Der Fliegenfischer mit dem Schiessgewehr

Hallo lezers van Flitsend Nylon. Mijn naam is Jan Aben, ben van 1945 (dus nu 62 jaar oud) en woon in Cuijk aan de Maas. Ik zeg er bewust bij “aan de Maas” want dat is toch wel, behalve dat mijn vader zaliger mij als 7-jarige jongen een bamboehengel in de hand drukte en een bal deeg voor me maakte, de grootste reden waarom ik mijn hele leven al mijn hart aan het sportvissen heb verpand. En dat niet alleen aan het vissen op witvis zoals velen van u waarschijnlijk meteen zullen denken bij het horen van mijn naam. Veel sportvissers herinneren mij ongetwijfeld als succesvol wedstrijdvisser of als coach van de Nederlandse ploeg wedstrijdvissen in zoet water, als auteur van een drietal boeken over witvissen, een videoband of van meer dan 25 jaar als vaste medewerker aan het Sportvissersmagazine Beet, waarin ik maandelijks artikelen schreef over het vissen op witvis.

Jan Aben beobachtet (foto Rudy van Duijnhoven)

Iets minder van u weten dat ik behalve aan de verschillende manieren van vissen op witvis ook heel graag de vliegenhengel hanteer en dat ook al gedurende ruim 40 jaar doe. Mijn journalistieke achtergrond verleidde mij ook tot het schrijven van een aantal artikelen over het vliegvissen in het blad De Nederlandse Vliegvisser en in vliegvisspecials van Beet.
In dit kader ken ik plaatsgenoot en mede-initiatiefnemer van deze website Sjoerd en toen wij niet zolang geleden een “bakkie deden” ontkwam ik niet aan zijn vraag of ik niet eens voor Flitsend Nylon een paar verhalen wilde schrijven over mijn talrijke ervaringen in de sportvisserij en speciaal aan de waterkant. Welnu, dat doe ik graag en hier is mijn eerste leuke anekdote.

De kop van dit verhaal lijkt wel een contradictie. Een vliegvisser met een geweer… Vliegvissen doe je immers met een vliegenhengel en met een geweer wordt gejaagd. Toch is de combinatie van deze twee manieren om met de natuur om te gaan niet zo vreemd. Beide sporten worden in de natuur bedreven en beide sporten hebben veel te maken met respect voor de natuur.

Volgens de etiquette van Ritz en Gebetsroither (foto Rudy van Duijnhoven)

Toen ik het afgelopen jaar tijdens een paar mooie “gouden herfstdagen” in het Zwarte Woud vertoefde aan de rivier de Breg, ontmoette ik na een prachtige visdag Der Fliegenfischer mit dem Schiessgewehr. Zoals dat dan gaat zit je ’s avonds aan de bar en als er meer vliegvissers zijn vormen de ervaringen van de dag het onvermijdelijke onderwerp van gesprek. Het was mijn eerste dag en met enige trots vertelde ik dat ik een zestal mooie vlagzalmen tussen 35 en 42 centimeter had weten te verschalken en dat op een manier waar ik altijd van droom. Ik wil niet zeggen dat ik een purist ben als het om vliegvissen gaat, maar het is toch wel een van mijn ultieme vliegviservaringen als ik kan vissen op de “lady of the stream” op de manier zoals grootmeesters als Charles Ritz en Hans Gebetsroither die voorstonden. Het vissen op vlagzalm met kleine droge vliegen (haak 18 of 20) heeft in ieder geval voor mij veel te betekenen en ik laat dan graag de regenboogforel of beekforel even voor wat ze zijn. Het zal wel iets te maken hebben met mijn achtergrond als wedstrijdvisser, waarbij techniek en strategie evenmin onmisbaar zijn voor het behalen van succes.

