Op zoek naar de koning van British Columbia - deel 2/2
Op één van de vroege ochtenden hoorden we tijdens het inslaan van wat lokale vliegen - je hebt er natuurlijk nooit genoeg al heb je er veel - dat er een Grizzly encounter was geweest aan de rivier, minder dan 200 meter van een plaats waar wij ook al eens met de raft waren geland. We hebben de gids die het overkwam zelf gesproken. Die man zag er helemaal niet goed uit; wel fysiek ongeschonden maar mentaal nog flink beschadigd. De beer was een kijkje komen nemen toen hij een zalm aan het bereiden was aan de rivier; wat natuurlijk vragen om moeilijkheden is. Nou was dat een jonge beer en de gids was er in geslaagd de beer af te schrikken met een bijl (“I swung an axe at him”). Mijn vader had dat verhaal met enig scepsis stilzwijgend aangehoord en hem toen plotseling gevraagd: “let me guess: you sell axes, don’t you?”. Dus dat was wel even lachen. Gids Jeroen verzekerde ons dat hij de bewuste gids kende en dat het verhaal van de ontmoeting ongetwijfeld klopte.
Hoe dan ook, daags erop stond ik vrij diep in de rivier, maar een halve kilometer of zo van de plaats van dat incident, en ik haak een King. Ik begon maar vast naar de kant te waden want ik had wel een beeld van wat er te gebeuren stond. En ja, de vis schoot opeens als een kogel naar de snelle secties van de rivier. Dus het bekende ritueel volgde: lijn strakhouden en langs de oever mee rennen om de vis bij te houden. Nou komt er een moment – als de vis niet losschiet natuurlijk - dat de vis binnen moet komen en dat doe je niet door de lijn zo veel mogelijk op de reel te krijgen; je verliest dan alle rek, die er toch al zo beperkt is met een vliegenlijn en volglijn (de leader is meestal maar tot anderhalve meter lang) en dus moet je naar achteren gaan lopen, net zolang tot je de vis kunt “beachen”. Nou vindt zo’n zalm dat helemaal niks, dat beachen, en dus zijn dat hachelijke taferelen waarbij het water hoog opspat omdat de zalm z’n laatste runs maakt op dertig centimeter water… een schitterend gezicht! Maar ik denk dat ik bij dat naar achteren lopen op de rivierbank nog nooit zo vaak over m’n schouders naar achteren heb gekeken als tijdens die dril. Zo’n verhaal met een Grizzly kruipt dan toch onder je huid. De beer bleef weg, de vis kwam binnen en die woog rond de 30 pond. En dan zit je wel even na te genieten hoor!
De dag erna haakte ik op de rand van de snelle stroming en een wat rustiger gedeelte weer een naar het zich liet aanzien grote vis. Omdat de vis een beetje bleef bokken en trekken maar eigenlijk niet van z’n plaats kwam dacht ik in eerste aanleg aan een grote Chum. Ik riep dan ook naar Derek: “Chum!”. Derek keek naar de hengel, waarvan zes, zeven ogen in het verlengde van de lijn stonden, en riep terug: “Could be a Chinook, I’ve seen this before”. De vis bleef rustig. Minuten verstreken maar van de vis naar mij toe krijgen was geen sprake, het had er eerder de schijn van dat de vis helemaal niet wist dat hij gehaakt was. Ik bewoog maar vast richting de oever en kwam aan land. Achter mij hoorde ik “Ja!”. Ik keek naar Pa die een meter of vijftig verderop met een dubbelgevouwen hengel stond te gebaren dat Derek moest komen. “You hold this fish, right, as I’m gonna help your dad, OK?” zei Derek. Hij verdween richting Pa.
Na een halve minuut komt mijn Abel reel tot leven en begint de reel in een misselijk makend tempo lijn af te geven. Ik houd de boel zo strak als mogelijk – dat is maatwerk, de leader heeft een trekkracht van twintig pond dus als het buigen of barsten wordt dan is het 100% zeker de hengel die barst – maar er is geen houden aan. Nadat meer dan de helft van de backing is verdwenen besluit ik, gids of geen gids, te gaan rennen. Na driehonderd meter over de keien en twee bomen ben ik op gelijke hoogte met de vis en kan ik de lijn flink verkorten. Weer een schot richting zee. Weer rennen, wat met waadpak en waadschoenen over blokken en stronken niet direct heel comfortabel is. Pa en Derek kan ik inmiddels niet meer zien. Nu wordt het penibel, want de rivierbank waarop ik sta eindigt over een meter of twintig met een onderbreking door een zijrivier.
Ik draai de slip nog twee tandjes aan. Nu staat de bovenste twee meter hengel naar de vis gevouwen en voel ik het laatste beetje kracht uit mijn TCX wegvloeien. Breuk hangt heel nadrukkelijk in de lucht. In de verte komt Derek weer aangehold. Ik vrees hevig voor een laatste run naar zee; als de vis nu nog één keer besluit het ruime sop te kiezen en de hoofdstroom bereikt gaat het beslist fout. Maar de vis lijkt juist met de kop stroomopwaarts te liggen, ik kan hem inmiddels op een meter of dertig uit de kant in de oppervlakte zien slaan. Op instructie van Derek loop ik ver naar achteren, blokkeer ik uiteindelijk de slip en zie ik hoe Derek de vis in het net krijgt. Ook zie ik hoe hij zijn handen voor z’n mond slaat en dan naar mij op de oever roept: “That’s a big girl, man!”
Ik draai de volglijn op en kijk in het net. Een grote Chinook. Ik kan de vis vervolgens nauwelijks voor de foto omhoog houden want ik krijg mijn hand er ook niet goed onder, ze is veel te breed. Na een lengte en omtrek maat te hebben genomen is de conclusie dat de vis “in the low forties, but definitely in the forties” zit. Ze haalt net geen één meter tien…
Dat ik, terug bij Pa, die mij omstandig feliciteert en zich verontschuldigt voor het feit dat zijn knieën echt geen halve kilometer gestruikel langs de oever toelaten, op de eerstvolgende worp weer een King haak en land - maar nu een kleine, iets gekleurde, wat er op duidt dat de vis even in de “tidal section’ heeft gezeten alvorens op te trekken - doet er niet meer toe. Genoeg is genoeg. We poseren met de kleine Chinook en gaan daarna langdurig ons geluk overdenken.
Wat moet je verder nog van zo’n trip beschrijven? Dat vliegvissen ontstellend productief kan zijn en niet alleen moeilijk doen is? Dat we op de laatste middag ons helemaal klem hebben gevangen aan Chum’s en haast elke worp een vis tussen 12 en 20 pond opleverde? Dat we uiteindelijk meer dan 200 zalmen hebben gevangen? Ik denk het niet.
