprek kwam nog even het record ter sprake van een artikel dat Jan in maar liefst 16 verschillende tijdschriften geplaatst zag. The biggest Pike of the World, was een artikel dat hij 16 maal mocht publiceren.
Jan heeft veel, zeg maar gerust heel erg veel geschreven! Van het schrijven van een boek was het tot voor kort nog niet gekomen, behalve natuurlijk dat hij meewerkte aan Das grosse Rapala Buch. In 2007 publiceerde hij echter zijn eerste boek onder de welluidende titel Poldersnoek. Een praktijkboek voor het vissen op snoek in Jan zijn geliefde omgeving. In dit boek wordt het vissen met kunstaas en de daarbij passende materialen besproken. In het boek is aandacht voor de klassieke manier van vissen als ook voor vrij nieuwe technieken zoals het vissen met jerkbaits en groot en diepzwemmend kunstaas. Natuurlijk wordt ook het welzijn van de gevangen snoeken niet vergeten. Het succesvolle boek geldt nu al als een standaardwerkje dat geen enkele zichzelf respecterende kunstaasvisser mag missen.
Maar er is meer goed nieuws. Nu hij bijna 65 jaar wordt en wat meer tijd ter beschikking krijgt heeft hij, als hij het jubileumboek voor de SNB klaar heeft, met Bertus Rozemeijer de afspraak dat zij binnenkort een boek gaan maken naar voorbeeld van het boek Fred Buller. Een klassiek boek met een lijst van zeer grote snoeken, boven 18 kilogram en groter dan 125 cm. Een goede investering voor later, tenminste als Jan het goede voorbeeld van zijn vriend Fred Buller volgt.
De activiteiten van Jan Eggers zijn dus nog lang niet ten einde. Jan blijf je als sportvisser en natuurliefhebber tegenkomen. Misschien dat hij later toch nog eens een lintje krijgt. Deze bijdrage op onze website is wat ons betreft een eresaluut dat Jan Eggers in meer dan 25 jaar dik en dik heeft verdiend.
In gesprek met Jan Schreiner
Onze internetsite Flitsend Nylon ontleent zijn naam aan één van de beroemdste boeken, zo niet hét beroemdste boek uit de Nederlandse hengelsportliteratuur. Het boek werd in 1950 geschreven door Jan Schreiner die ook wel de nestor van de Nederlandse hengelsport wordt genoemd. Wilfred Assenberg had als redacteur van het magazine De Nederlandse Vliegvisser in het najaar van 2001 de eer om de bekende visser en schrijver op te zoeken in zijn woonplaats en een interview af te nemen voor het voornoemde vliegvisblad. Wilfred’s grootste passie is er op uittrekken met een ultra-lichte spinhengel en een kort vliegenhengeltje. Toentertijd door Jan Schreiner aangeduid als de dodelijkste combinatie om veel te kunnen vangen in Neerlands wateren. Vanwege deze overeenkomst vond Wilfred het dan ook een eer om het interview af te nemen en heeft er nog steeds dierbare herinneringen aan.
Wij vinden het dan ook niet meer dan logisch om dit interview te plaatsen als ode aan de man die vissend Nederland in al die jaren zo’n dienst heeft bewezen.
Ik ben op weg naar Neerlands meest bekende visser, woonachtig in het rustige Purmerend. Ik ben ook een beetje nerveus. Al vanaf m’n tiende jaar was de naam Schreiner verbonden met de kunst van het vissen, met name licht en weidelijk vissen zoals alleen hij dat zo mooi kon beschrijven. En nu zou ik dan eindelijk eens met hem mogen praten. Al z’n artikelen in het toenmalige magazine Vissport las ik met aandacht en na enige tijd kon ik ze gewoon uitspellen. Door hem kreeg ik één ideaal: in je eentje ver de polder inlopen en de wateren verkennen met een lichte vliegenhengel en een ultra-lichte spinhengel, dé wapens voor de polder.