De Duitser naast me aan de bar en ook de Wirt achter de tap keken me vol ongeloof aan. Die Hollandse zwetser had in hun rivier vlagzalmen gevangen… Het ontbrak er maar net aan of ze schoten schaterend in de lach. Gelukkig waren mijn vliegvisvrienden Rudy en Taco er bij en konden zij mijn verhaal bevestigen. Wel ja… drie Hollandse zwetsers, zag je de Duitsers denken. Het ongeloof straalde van hun gezichten af. De Wirt onderstreepte dat nog eens met zijn opmerking dat zolang als hij het water in beheer had en dat was meer dan 30 jaar, er nog nooit een vliegvisser op het parcours was geweest die er een vlagzalm had gevangen. De man naast mij (jawel, der Fliegenfischer mit dem Schiessgewehr, waarover later meer) zei dat hij al 27 jaar in de Breg met de vlieg viste maar nog nooit een vlagzalm had gevangen. Woorden als bewijs leken dus niet goed genoeg en dus werden de digitale camera’s van Rudy en Taco voor de dag gehaald en kwamen de bewijzen klip en klaar en vooral scherp in beeld. Ze konden hun ogen niet geloven en tegelijk stak naast grote bewondering ook een storm van nieuwsgierigheid op. Het gesprek ging dus verder hoofdzakelijk over het vissen op vlagzalm, de techniek van de vliegaanbieding, welke vliegen ik had gebruikt en waar ik dan wel precies in de rivier gestaan had. Dat laatste behoefde ik trouwens niet verder uit te leggen want de Wirt en de Fliegenfischer mit mit Schiessgewehr hadden ons, zo bleek dus, overdag beobachtet (met de verrekijker bekeken).

De waardering van een ontmoeting

Het werd verder een gezellige avond waarin de Duitse vliegvisser volop vertelde over zijn tweede hobby, het jagen. Daarom wisselde hij de ene dag af met de andere door een keer met de vliegenhengel rechtsaf te slaan richting rivier en de andere dag met het geweer richting bossen van het Zwarte Woud in de omgeving van ons pension. Ik mocht trouwens het bier niet betalen en voelde aan het eind van de avond de behoefte om dat een beetje goed te maken met een vlagzalmvlieg voor de Duitse vliegvisser. De vlagzalmvlieg zoals ik die besproken had.

Twee weken na mijn terugreis naar Cuijk kreeg ik een pakje bij de post. Afzender was Der Fliegenfischer mit dem Schiessgewehr. Er zat een leuke brief bij, waarvan ik toch wel even kippenvel kreeg toen ik hem las. Die brief wil ik u niet onthouden en is hierbij afgedrukt. De foto van de vlagzalmvliegen die hij me stuurde zegt trouwens veel over de kwaliteit van deze Duitse vliegvisser die behalve als mens ook als vliegvisser, vliegbinder en ongetwijfeld ook als jager een voorbeeld is voor iedereen van ons die in de natuur zijn sport bedrijft.

Groet en tot een volgend verhaal.

Dromen in Dalarna 1 - Op weg

Wilfred en Brenda kennen elkaar nu inmiddels ruim vijf jaar. Al na één jaar wisten ze het: samen verder door het leven. Hierdoor veranderde het vrijgezellen leven voor Wilfred drastisch. Ineens woonde hij samen met een vrouw en haar twee dochters.
Na het snel achter elkaar overlijden van zijn beide ouders en z’n nieuwe situatie als ouder/opvoeder werden voor Wilfred andere waarden belangrijker. Samen met Brenda dagdroomde hij over verhuizen naar rustiger oorden, naar vrijheid, naar bossen met riviertjes en verstilde meren. Het zo populaire emigreren, is door hun omstandigheden nog niet voor hen weggelegd. Maar ze wilden het wel dichterbij brengen.
In een serie artikelen kun je hun verhaal van hun huizenjacht in Zweden volgen waarbij het vissen en hun gezamenlijk passie voor water het leidmotief is.