Wat nog wel onderbelicht is gebleven, is de natuur. Sprookjesachtig mooi. De rivier, de bomen, de besneeuwde toppen erachter, de stilte, de vele arenden in de lucht, de vogeltjes die over het wateroppervlak scheren. De wolkenluchten. Alles even mooi… Met als rode draad de altijd aanwezige rivier, soms laag, soms hoog, altijd mooi en indrukwekkend. Het verblijf in de Pioneer Lodge is ons goed bevallen. Onze hoop dat wij in navolging van Rusland een paar kilo kwijt zouden raken werd echter niet bewaarheid. Daarvoor leggen Pip & Jezz je te zeer in de watten, het was beslist “truly excellent” en de ambiance droeg belangrijk bij aan de hele ervaring.
Het team van Jeroen, dat verder wordt gevormd door Derek, Manon en David, is op en top professioneel en resultaatgericht, niet alleen in termen van vis maar ook van het welzijn van de vissers, die hier nu eenmaal klanten zijn. We zijn dan ook bepaald onder de indruk van de Skeena River Lodge experience maar zijn enigszins bevreesd dat wanneer op grote schaal bekend wordt wat Jeroen hier presteert het vissen met hem er niet eenvoudiger op gaat worden. Hij heeft het nu al erg druk maar dat zal alleen maar erger worden nu ook zijn internationale faam snel toeneemt.
En ja, we hebben nu het plaatje van het zalmvissen completer gekregen. Niet dat we nu experts zijn, maar we zijn inmiddels, en niet zonder succes, zowel in het walhalla voor de Atlantische zalm geweest, Kola, als in het epicentrum van de Pacifische zalm, de Skeena regio. Een paar woorden nog daarover. Wat Rusland biedt is naast het vissen ook introspectie, om niet te zeggen een welhaast psychedelische trip. De taal, de grauwheid van Rusland, de leegte van oost Kola, de onvermijdelijke wodka, het niet donker worden, het draagt allemaal bij aan het gevoel van desoriëntatie. Als je daar aan de rivier zit, honderden kilometers van zelfs maar een rudimentair bewoonde wereld, met alleen een afspraak met een helicopter om je weer op te halen, dan ben je je bewust van het feit dat dit alles niet meer alleen over een hobby gaat. En de omgeving daar appelleert hevig aan dat gevoel; en daar zijn, in die leegte, voelt heel natuurlijk aan. Het verblijf daar is dan ook een soort van bewustwording: dit is nu wat we als mens honderdduizenden jaren achtereen hebben gedaan, en niet het vissen in zo’n gebied voelt daarom als buitenissig, onze moderne maatschappij lijkt dat te zijn.
Maar dat gezegd hebbende is onze conclusie dat voor wat betreft de vissen zelf de Skeena regio superieur is aan Kola. Want aantallen, formaat, de kracht, alles valt dan in het voordeel uit van de Pacifische zalm. Maar… er is wel een maar. Want die Pacifische zalm moet diep worden gezocht en dus, afgezien van de steelhead, worden bevist met zware sinktips. Dat moet je liggen, en het is heel wat anders dan met een drijvend lijntje een Atlantische zalm verleiden, die de vlieg ook niet zelden van de “surface” wil halen. Wat je als eleganter, gracieuzer en ook visueel aantrekkelijker kan zien. Daarom geven veel vissers op Atlantische zalm niets om Pacifische zalm; de “manier waarop” spreekt hen simpelweg niet aan.
De ook vaak gehoorde tegenwerping van de hardcore Atlantische zalmvisser dat hij niet wil vissen op een vis die na het optrekken dood gaat moet iedereen maar even op zich laten inwerken.
Wij zelf hebben dat ook gedaan en we zijn tot de slotsom gekomen dat we daar geen boodschap aan hebben; de vis wordt “fresh from the ocean” gevangen, net als een Atlantische zalm, en we spannen ons natuurlijk tot het uiterste in voor een “safe release”.
Die zalm zwemt weer weg, het water spat daarbij hoog op en wat er daarna gebeurt is niet aan ons mensen maar aan de natuur. En als (zalm)vissen ons iets heeft bijgebracht dan is het het besef dat het is zoals het is. De natuur heeft altijd het laatste woord.
Extra groot of juist extra klein…
Het zijn altijd dezelfde vliegvissers die met goede vangsten thuis komen. Je kent dat wel. Terug in het pension of hotel van je favoriete vliegvisbestemming, na een dag lang en intensief vissen… En dan komt er een collega vliegvisser/hotelgast van het viswater terug en heeft een supervangst bij zich of laat die supervangst zien op mooie foto’s op zijn digitale fotocamera… uit hetzelfde viswater waar je diezelfde dag ook actief was.
Pijnig je dan ’s avonds achter een glas wijn of biertje je gedachten, wat je fout hebt gedaan of was je gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plek? Of, kan die collega vliegvisser beter of verder werpen dan jij? Of, heb je de verkeerde vlieg aan de vliegenlijn gehad? Je wist helemaal niet dat er zo’n grote forellen of veertigplus vlagzalmen in dit vliegviswater zwommen. Allemaal logische vragen waarop je geen antwoord hebt.
Zoals vaak bij het vliegvissen, zit het geheim niet in de antwoorden op al die vragen. Het geheim, als je daar tenminste van kunt spreken, zit in de tactiek. In de wijze van aanpak van die collega vliegvisser. Misschien “durft” deze vliegvisser meer dan jij. Behalve werp- en presentatietechniek en goed materiaal speelt de keuze van de juiste vlieg waarmee je de vissen wilt vangen een belangrijke rol. Zeker… jouw vliegen vangen ook vissen. Maar juist die bijzondere vangsten, die blijven bij verkeerde keuzes uit. Dan moet je eens een andere vlieg durven te kiezen.
Grote vissen zijn, dat mag je aannemen, meer ervaren dan kleinere en jongere vissen. Grote vissen zijn meer selectief en misschien juist daarom wel groter en ouder. Die levenservaring zorgt er voor dat grote forellen of vlagzalmen niet elke vlieg, die wordt aangeboden zonder meer nemen. Het moeten goede imitaties zijn, in de juiste grootte, in kleur en in silhouet. Zelfs wanneer dat het geval is blijven de ervaren grote vissen kritisch. Grote vissen zullen moeilijker tot stijgen te verleiden zijn dan kleinere exemplaren. In het algemeen fourageren grote vissen bijna uitsluitend aan de bodem.
Toch heeft iedere vliegvisser kans om grote vissen te vangen. Die moeten, als het ware, verleid worden. Daarvoor moet je tactisch wel wat in huis hebben. Stap dan af van de traditionele vliegen die je gebruikt. Zoek meer het aparte op. Neem een extra kleine of juist een extra grote vlieg. Een vlieg die je normaal niet aan de lijn zou knopen. Juist dan wordt het eetgedrag van de vis op de proef gesteld. Zoals bij de presentatie van groot aas dat een vis vaak niet kan weerstaan.