Jaren later moet ik daar nog aan denken als ik met alleen een schoudertas met daaraan een vliegenhengeltje aftma 4 en in m’n hand een 5 grams spinhengel op een doordeweekse dag door een van de Zuid-Hollandse veenpolders stap. Nog steeds merk ik dat na 30 jaar deze man zo’n invloed op mijn vissersbestaan heeft gehad, dat ik altijd behoorlijk geïrriteerd raak als ik mensen schamper over hem hoor praten. Jan Schreiner met z’n ideeën zou uit de tijd zijn, hengels met bussen hoe verzin je het, geneuzel over licht vissen en vis veel te lang drillen. En iedereen weet het beter. Hoe komt het dan dat ik aan de waterkant zulke slechte vissers zie?
Het kost even moeite maar dan heb ik z’n huis gevonden. Een rijtjeshuis waarvan de voorkant niet direct verraadde hoe mooi het er van binnen uitziet. Toen ik de afspraak telefonisch maakte, was al duidelijk dat Jan niet meer zo gezond was. Toen hij de deur opende, schrok ik dan ook een beetje. Amechtig hijgend wenste hij me welkom in z’n huis. Ik ging achter hem aan de trap op naar z’n werkkamer. Eenmaal in zijn kamer vertelde hij me dat hij me bijna had afgebeld. Z’n hart en longen waren op, zo hadden de doktoren hem verteld. De dagen waren soms zwaar. Hij sliep vaak meer dan veertien uur, moest vaak naar het toilet en daarna hijgde hij onverklaarbaar als een werkpaard. Bij voorbaat excuseerde hij zich daarvoor. Maar kon ik dat deze man van 84 jaar kwalijk nemen?
Na deze eerste kennismaking was het al gauw duidelijk: het blaadje met de vragen kon ik wel weggooien. Deze man aan een vragenspervuur onderwerpen, zou getuigen van gebrek aan respect. Ik zou hem laten praten, laten praten over wat hem boeide, bezighield. Over wat hij kwijt wilde.
Jan Schreiner werd ooit door een Belgische castingclub aangestoken tot het vliegvissen. Jan kwam uit een artiestenfamilie en, zo vertelde hij, groeide op bij opa en oma in Den Haag.
Jan: “Van kinds af aan was ik al gek op water. Voorntjes ving ik. Het vangen was eigenlijk nooit belangrijk; nooit geweest ook. De schoonheid van het vissen trok me aan. Ik snap bijvoorbeeld nog steeds niet wat men aan feedervissen vindt. Dat is toch niet mooi, dat lompe gedoe? Een beetje met een dikke lijn en zo’n zware korf vissen. Da’s nou niets voor mij.”
Wilfred: “Waar viste u zoal in het Haagse?”
Jan: “De Schenk, dat was m’n watertje. Daar begon het. Geen verfijnde visserij natuurlijk. Eerst met de goede oude Japanner aan de gang. Dat waren trouwens nog best goede hengels. Zeevissen trok me niet zo, veel te grof, net als het vissen met levend aas. Snoeken met levend aas was me te saai. Je hoeft er immers weinig voor te doen. Het fijne vissen trok me altijd. Natuurlijk nog niet als je zo jong bent.”
Al snel volgt er een uiteenzetting over wat in zijn ogen goede hengels zijn. Daarbij blijft hij terugkomen op massa en snelheid, begrippen die volgens hem nooit goed begrepen zijn. Als ik hem zo hoor, denk ik telkens: “wat weet die man toch veel”. Of het nu allemaal klopt, doet niet terzake. Het is kennis en die zou eigenlijk wat meer gerespecteerd moeten worden.
Ik probeer wel het gesprek een beetje te sturen omdat ik weet Jan hier niet over uitgesproken raakt en het gesprek dan te eenzijdig zou worden. Want ik zou wel eens willen weten hoe het allemaal is begonnen voordat Jan daadwerkelijk zich commercieel in de hengelarij stortte.
Jan: “Ik ben nooit commercieel bezig geweest. Ik ben begonnen bij een transportbedrijf. Vervolgens werd ik gevraagd bij Peeters en Snel, waarbij later Jos Peeters alleen verder ging. In die tijd verscheen ook mijn eerste boek “De polder in”. Ik geloof dat ik toen door ene Jan Roelofs, een splitcanebouwer, bij Peeters terecht ben gekomen.”
Wilfred: “Niet commercieel? U had toch een eigen winkel?”
Jan: “Ja, als je ‘t zo wilt noemen, dan is dat commercieel. Maar ik heb nooit productie gedraaid.”