Het is altijd weer een nerveuze toestand als we de boot bij Göteborg verlaten. Alle in rijen opgestelde auto’s worden via één uitgang van het haventerrein geleid. Toch is het verbazingwekkend hoe soepel en kalm het allemaal gaat. Zou het publiek dat voor Scandinavië kiest dan toch echt anders zijn of begint de rust van het Zweedse klimaat al direct bij het verlaten van de boot?
De eerste uren zijn saai. We hebben het al een paar keer gereden en pas als we tussen de grote meren doorrijden via de E20 wordt het landschap interessanter. We stoppen bij een uitspanning en ik geniet opnieuw van de kalmte waarmee mensen in de rij staan voor koffie en van het altijd weer zo zangerig klinkende Zweeds.

Stille wegen door oneindige bossen

Na de stop lijkt het sneller te gaan. We rijden door de provincie Värmland, het gebied waar het merendeel van de Nederlanders neerstrijkt. Sterker nog, er zijn dorpen waarbij het lijkt alsof die alleen maar uit landgenoten bestaan. Wij vinden dat minder leuk; je krijgt een beetje het gevoel als of je aan de Costa del Sol bent. Alleen “Friet van Piet” ontbreekt nog. Toch heeft Värmland de toerist genoeg te bieden, maar wij rijden door naar de noordelijker provincie Dalarna, ook wel de meest Zweedse provincie genoemd met z’n typerende rode huizen met witte kozijnen en het laten herleven van oude tradities.

Een landschap vol met rommelige schuurtjes en huizen

We rijden door een landschap dat is geëtst en gepolijst door ijsmassa’s uit het Pleistoceen. Het lijkt wel of de geologische wording van dit gebied heeft stilgestaan. Voor wie geïnteresseerd is in de vormen van het landschap zijn de sporen die de ijstijd heeft achtergelaten, nog duidelijk waarneembaar.

Een woud van berken en dennen met daartussen sporen van weggetrokken ijsmassa’s

Maar het meest opvallend is de rust die de oneindige bossen uitstralen. Op het eerste gezicht lijkt er geen eind aan te komen maar voor wie diep de bossen in duikt, ligt er een wereld van ruigte te wachten. Nergens is een bord te bekennen dat iets gebiedt, verbiedt of beschermt. Dat hoeft ook niet want de Zweden weten hoe zij met hun land moeten omgaan.
Hoge dennen en weelderige berken wisselen elkaar af. Daaronder kan men een sterke ondergroei aantreffen die kan bestaan uit bosbessen en niet zelden frambozen of de typisch Zweedse lingon. De keien en rotsblokken zijn bedekt met korstmossen en daartussen zit het rendiermos dat zo bekend is uit de kerststukjes; het mos blijkt een uitstekend “aanmaakblokje” te zijn voor een open vuur.

Grote rotsblokken bedekt met korstmossen, omgeven met een ondergroei van rendiermos en bosbesstruikjes

Lucht, aarde, vuur en water zijn de basiselementen: de lucht is schoon, de aarde zuiver, het water glashelder en vaak direct drinkbaar en het vuur? …mits goed gehanteerd mag het overal worden gestookt. En dat is nou juist de kracht van Zweden, alles mag en alles kan. Voor kinderen dus een speelweide die nooit ophoudt. Zomaar langs een beekje een vuurtje stoken, aardappels roosteren en limonade aanmaken met het water uit datzelfde beekje geeft een oergevoel.

De romantiek van een vuurtje op de oevers van een rivier

Playstation en Jetix worden vergeten, mobieltjes zijn overbodig want in de bossen heb je vaak toch geen bereik. Alleen het spelen met hout en stenen in een klein beekje dat onderdeel vormt van een groot landschap, zorgt voor de veelgehoorde kreet: Ach, moeten we nu al weg? Mogen we nog even spelen? En met een beetje geluk kom je onderweg een rendier of eland tegen en dan kan de dag al helemaal niet meer stuk.