Of juist een kleine vlieg die tot azen leidt. Een kleine vlieg heeft minder details en is dus voor de vis slechter te herkennen. De vis kan dan niet zo kritisch zijn. U zult het zien… kies voor groot of kies juist voor klein; het resultaat kan heel verrassend zijn.
Onze ervaring
Ik spreek uit eigen ervaring. Hier zijn enkele voor zich sprekende voorbeelden. In het seizoen 2009 was ik te gast aan de Schwarzwalder rivieren de Breg en de Wolf. Beide rivieren herbergen ook mooie grote vissen. In de Breg viste ik op een stuk met matige stroming. Mijn visstek was ongeveer 150 meter na een stroomversnelling. Direct onder de stroomversnelling werden uitsluitend beekforellen gevangen. Vissen van 30 tot 35 cm. Van vlagzalmen had men hier nog nooit gehoord. Toch landde ik die middag een aantal mooie vlagzalmen tussen 35 en 42 cm. Dat was alleen mogelijk met zeer kleine droge vliegen op haak 20. Zonder goede ogen of een sterke bril nauwelijks aan de lijn te knopen. Het duurde een tijdje alvorens de tactiek met de extra kleine vlieg werd toegepast. Regelmatige verschenen ringen van stijgende vissen op ongeveer 1 meter vanaf de oever aan de overkant. Ik viste vanuit het midden van het water, ter plekke ongeveer 25 meter breed, in de richting van deze oever en presenteerde mijn favoriete Klinkhamer grizzly op haak 14. De ringen bleven komen, maar geen vis die zich interesseerde voor mijn droge vlieg. Andere vliegen stonden evenmin in de belangstelling.
Na ruim 20 minuten en het wisselen van de tip van de leader van 0,14 mm naar 0,12 mm fluorocarbon, besloot ik om een extra kleine vlieg te monteren. Opnieuw een Klinkhamer, een high-vis parachute op haak 20 . De vlieg werd ruim twee meter voor de “ringen” geplaatst. En jawel binnen een half uur stond mijn hengel meerdere keren krom en beleefde ik prachtige vliegvissport. Vooral, omdat grote vlagzalmen aan 0,12 mm leaderpunt zich niet één-twee-drie laat binnen vissen. Met enige gevoel en goed afgestelde slip kan het echter wel.
Extra groot
Dat “extra groot” zich eveneens uitbetaalt laat zich raden. Toch is het niet logisch om bijvoorbeeld een terrestial (landinsect) op haakgrootte 8 aan te binden als je gewend bent om te vissen met droge vliegen op haak 16 of 14 en een vlieg op haak 12 voor jou al een joekel is.
Het was eveneens in hetzelfde seizoen 2009, dat ik in de rivier de Wenne in een diepe en snelle pool, circa 500 meter bovenstrooms van het voetbalveld in Wennholthausen, mijn geluk beproefde. Een zeer aanlokkelijke pool waar volgens ieder vissersgevoel altijd wel enkele grote vissen moesten staan. Direct onder een flinke stroomversnelling trekt de beek hier met grote snelheid door een vernauwing. In de diepe geul, waardoor het water zich doorheen moet persen, zou men normaal met een zware nimf vissen. Maar zelfs dat is op deze plek erg moeilijk, want de nimf krijgt nauwelijks tijd om af te zinken. De lijn gaat met grote snelheid en trekt ook grote nimfen snel weg van de bodem. Om op de leader ter verzwaring van een of meerdere loodhagels te plaatsen strijkt mij tegen mijn vliegvissersharen in. Niet dat ik zo’n purist ben maar het moet wel vliegvissen blijven.
Het besluit om een zwart-rode Foam Beetle op haak 8 aan te knopen moet je als een tactische zet zien. Deze extra grote foam kever heeft een enorm groot drijfvermogen en is door de toef witte yarn bovenop, erg goed zichtbaar. De rest laat zich raden.
Een beekforel van veertig plus is voor de Wenne een absolute kanjer. En dan ook nog op een droge vlieg. Dat ik deze vis nog stroomafwaarts moesten volgen en het water tot bijna aan de rand van mijn waadpak kwam te staan alvorens ik deze vis kon landen, heb ik op de koop toe genomen. Extra groot bracht mij uiteindelijk deze Wenne-recordvis. Ik weet zeker, dat deze vis never en nooit aan de haak was gekomen van een traditionele droge vlieg of nimf met een haakgrootte van bijvoorbeeld 12 of 14.
Tactiek aanpassen
Het advies zal duidelijk zijn. Pas de tactiek aan. Probeer extra groot of als dat nodig is extra klein. Dat betekent dat je in de vliegendoos deze vliegen paraat moet hebben. Je zult bij de voorbereidingen van de visdag met de mogelijkheid om met deze kleine of grote vliegen te vissen rekening moeten houden. Het kan verrassend goede vangsten opleveren. Overigens, behalve extra groot of extra klein behoort een afwijkende kleur ook tot de tactische mogelijkheden. Twijfel dus niet aan je werpkunsten, het materiaal of kennis van het water… maar spreek het tactische repertoire aan. Dat is je nieuwe recept. Succes!
Van steekstokken en opstekers
De opsteker is iets bijzonders. Is een opsteker voor veel mensen allereerst een gelukje of een meevaller, en voor sommigen misschien een stuk werktuig, voor menig visser roept het woord opsteker iets anders op. Hij of zij zal stellig denken aan de naam van de eigen hengelsportvereniging, of aan de redactionele openingen van het blad “Vissport”, of misschien gaan de gedachten uit naar die ene, unieke registratie van de aanbeet met de klinkende naam opsteker. Voor mij zelf is een opsteker onlosmakelijk verbonden met vissen op brasem. Niet zomaar vissen, maar misschien wel met de essentie van vissen, de kern waarbij het voor mij allemaal om gaat bij het vissen.
Door zijn vorm en door de wijze van azen is de brasem veroorzaker van de ultieme opsteker. Simpel met een vaste telescoophengel van vijf meter, vissend op een meter of vier water. De hengel mag wel een wat “slap” karakter hebben. Dat wil zeggen een telescoop hengel die onder zijn eigen gewicht al wat doorbuigt. Een hengel die flink krom kan gaan om de brasem te pareren. Kortom, een vaste hengel die nieuw bij voorkeur niet duurder moet zijn dan 15 euro. Daarbij een pen met lange antenne, en een stuk nylon net iets minder lang dan de hengel lengte. Een beetje brasem is op deze combinatie een sportvis van de bovenste plank.
De pen wordt uitgelood (met een hele rits kleinere loodhagel verdeeld over een flink stuk nylon) totdat het rode puntje nog net zichtbaar is, en zodanig afgesteld dat het onderste loodje op de bodem rust. Op die wijze is er misschien een halve centimeter van de antenne zichtbaar.