Grappig hoe Jan tegen commercie aankijkt. Commercie lijkt bij hem gelijk te staan aan gebrek aan liefde voor de hengelsport en alleen oog hebbend voor het grote geld.
Jan: “Eenmaal in de hengelbusiness beland, ben ik, na mijn tijd bij Peeters, door de sigarenhandelaar Willem Persoon gevraagd om samen met hem een hengelsportzaak te beginnen. We vestigden ons aan ‘t Klein Gartmanplantsoen in Amsterdam. De heer Persoon verhuisde vervolgens naar Portugal en zoon John kwam er toen als 15-jarige jongen bij. Vanaf toen gingen we samen verder als Schreiner en Zoon en verhuisde de winkel naar de Roelof Hartstraat.”
Wilfred: “Legde u zich snel toe op het spinvissen? Daar kennen velen u van. Ook ik ben door uw verhalen verslingerd geraakt aan ultra-licht spinvissen. Eigenlijk ken ik u niet zo van het vliegvissen. Vindt u uzelf wel een vliegvisser?”
Jan: “Ik vind mijzelf in eerste instantie een kunstaasvisser. En ja zeker, ik ben een vliegvisser. Alleen het vliegvissen kan door slecht weer niet altijd zo bevredigend zijn. Daarom ging ik vaker met de spinhengel op stap; tenminste, wanneer het de roofvis betrof. Ik ben verzot op het buigen van de hengel. De schoonheid die daarvan uitgaat. Daarom ben ik bekeerd geraakt tot de vliegenlat. Ik snap de hedendaagse vliegvisserij dan ook niet meer. Al die ondergekwalificeerde, stijve grafietpoken. Die hengels buigen niet meer. Heeft u wel eens een moderne hengel voor een viertje in uw handen gehad? Dat is gewoon lachwekkend. Die hengel is gewoon niet te laden met een vierlijn.”
Onvermijdelijk komen we weer op actie, massa en buigen van hengels. Volgens Jan behoort een hengel geladen te worden en dien je pas voor grotere afstanden de striphand te gebruiken. En ik ben het met hem eens. Ook ik houd niet van die poken en vertel hem dat ik zelf twee glashengels bezit. Hij glimlacht daarbij. In Amerika, zo vertel ik hem, beginnen de glashengels voor het vissen op kleine beekjes weer populair te worden. In mijn enthousiasme blijf ik doorratelen over mijn tochten door Pennsylvania en New York. Over kleine stroompjes, afdalingen in een smal verlaten dal, over wilde brooktrout, over het vissen in een tunnel van gebladerte.
Als ik hem aankijk, vallen mij zijn glimmende ogen op en de zachte glimlach. Ik weet dat we ineens dezelfde taal spreken.
Mijn ogen dwalen af naar de boekenplank. Hij ziet het en staat moeizaam op en loopt naar de kast.
Jan: “Kijk, daar staan de eerste drukken van Flitsend Nylon, naar verluidt nog steeds een gewild boek. Wist u dat er twee maal een eerste druk is verschenen bij twee verschillende uitgevers?”
Wilfred: “Ik zie daar ook het boek “Vissen in Ierland” staan. Toen ik met mijn ouders in 1976 naar Ierland ging, had ik dat boek al van voor naar achteren doorgelezen.”
Jan: “En, had u er wat aan?”
Wilfred: “Ja zeker, alleen denk ik dat het nu niet meer klopt voor veel gebieden. U zou Ierland niet meer terug herkennen. Toen ik in 1998 er een fietstocht doorheen maakte, stonden er al hoteltorens langs Lough Corrib.”
Jan: “Ja, ik kwam er al net na de oorlog. Toen had u het moeten meemaken. Een geweldig land en geweldige mensen. Er is veel veranderd, ook de mentaliteit en de sfeer. Je vindt er nauwelijks meer van waar ik vroeger over schreef.”
Wilfred: “Ik zie ook een ingebonden bundel Vissport staan. Jammer dat het blad allang ter ziele is. Ik keek al dagen van te voren uit naar de verschijning van een nieuwe uitgave.”
Jan: “Dat was een leuke tijd. Ik heb daar met veel plezier aan gewerkt. Dat kwam voornamelijk door de vrijheid die je daar kreeg bij het schrijven.”