Bospaadjes met verrassende uitzichten

Zo zitten we stil in de auto, ieder in z’n eigen gedachten verzonken en langzaam komen we in de buurt, in de buurt van ons eigen stulpje daar langs dat weggetje aan de rivier. Dat rode huis dat ons rust geeft, dat ons alle vrijheid biedt. Zal de buurvrouw ons al zien aankomen om ons te begroeten met een hartelijk “Vilkommen i Tyrinäs. Det är så trevligt att se er igen” (Welkom in Tyrinäs. Het is zo leuk jullie weer te zien)?

Van 1.500 naar 150 uur per jaar (deel 1)

Eind jaren ‘80 hing ik mijn hengels aan de wilgen. Daarvoor maakte ik deel uit van de Haagse karperscène, waarbij ik eerst de Westlandse polderwateren onveilig maakte en me in tweede instantie op de kanalen richtte. Ik viste toen nog veel met (hele) aardappels als aas en maakte nog net het begin van het boilietijdperk mee. Freelining was de meest gehanteerde methode. In die tijd stelde je nog wat voor als je meer dan 10 twintigponders in één seizoen wist te vangen. Een dertigponder was al helemaal een uitzondering! In die tijd visten we zo’n 1.500 uur per jaar. Begin jaren ‘90 kwamen er andere dingen in mijn leven. Een vrouw, een baan die steeds meer tijd vroeg, sportactiviteiten en uiteindelijk ook kinderen. Voor vissen was er even geen tijd. Toch begon het weer te kriebelen. Ik had mijn hengels niet weggedaan, maar keurig bewaard. Op een gegeven moment, eind jaren ‘90, heb ik weer een hengel opgetuigd. Met een pennetje en wat maïs trok ik erop uit. De vangst van drie kleine karpertjes luidde de start van mijn tweede vissersleven in. In dat tweede vissersleven heb ik een eigen wijze van karpervissen ontwikkeld.

Een 87 cm lange en 25 pond zware spiegel die niet vies was van een trosje maden gepresenteerd op de bloodwormpellets

Die viswijze laat zich typeren als een actieve vorm van karpervissen en bestaat uit een combinatie van het vissen met drijvend aas, met name hondenbrokken, en penvissen. Het drijvend vissen vormt de hoofdmoot, het penvissen doe ik vooral als ik nog geen vis op het drijvende aas verwacht. Ik zal met name mijn methode waarop ik het drijvend vissen bedrijf toelichten. Waarom eigenlijk drijvend vissen vraagt u. Het antwoord is vooral dat ik het zo’n spannende en actieve manier van vissen vind. Je kunt de vissen vrijwel altijd op je aas zien komen, soms kan je al inschatten om wat voor vis het gaat. Je kunt ook de vis opzoeken en proberen je aas voorzichtig in de buurt van de vis te brengen. Belangrijk voor mijn manier van drijvend vissen is het soort stekken dat ik uitzoek. Kenmerkend voor die stekken is dat ze in staat moeten zijn om een groot deel van de gevoerde hondenbrokken vast te houden. Niet alles mag worden afgevoerd door de stroom die vrijwel altijd op het polderwater aanwezig is. De stekken die ik daarvoor uitzoek hebben altijd begroeiing, vaak in de vorm van riet, maar soms ook in de vorm van wier of plompenbladeren. Bijna altijd vis ik ’s avonds. Ik ga meestal om een of 8 van huis en ga (afhankelijk van de omstandigheden) door tot 12 à 2 uur. En dat doe ik zo´n 30 à 35 avonden in een jaar. Zo kom ik aan ongeveer 150 visuren.