Bij een aanbeet zal de pen zich tergend langzaam verheffen. Dan, schuin in het oppervlak hangend… aarzelend… om vervolgens toch richting te kiezen en in de diepte te verdwijnen. Of de pen steekt nog hoger en hoger en valt plat op het wateroppervlak, alwaar hij stil blijft liggen. Even gebeurt er niks. De pen ligt daar roerloos, of dobbert plat op de kabbel. De visser zou nu de hengel zachtjes kunnen heffen, de vis zal vast en zeker hangen.
Maar de finale komt nog. Het sluitstuk vangt aan, ingezet door een minieme beweging van de pen, alsof ze huivert voor wat komen gaat. Wellicht gevolgd door een kleine verschuiving, wanneer de pen in het wateroppervlak draait als de trillende naald van een kompas, op zoek naar de juiste richting. Eens de koers bepaald, is er geen houden meer aan. De pen richt zich nog eenmaal op en laat zich een laatste keer in volle glorie aanschouwen. Een laatste dans op de kabbel, om na de toegift definitief van het toneel te verdwijnen…
Dan is de voorstelling afgelopen. Niets herinnert er nog aan het drama van enkele ogenblikken geleden. Er klinkt geen applaus, de zaal is leeg. Slechts twee toeschouwers in een bootje zijn getuige van dit spel. Voor buitenstaanders aan het zicht onttrokken zitten zij daar… te midden van flarden mist die, in het gedempte licht van de ochtendschemering, een vaste vorm krijgen in de contouren van een wereld ter grootte van een hengellengte. Door die omzoming verborgen voor de buitenwereld, is er in deze binnenwereld het voorzichtige geklots van water hoorbaar. In een regelmatig ritme maakt de boot korte, holle klanken die worden gedragen door een heldere galm. Het zijn de eerste rimpelingen op het water die onder tegen de boeg aanlopen, alwaar ze hun weerklank vinden in het unieke geluid van de stalen schouw. Een steekstok beweegt even mee met de boot wanneer de visser zich opmaakt…en kort is er het geringe geruis en gekraak van touw dat langs de steekstok schuurt. Ergens klimt de zon richting de kimmen, getuige een verandering in het licht. Maar wáár de zon zal opkomen, is niet zichtbaar. De mist zelf is nu de lichtbron, en een allesomvattend diffuus schijnsel schildert de binnenwereld in een kleur die niet te noemen is, een nuance ergens aan het eind van het spectrum of daarbuiten. Spoedig zal de zon deze nevel goeddeels doen oplossen. En wat ervan overblijft zal verwaaien. Wat dienst deed als een zorgvuldig opgetrokken rookgordijn is dan niet meer. De wereld strekt zich weer uit tot de einder en geeft zijn geheimen prijs. Maar eerst nog niet. Nu is het tijd… het nylon loopt strak… de korte lengte van de opslag biedt geen speelruimte meer.
Nee, de vissers in het bootje zijn geen toeschouwers. Zij zijn de spelers in dit spel.
Dromen in Dalarna 3 - Eindelijk vakantie!
Wilfred en Brenda kennen elkaar nu inmiddels ruim vijf jaar. Al na één jaar wisten ze het: samen verder door het leven. Hierdoor veranderde het vrijgezellen leven voor Wilfred drastisch. Ineens woonde hij samen met een vrouw en haar twee dochters.
Na het snel achter elkaar overlijden van zijn beide ouders en z’n nieuwe situatie als ouder/opvoeder werden voor Wilfred andere waarden belangrijker. Samen met Brenda dagdroomde hij over verhuizen naar rustiger oorden, naar vrijheid, naar bossen met riviertjes en verstilde meren. Het zo populaire emigreren, is door hun omstandigheden nog niet voor hen weggelegd. Maar ze wilden het wel dichterbij brengen.
In een serie artikelen kun je hun verhaal van hun huizenjacht in Zweden volgen waarbij het vissen en hun gezamenlijk passie voor water het leidmotief is.
Ik zit achter de computer en kijk naar buiten. Het is al donker maar de dagen beginnen al te lengen. Het is tijd om de boot van Kiel naar Götenborg te boeken. Of zullen we toch maar de duurdere boot via Oslo nemen?
Het is eigenlijk gekkenwerk dat je al maanden van te voren de boot moet boeken. Scandinavië stijgt nu eenmaal in populariteit. Dat ervoeren wij ook in de zomer van 2007. Naar Zweden zouden we gaan, hadden we tegen de kinderen gezegd. “Gatver, wat moet je daar nu doen”, was gelijk het antwoord. En laten we eerlijk zijn. Zij waren Kroatië gewend en daar zouden ze met hun natuurlijke vader ook dit jaar weer heen gaan. Dat is dan weer één van de weinige voordelen van een scheidingssituatie: je ontvangt alles dubbel dus ook de vakantie.
Toch vonden ze het ook wel spannend want we zouden met de boot gaan met onbeperkt eten; smörgåsbord, zo’n typische lopend Zweeds buffet. En kunnen eten en drinken wat je wil, is altijd goed…
De rit naar Kiel ging voorspoedig en aangezien ik overal en altijd op tijd wil zijn, betekende dat we uren op de parkeerplaats konden rondhangen voordat we boot op mochten. Als alles gaat rijden, breekt de heerlijke chaos los. Want organiseren kunnen de Zweden niet. Uiteindelijk staat iedereen drie rijen dik onder in de boot. Snel de bagage er uit en dan zo snel mogelijk naar de vier persoonshut. Wel eerst met z’n allen goed onthouden waar en op welk dek de auto geparkeerd staat. Het is altijd verwonderlijk hoe de oudste, die veelal graag dwars ligt, zich opwerpt als iemand die het allemaal wel regelt en weet.
De hut bleek klein maar comfortabel. De bedden werden uitgeklapt en ik pakte alvast de douche terwijl de kinderen knokten wie er boven of onder mocht liggen. Even later dwalen we over het dek en zien in de verte de kust van Denemarken aan ons voorbij glijden. De zon schijnt mooi over het water en iedereen komt al goed in de stemming. Met een behoorlijke trek begeven we ons naar het buffet waar geen woord te veel over is gezegd. Allemachtig, wat een eten! Allerlei soorten vlees en vis, diverse groentes afgewisseld met typisch Zweedse gerechten en ik weet niet wat nog allemaal meer. Brenda en ik scheppen het bord wel drie keer vol, daarna een kaasplankje en afsluiten met de keuze uit een mix van zo’n acht soorten nagerechten. En alles weggespoeld met licht Zweeds bier en wijn. Dat was overigens de laatste keer dat we onbeperkt wijn en bier nemen want de boetes zijn niet mals. Wat dacht je van een bon van circa 2.000 euro en een half jaar brommen? Onderweg spraken we een Nederlander die het was overkomen in 2005.
’s Nachts sliepen we weinig. De kinderen waren druk in hun slaap, Brenda was bang dat er één zou gaan slaapwandelen en ik lag al te denken aan de volgende dag. Dus enigszins geradbraakt verschenen we aan… alweer een lopend ontbijtbuffet… maar wel met goede zin voor de dag die komen zou.