Jan staat ineens op. “Ik moet vaak erg plassen”, zegt hij en sjokt langzaam naar het toilet. Een soort vertedering maakt zich van mij meester als ik deze oude man zo zie weg schuifelen. Als hij terugkomt, schrik ik een beetje van het zwaar en amechtig hijgen. “Dat gebeurt nu altijd als ik heb geplast”, verontschuldigt hij zich. “De doktoren begrijpen er ook niets van”.
Als ik zo naar hem kijk, begrijp ik dat zijn zoon John me al waarschuwde. “Als je m’n vader wilt spreken, zou ik maar snel zijn”, zei hij over de telefoon tegen me. Dat begin ik nu pas te begrijpen. De beste man is gewoon op. Hij ziet m’n ongerustheid en zegt: “Mijn hart en longen zijn volledig opgebruikt. Ik ben soms zo moe dat ik er al ’s avonds om half acht in lig en er pas de volgende dag na tien uur uitkom”.
Wilfred: “Mijnheer Schreiner, u maakt op mij de indruk dat u absoluut niet opziet tegen de dood.”
Jan: “Inderdaad. Ik heb een goed leven gehad. En bij leven hoort de dood. Dat is een biologisch proces. Weet u, dood gaan is zo vreselijk simpel, waar zou je je druk om maken. Het enige dat ik jammer vind, is dat ik m’n vrouw moet missen. Ze heeft zoveel voor me gedaan. En ze is slechtziend. Daar maak ik me een beetje druk om.”
Ik begin de man steeds sympathieker te vinden en vertel hem dat ik nu begrijp waarom zijn zoon John altijd met zoveel respect over z’n vader heeft gesproken.
Jan: “Ja, ik heb altijd goed met m’n kinderen overweg gekund. Ik weet dat John veel om me geeft. John lijkt veel op mij. Zo heeft hij bijvoorbeeld één keer met levend aas gevist en ik geloof één keer op zee makrelen getakeld. Dat zegt wel wat over hem. Getallen zeggen hem niets. In dat opzicht lijkt hij zeker op mij.”
Ik kan het niet laten om toch even op m’n lijstje met vragen te kijken en vind het toch tijd voor een zeer persoonlijke vraag die ik tactisch probeer voor te bereiden. Het antwoord daarop is even eenvoudig als onthutsend.
Wilfred: “Met respect mag ik u een oude man noemen. Een oude man heeft veel gezien, veel meegemaakt. Als u “geroepen” zou worden en u kreeg nog één kans voor een visdag, hoe en waar zou u die willen doorbrengen?”
Jan: “Ik zou ‘m nooit gebruiken. Er valt zoveel weg als je oud bent. Vroeger was ik ook een schrijver; zelfs gedichten schreef ik. En dan de fotografie, die andere passie. Maar d’r blijft niets meer over. Je verliest met de jaren de belangstelling. Vroeger viste ik iedere maandag met m’n zoon John. Dat kan ik ook al niet meer en daar moet je vrede mee hebben.”
Ik merk op dat hij ineens een vermoeide indruk maakt. Op mijn vraag of hij wil stoppen, zegt Jan dat hij graag weer even wat wil gaan slapen op de bank. We lopen naar beneden en hij laat mij even het riante huis zien met een mooi uitzicht op een prachtige tuin. Daar zal hij binnenkort afstand van moeten doen want noodgedwongen wacht hen nu een verzorgingsflat. Het huis is te veel voor zijn vrouw en hem.
Bij het weggaan, krijg ik nog een krachtige warme hand toegedrukt. Ook hij heeft het een prettig gesprek gevonden. En ook beter dan het laatste interview want daarbij bleven de vragers ook nog eens tweeëneenhalf uur na-bomen.
Ik beloof hem een kopie van het artikel over dit gesprek toe te sturen. “Wacht u daar niet te lang mee?”, vraagt hij. “Zoveel tijd heb ik niet meer”.
Ik loop in een wat vreemde toestand terug naar de auto en vraag mij af hoe ik dit gesprek met mijn jeugdidool ga neerschrijven.
Jan Schreiner is vijf jaar na dit interview op 29 november 2006 op 89 jarige leeftijd overleden in het verpleeghuis te Purmerend. Een overzicht van zijn werk is hier te vinden.