Het van de boot afrijden was al net zo’n zenuwengedoe als de boot oprijden. Ik had maar één ding in ‘t hoofd: zo snel mogelijk de goede rijksweg vanuit Göteborg pakken en tempo maken. We hadden immers een lange reis voor de boeg. De eerste locatie in deze drie weken was een goed aangeschreven camping in het zuiden van de provincie Dalarna, ook wel de meest Zweedse provincie genoemd. Maar daarvoor moesten we eerst langs het grote meer Vänern rijden. Als alles nieuw is voor je, doe je veel indrukken op. De heenweg leek dan ook ontzettend lang en het was ook niet meer dan begrijpelijk dat de kinderen het na een aantal uur behoorlijk zat waren. Ook wij hadden na een tijdje het gevoel, komt hier nog wel een einde aan? Maar met de kaart op schoot en de omgeving goed in de gaten houdend, zie je toch dat je langzaam dichter bij je doel komt.
br>
Als dan eindelijk de Camping Johannisholm opdoemt, is alles vergeten. We worden welkom geheten en naar onze hut begeleid. Geen superluxe onderkomen maar alles is aanwezig en de kinderen slapen op een soort zoldertje dat het geheel al spannend genoeg maakt. Het uitzicht over het meer is fenomenaal maar na het lange rijden ben ik nog maar de enige die daar oog voor heeft. Iedereen gaat uiteindelijk bekaf onder zeil en slaapt een gat in de dag.
br>
De volgende dag wordt de omgeving verkend en natuurlijk zie ik al ongekende vismogelijkheden. Maar goed, je bent met het gezin dus dan is het toch aanpassen. Gelukkig heeft deze camping goed begrepen waar mensen voor naar Zweden komen. Het wordt dan ook gerund door het Nederlandse echtpaar Peter en Pauline; beiden afkomstig van Defensie en jaren geleden naar Zweden geëmigreerd. Men organiseert kompastochten voor de kleintjes, vlotten bouwen voor de pubers en mensen die er met z’n allen op uit willen, kunnen aan een heuse moerastocht deelnemen. Bever en elandsafari’s behoren eveneens tot de mogelijkheden. En voor de actievelingen zijn er kano’s te huur voor een lange tocht of kan men een klimwand trotseren. We zouden ons niet vervelen.
Als ik ’s avonds aan de elandsafari deelneem, voel ik mij niet echt lekker. Uiteindelijk besluit ik toch maar mee te gaan. Helaas wordt ik ’s nachts geveld door een raar soort virus dat de camping teistert. De leiding van de camping begint behoorlijk nerveus te worden als de één na de ander gast doodziek in bed ligt. De vrouw van het stel dat de camping leidt, wordt uiteindelijk ook getroffen. Het virus is verschrikkelijk; ik lig de gehele nacht te braken en na de zesde keer spugen ben ik zo hondsziek dat ik alleen nog maar dood wil.
Als ik uiteindelijk voel dat het afneemt en ik langzaam wegzak in een diepe slaap heb ik ‘t gevoel dat ik nog nooit zo dankbaar ben geweest. Zo ziek kan een mens zijn. Ook Brenda is kapot want die heeft de gehele nacht met een emmer kunnen rondlopen. Alleen Judith, onze oudste, wordt licht door het virus getroffen en daarna is ook dit ongemak achter de rug. De volgende dag stond immers een ruige tocht met quads op het programma en daar moest en zou ik aan mee doen. En met wat paracetamol in de pens moest het lukken.
Met een vijftal quads gingen we ’s middags op pad. Helm op, uiteraard, want het kan ook aardig mis gaan. Judith zou bij de begeleider achterop gaan. Eerst reden we een proefrondje waarbij ik er gelijk achter kwam dat het helemaal niet makkelijk was. Uiteindelijk kreeg ik ‘t apparaat onder controle en daar gingen we. Dat het ruig zou worden, bleek na een half uur rijden wel: nauwe paadjes met boomwortels, afgewisseld met steile hellingen en af en toe prachtige vergezichten. In één woord geweldig. Later kwamen we ook nog ’s een jonge elandenkoe tegen en de middag kon voor Judith en mij niet meer stuk. Ondanks de slapte in de benen was ik blij dat ik mij toch had vermand en mee was gegaan.
Britt verkoos als kleine opdonder de klimwand te trotseren. Hiermee oogstte ze bij één van de begeleiders grote waardering en uiteindelijk wist deze haar helemaal naar de bovenzijde van de wand te praten. Ik doe ‘t haar niet na.
In de avonduren werd er door mij uiteraard gevist. De rivier die vlak bij de camping in het meer uitmondde, is de Vanån. Deze staat goed aangeschreven voor middelgrote snoek en daar waar ‘t harder stroomt is het een goede vlagzalmrivier. Ik heb mij alleen beperkt tot snoek en die zat er in grote hoeveelheden. Maar wat heb ik veel gemist. Kleine pluggen en streamers werden ingezet. Het was opvallend dat de meeste aanvallen op de plug plaatsvonden op het moment dat de plug stillag. Die truc heb ik vaak herhaald met af en toe een fraaie 70-er als resultaat. Een fototoestel ging nooit mee, daar moest teveel voor gezwoegd worden want je kreeg de vissen niet voor niets. Met de lieslaarzen aan was het hard werken om vanaf de zompige oevers te vissen. Klimmen over stenen en onder overhangende takken doorkruipen… aan het eind van de avond ging ik doodmoe terug naar de camping, meestal geheel onder de bagger. Onderweg zag ik sporen van bevers en elanden. En de stilte, die was overweldigend.
Met weemoed verlieten we na ruim een week de camping. Het echtpaar Peter en Pauline had het allemaal mooi voor elkaar en we beloofden ooit nog ’s terug te komen niet wetende dat dit sneller zou zijn dan we dachten.
We reden de prachtige provincie Dalarna uit in zuidelijke richting naar de provincie Värmland. Dit deel wordt duidelijk door meer Nederlanders bezocht. Hier kwamen we dan ook tal van huisjes van Nederlanders tegen die verhuurd werden. Ook wij hadden een huisje van een particulier gehuurd. Op zich een leuk optrekje maar het was voor mij toch allemaal te veel een soort Benidorm van Zweden. Als je in een winkel komt en men vraagt in het Nederlands waar de kaas ligt, dan heb ik ‘t snel gehad.
Ook hier hadden we weer prachtig zomerweer op een enkele regenbui na.
Natuurlijk was de overgang van de camping naar een huisje aan de rand van de bossen nogal groot maar er bleek in de omgeving genoeg te doen. Met name het grote waterattractiepark in het plaatsje Sunne was voor de kinderen het einde. En ik? Ach, ik vermaakte mij wel met het bestuderen van de Zweedse jonge meiden: daar zat geen gram verkeerd aan!
Na enkele dagen begon het weer de kriebelen. Er moest toch weer even gevist worden. Al wadend trok ik langs de brede rietkragen en lelievelden. Streamers, lepels en pluggen werden langs de vegetatie getrokken maar een aanbeet bleef uit. Toch was ‘t een prachtig meer waar ik ’s avonds naar toe toog. Er werden ook beste snoeken gevangen maar allemaal trollend vanuit een boot. Mogelijk dat het warme weer debet was aan het uitblijven van vangsten in de oeverzone.
Op de kaart had ik gezien dat het meer overging in een riviertje. Op een avond begaf ik mij naar dit riviertje. De vliegenhengel liet ik thuis en daar zou ik spijt van krijgen. Na even zoeken vond ik een pad met een bruggetje waar ik de auto kon parkeren. Gewapend met een Fair Play 10-grammer en een tas vol kunstaas baande ik mij een weg door het struikgewas. De muggenolie had ik rijkelijk op handen en gezicht gesmeerd en dat bleek geen overbodige luxe.
Door eerdere ervaringen was ik er van uit gegaan dat dit weer zo’n traag stromende beek zou zijn met diepe pools; vaak water voor middelgrote snoek. Dat er forel of vlagzalm zou zitten, verwachtte ik niet in dit deel van Zweden. Toen ik een snel draaiende spinner tegen de andere zijde plaatste en deze langs een boomstronk trok, was ik dan ook stomverbaasd dat er een schooltje vlagzalmen van redelijk formaat achteraan zwom. Tot twee keer toe werd de spinner geattaqueerd maar door de kleine, onderstandige bek lukte het de vlagzalmen niet de spinner echt vol in de bek te nemen. Inmiddels kon ik mij wel voor m’n kop slaan dat ik mijn vliegenhengel in het huisje had gelaten. En diep geviste nimf zou hier wonderen hebben verricht. Het water was ook nog eens glas maar dan ook glashelder zodat ik de vissen goed kon waarnemen.
Na deze frustratie baande ik mij verder een weg. Dit soort gebieden zijn nu eenmaal niet makkelijk toegankelijk dus er werd veel gevraagd van mijn doorzettingsvermogen. Klimmen en klauteren, dan weer onder takken door, de beek in en weer uit. Mijn shirt begon al aardige zweetplekken te vertonen.
Op een gegeven moment kom ik bij een flinke bocht in de beek. De oever in de binnenbocht loopt langzaam af en ik loop met de lieslaarzen een stukje het water in. De lichte zandbodem bood hier geen schuilplaats maar aan de overzijde zag ik een dieper stuk waar zich organisch materiaal had verzameld zodat het een donkere vlek leek. Een flinke overhangende boom maakte van dit deel een ideale schuilplaats voor… ja, voor wat eigenlijk? Door de aanwezigheid van vlagzalm was ik een beetje onzeker wat ik verder kon verwachten.
De spinner werd dicht tegen de overzijde geplaatst en liet ik even afzinken. De stroom liet de spinner al enigszins van de oever af zeilen dus begon ik al snel binnen te draaien. Ik zie de spinner ineens duidelijk te voorschijn komen uit de donkere plek en pal daarachter komt een fraaie snoek. Ik zie hoe het beest versnelt, zich kromt, de kieuwdeksels klappen open en ineens is daar een felle ruk en de 10-grammer kromt zich behoorlijk. De slip doet z’n werk en ik moet dan ook alle zeilen bijzetten om deze fraaie zeventiger te landen. Uiteraard had ik de camera thuisgelaten zodat ik die avond een tweede teleurstelling moet wegslikken. Maar het moment van die aanval nemen ze mij nooit meer af. Werkelijk prachtig om zo goed en zo haarscherp afgetekend boven de zandbodem deze aanval te mogen waarnemen.
De snoek laat ik los en het dier zwemt langzaam naar het midden om nog goed zichtbaar te blijven staan. Ik had besloten om toch maar een donker bontstreamertje aan te knopen want daar zou ik met behulp van de stroming meer kunnen spelen. Voor de grap werp ik de streamer naar het midden om te zien hoe de snoek zou reageren. Voordat ik het weet, schiet de snoek naar voren en grijpt de streamer vol in de bek. Weer volgt een dril en weer laat ik de snoek los. Dit is toch wel een zeer bijzondere ervaring.
En ja, ik kan het niet laten. Ik knoop een andere streamer aan en werp nu ver voorbij de snoek. Zodra deze echter de streamer in het zicht heeft, gaat de snoek opnieuw tot de aanval over. Op het laatste moment weet ik net op tijd het kunstaas weg te trekken. Ik haal dit geintje nog één keer uit met hetzelfde resultaat maar daarna zwemt de snoek langzaam terug naar de donkere plek. Ik weet niet wie van ons tweeën nu meer verbaasd was.
Een stukje verder langs de beek zie ik tussen de bomen een poeltje van pakweg honderd vierkante meter. De poel heeft duidelijk verbinding met de beek in tijden van hoog water maar is nu afgesloten. Toch staat er voldoende water in om een worpje te wagen. Eigenlijk ziet het er belachelijk uit want het is of je in een tuinvijver vist. Tot mijn grote verbazing zie ik het water golven en ineens hangt daar een snoekje aan. Na het terugzetten kan ik het niet nalaten om de uitdaging aan te gaan. Want waar één snoek zit, zit er misschien nog wel één. Waar is niet duidelijk want deze poel is al zo klein. Aan m’n rechterzijde liggen wat afgestorven planten aan het oppervlak. Zou dan toch… misschien… daar? De streamer gaat er langs en dan bolt het water op. Ik zie een forse kop en de hengel staat al krom voor ik het weet. Dit is ongelofelijk; dit kan eigenlijk niet. En toch is ‘t zo. Na een pittige dril komt een dikke zeventiger binnen handbereik.
Ik moet even zitten want dit is echt te gek voor woorden. Ik denk niet dat iemand mij geloofd zou hebben als ik de plek zou laten zien en het resultaat zou vertellen. Ik steek een klein sigaartje op en geniet nog even na.
Het wordt al langzaam schemerig en er komt nevel boven het water te hangen. Mijn sigarenrook vermengt zich met de nevel. Een stuk verderop hoor ik ineens een enorme klap. De klap is te hard voor een vis. Dus moet het wel… Inderdaad, als ik dichterbij kom, zie ik een pracht van een beverburcht. De afgekloven stompen waren mij al eerder opgevallen. Helaas heb ik het echtpaar bever niet kunnen waarnemen.
Ik besluit nu echt terug te gaan want het is toch een hele tippel terug naar de auto. Een enorm gekraak verscheurt de stilte. De haren in m’n nek staan overeind van schrik. Ik ben voorbereid op iets groots dat uit de struiken moet komen. Maar het verplaatst zich de andere kant op. Even laten hoor ik een zwaar soort galop en ik besluit dat het wel een eland moet zijn geweest die ik heb laten schrikken. Nou ja, zelf ben ik ook wel enigszins wit om de neus.
Wat een avond. Met een voldaan gevoel rijd ik terug om even later met veel te luide stem als een kleine jongen m’n avonturen aan Brenda te vertellen.
Natuurlijk, het is vakantie maar we kwamen ook om de sfeer te proeven met in het achterhoofd het idee om naar vastgoed uit te kijken. De kinderen hebben er al gelijk de pest over in als ze horen dat we ook langs enkele makelaars willen. Er volgt een avontuur van diverse bezoeken aan makelaars en bemiddelaars, alles in gebroken Engels met hier en daar een opgepikt Zweeds woord. Al snel leren we van alles over drinkwater- en rioleringssystemen, soorten van verwarming, dat veel huizen asbest bevatten, de prijzen enorm verschillen en dat iedereen zich gek laat maken door de lage huizenprijs. We leren ook dat er vele mensen klaar staan om jou te helpen met een overhaaste beslissing. En dat zijn niet alleen Zweden. Ook diverse, zich aldaar gevestigde Nederlanders hebben de markt ontdekt en proberen ook hun landgenoten over te halen toch vooral een krot in een oninteressant gebied te kopen. Uiteraard voor forse bemiddelingskosten.
Een overhaaste beslissing is zo genomen. Want zeg nou zelf, als je 25.000 euro meeneemt en een lening bij een Zweedse bank van nog eens zo’n bedrag voor elkaar weet te krijgen en je kunt daar al een kleine cottage voor kopen dan wordt men al snel gretig.
We bezoeken zelfs een huis en worden al helemaal enthousiast. Maar toch, het voelt niet goed. Dit gaat te snel. Er dient nog meer uitgezocht te worden en vooral meer rondgereden te worden om een gevoel te krijgen bij de omgeving.
Het is ons al wel duidelijk geworden dat dit wel eens onze ontsnapping uit Nederland zou kunnen gaan betekenen. We zouden zo’n huisje van de erfenis van mijn ouders kunnen bekostigen en de maandelijkse kosten zouden opgebracht kunnen worden. Echt sparen zat er dan niet meer in maar we hebben dan wel een vooruitgeschoven post om te betrekken als we vroegtijdig willen stoppen met werk. Onze Nederlandse woning zou dan het pensioengat moeten dichten.
En zo brachten we, toen de kinderen al sliepen, vele uren pratend door met een glas whisky in de hand. Zelfs op de terugweg werd tot vervelends toe over woningen gesproken.
Zodra we thuis zijn, gaan de kinderen met hun natuurlijke vader weer op vakantie. Dat zijn zo de voordelen van een scheiding. Brenda en ik zouden wat spullen uitwassen om vervolgens terug te gaan voor een meer gedegen zoektocht die tot onze eigen verbazing een wending zou krijgen die wij nooit hadden kunnen vermoeden.
Dromen in Dalarna 2 - De nalatenschap
Wilfred en Brenda kennen elkaar nu inmiddels ruim vijf jaar. Al na één jaar wisten ze het: samen verder door het leven. Hierdoor veranderde het vrijgezellen leven voor Wilfred drastisch. Ineens woonde hij samen met een vrouw en haar twee dochters.
Na het snel achter elkaar overlijden van zijn beide ouders en z’n nieuwe situatie als ouder/opvoeder werden voor Wilfred andere waarden belangrijker. Samen met Brenda dagdroomde hij over verhuizen naar rustiger oorden, naar vrijheid, naar bossen met riviertjes en verstilde meren. Het zo populaire emigreren, is door hun omstandigheden nog niet voor hen weggelegd. Maar ze wilden het wel dichterbij brengen.
In een serie artikelen kun je hun verhaal van hun huizenjacht in Zweden volgen waarbij het vissen en hun gezamenlijk passie voor water het leidmotief is.
Mijn vader was geen visser. Hij vond het best wel ’s aardig met mij op pad te gaan maar dan ging ‘t meer om de neut bij de auto als afsluiting van de vismiddag. Dat van die neut heb ik weer wel geërfd. Z’n doorzettingsvermogen, loyaliteit en trouw aan dat waar je voor kiest, de vastberadenheid en daarmee de totale arrogantie om jouw mening en wil op te leggen… ook dat heb ik van ‘m geërfd. Hij was een onverbeterlijke “nostalg” met hang naar het verleden en naar wouden en meren, stilte, rust en eenzaamheid. Het zijn vaak de kenmerken van een loner; een leven dat ik zelf zo lang heb geleid en waar ik zo graag van af wilde.
In de herfst van 2001 stierf hij; ook als loner. Hij sloot zich zes weken voor z’n dood af van alles en iedereen. Totaal gefrustreerd dat hem dit moest overkomen, de almachtige, de man die eigenlijk nooit ziek was, nooit pijn kende, alles lustte, nooit moe was, nooit iets niet kon. De kanker bij de lever was ongenadig. Met lijdenstrekken op ‘t gezicht en een Cheyne-Stokes-ademhaling die 48 uur duurde.
Op de bewuste zondagmiddag, ik viste een slootje af met een licht spinhengeltje, belde m’n moeder. “Kom maar gauw hierheen, jongen, want je vader gaat ‘t niet lang meer maken”.
Ongelooflijk hoe dezelfde ontkenningsfase van mijn vader ook mij in de greep had: ik viste rustig het slootje af voordat ik naar huis vertrok om mijn tas voor de komende dagen te pakken en naar m’n ouders af te reizen.
Twee jaar later ontmoette ik Brenda. Precies op het moment dat ik mij voorgenomen had een ander leven te gaan leiden. Geen kortstondige ontmoetingen meer, niet te snel de lichamelijke behoefte achterna rennen. Gewoon rustig met iemand kennismaken en kijken of er echt een basis is in plaats van weer een paar jaar vergooien.
Zij was en is de vrouw die mij gelukkig kan maken… voor lange tijd. Ik kreeg er ook ineens twee dochters bij. Altijd al wilde ik een gezin en dat kreeg ik nu ineens zo maar in de schoot geworpen. Uiteraard ook met de bijkomende verantwoordelijkheid en problemen. Tijd werd een andere dimensie. De vistijd werd gehalveerd maar er bleef nog veel over. Dit komt vooral omdat Brenda mij echt wilde kennen en niet schuwde om de laarzen aan te trekken, de pet diep over de ogen en samen met mij door een zompige polder te stappen op zoek naar snoekmans. Maar ook gingen we met z’n viertjes naar het grote water, om te zonnen, te zwemmen en te vissen. Zo kon het gebeuren dat er langs de dijk een hele horde mensen zat te kijken hoe de man in het water met die rare hengel allerlei dikke vissen ving en dat blonde meisje in badpak die vissen dan schepte, onthaakte en weer losliet.
De eerste ontmoeting tussen mijn moeder en Brenda was er één om nooit te vergeten.
“Jongen (ik was toen al 42), deze vrouw zou ik maar vasthouden. Zij hoort bij je”.
Zulke woorden blijven je bij. Zeker als bij de tweede ontmoeting, enkele weken later, mijn moeder ons in tranen opwacht.
“Ik heb geen goed nieuws, ik denk dat ik ook kanker heb”.
Ze wist het voor dat de doktoren het konden vaststellen. Een zeldzame vorm van kanker velde ook haar binnen een jaar. Ze regelde wel eerst heel haar begrafenis en besprak alles wat ze wilde bespreken. Want zoals mijn vader zich afsloot, wilde zij mij niet aandoen.
Haar laatste belangrijke handeling was mij met een uitgemergeld handje vanuit het ziekbed over m’n gezicht aaien en mij met een zacht blik in de ogen aankijken. Zag ze mij echt of was ik in haar hallucinatie mijn vader? Ik zag alleen maar een vrouw die geheel kaal was, haar pruik had afgerukt door haar benauwdheid. Haar waardigheid had ze tot het laatst weten te bewaren maar nu hoefde het niet meer.
Ze vertrok rustig in de nacht.
En ik bleef achter met wat zij mij naliet: de zucht naar eenvoud, de sociale bewogenheid, de zachtheid, de voorliefde voor muziek en die diep laten doordringen dat je ogen vochtig worden, haar zorgzaamheid en de nimmer te verwoesten hang naar ware liefde.
Ik was ineens alleen maar stond er niet alleen voor. Veel avonden sleet ik aan het IJsselmeer. Ik zag de zon ondergaan over een vrijwel rimpelloze plas. De bewegingen van de vliegenhengel dicteerden mijn gedachten. Met af en toe een ruk aan de lijn om mij alert te houden dat er toch nog grote windes actief waren. Brenda begreep het en liet mij vaak alleen weg gaan.
Het huis van m’n ouders was inmiddels leeggehaald. We hadden er veel werk aan gehad. Het merendeel had ik weggegooid, maar er bleef genoeg over om Brenda af en toe bezorgd te laten kijken waar we dit toch allemaal gingen laten.
Stap voor stap bouwden we ons gezin op en ik mocht mij gelukkig prijzen dat de kinderen mij langzaam in hun leven toelieten. Vele uren spendeerden we in de tuin, iets dat ik nooit had gehad. De vijver was voor ons allen een bron van genoegen. Met de kinderen deelde ik de belangstelling in wat zich allemaal in en aan het oppervlak van de vijver afspeelde. We kregen heel wat buurtkinderen over de vloer die kwamen kijken naar een vijver met een twintigtal paren “seksende kikkers en de vele vrijgezellenkikkers”, zoals de kinderen ze noemden.
In diezelfde tuin kon ik mijzelf ’s avonds laat verliezen, kijkende in het vuur dat brandde in de vuurkorf en de ogen gevuld met tranen, denkend aan wat ooit was en er niet meer is.
De zomer ging voorbij, het najaar brak aan. Vele snoeken vingen we samen of in gezelschap van een goede vismaat. Ik was volmaakt gelukkig als we dan weer naar huis reden en de openhaard aanging, de whisky op tafel werd gezet en we dag nog even aan ons lieten voorbijgaan.
Toen kwam dan toch dat moment dat ik maar bleef uitstellen: het regelen van de nalatenschap. Waar ik zo tegenop had gezien, bleek uiteindelijk een fluitje van en cent maar het was dat laatste gebaar, die laatste handeling die het moeilijk maakte.
En dan staat daar ineens een aardige som geld op de bankrekening. Brenda vond dat ik het niet moest betrekken in onze eigen huishouding; het was te persoonlijk. Maar wat moest ik er dan mee? Je kunt er een bootje voor kopen, lange vakantie maken, huis verbouwen, restant op een bankrekening etc. Vele opties overwoog ik, Brenda wilde zich er liever buiten houden omdat ze bang was dat ik zou denken dat zij op het geld uit was. Maar ik had alle opties al overwogen. Ik wilde het zo besteden zodat wij later eerder zouden kunnen stoppen met werken.
Ik ben geen beleggingsman en voor beleggen had ik veel eerder moeten beginnen. Alles op een spaarrekening is leuk en geeft best een rendement maar of het was oplevert over 15 jaar? Dan blijft er één ding over: vastgoed. We zouden dus de hypotheek kunnen verlichten of een verbouwing aan het huis kunnen doen, alleen levert dat niets op over 15 jaar dan alleen lastenverlichting.
Door een toevalligheid lezen we over een toenemende emigratie vanuit Nederland naar Canada, Australië en Scandinavië. Met name Zweden blijkt in trek door het gunstige vestigingsklimaat en de lage huizenprijs. Wat ik lees kan ik niet geloven. Zulke prijzen en zoveel woongenot? Tijdens het werk kan ik het niet uit m’n hoofd zetten en stiekem raadpleeg ik enkele Zweedse woningsites. Ik mail wat naar Brenda’s werk en krijg al snel het antwoord terug dat we vanavond eens verder moeten kijken. Ze is erg enthousiast geraakt. En bij mij komen weer de goede herinneringen aan Scandinavië terug die ik had in 2001 en 2002. Hoe ik alleen met bellyboat over verlaten Zweedse meren peddelde op zoek naar hard vechtende snoeken.
Ik bezoek een emigratiebeurs en raak steeds meer overtuigd dat dit misschien de ontsnapping vormt. Een ontsnapping uit een jachtig en steeds drukker wordend Nederland. Een ontsnapping uit het juk van het werken tot minstens 65 jaar of misschien wel nog meer. Zouden Brenda en ik met een betaalbare tweede woning misschien eerder kunnen stoppen? Het Nederlandse huis zou dan voldoende opbrengen om het pensioengat te dichten. Eerdere gesprekken met onze belastingconsulent en met een pensioenadviseur hadden al opgeleverd dat het idee zo gek nog niet was.
Het idee liet ons niet meer los. We lazen er van alles over, kochten boeken over emigratie en het leven in Zweden, vele avonden zaten we achter de computer en bekeken woningen. Diverse e-mails naar oude contacten werden verstuurd. Het was heerlijk om zo samen met Brenda het idee gestalte te geven: Scandinavië als logisch gevolg van interesse en voorliefdes en hang naar eenvoud en rust.
Brenda hakte de knoop door: we zouden in de zomer van 2007 naar Zweden op vakantie gaan. En als de kinderen terug gingen naar hun natuurlijke vader zouden we samen terug gaan naar Zweden om echt te gaan speuren.
Het leven kreeg ineens diepgang, het avontuur wachtte… en over m’n schouder voelde ik m’n ouders meekijken met een goedkeurend blik van, hier doe je goed aan, zo moet het.