Als ik op pad ga voer ik eerst op 3 of 4 stekken hondenbrokken. Ik voer vaak vrij ruime hoeveelheden (een paar handen vol). Een deel daarvan blijft op de stek liggen, een deel drijft af en vormt zo een voerspoor. Als de watervogels (ook zij lusten hondenbrokken) actief zijn voer ik wat extra. Daardoor hoop ik te bereiken dat er nog hondenbrokken overblijven als de watervogels verzadigd zijn. Mijn ervaring is dat dit een betere strategie is dan te proberen de watervogels te verjagen. Bij de hoeveelheden die ik voer hou ik rekening met de omstandigheden. Soms is er gewoon weinig activiteit (van zowel vissen als watervogels) en dan voer ik minder. Te veel voeren werkt ook in je nadeel. Als er nog teveel hondenbrokken liggen is de kans dat het hondenbrokje met je haak eraan wordt genomen klein.

Kenmerkend voor die stekken is dat ze in staat moeten zijn om een groot deel van de gevoerde hondenbrokken vast te houden

Als ik de stekken heb aangevoerd laat ik ze een poosje (al gauw 1 à 2 uur) met rust. In de buurt van de laatste stek die heb aangevoerd met hondenbrokken ga ik vervolgens penvissen. In het verleden heb ik met het penvissen ook wel gebruik gemaakt van boilies en Evert Aaltens afroommethode. Dit werkt wel, maar vraagt wel extra tijd om te voeren. Op een gegeven moment heb ik van het voeren van boilies afgezien en ben ik instant gaan vissen. Dit jaar doe ik dat met maden en wormen als aas en 2,5 mm bloodwormpellets als voer. Ook dat is succesvol. Af en toe heb je een bijvangst in de vorm van zeelt, brasem of zelfs snoekbaars. Maar ook de karper is niet vies van een Korda Maggot Klip vol maden of een trosje wormen.

Ik gebruik een aangepast dobbertje als beetindicator. Voorwaarde daarbij is dat ik snel wil kunnen wisselen van penvissen naar drijvend vissen en andersom. Voor beide soorten van visserij gebruik ik daarom hetzelfde dobbertje. Het door mijzelf gebouwde dobbertjeBelangrijk daarbij is dat de dobber moet kunnen worden voorzien van een breekstaafje, ik vis immers in het donker. Ik gebruik daarvoor wedstrijdpennetjes met een kort drijflichaam die 0,5 tot 1,0 gram lood vragen. De glasfiber steel onder het drijflichaam kort ik in tot iets meer dan 1 cm. Direct onder het drijflichaam monteer ik een loodhagel die ervoor zorgt dat het dobbertje mooi gaat staan. Daaronder bevestig ik een oog waarin ik een schuifconnector bevestig. De dobber is na deze aanpassingen 8 à 10 cm lang en wordt op de lijn gemonteerd met stuitjes en gebruikt als een engelse schuifdobber. Bij het penvissen gebruik ik dan nog een loodhagel op de lijn om de dobber zinkend uit te loden.

Ik begin met penvissen tot ik het tijd vind om de “hondenbrokkenplekken” af te gaan lopen, of tot ik de bekende slurpgeluiden van de laatst aangevoerde en dichtstbijzijnde voerplek hoor. Het kan ook zijn dat ik vind dat het tijd is om over te schakelen op drijvend vissen. Dan ga ik de aangelegde stekken aflopen. Is er op de eerste hondenbrokkenstek geen vis dan ga ik naar de volgende stek. Ik leg mijn haakaas niet in als er geen vis op het voer zit. Ik wacht meestal een half uurtje op een stek om te zien of er vis op het voer komt. Als dat het niet geval is ga ik door naar de volgende stek. Een enkele keer is het gebeurd dat ik op een avond vissen mijn aas niet eens heb ingelegd omdat er geen vis op het voer zat op mijn voerplekken!

Vaak begint het verorberen van de hondenbrokken voorzichtig. Pas als de karpers met overtuiging erop azen ga ik ook over op drijvend vissen. Ik verwijder dan de loodhagel van mijn lijn en monteer met behulp van één of twee baitbands een hondenbrok aan mijn haak. De afstand van mijn dobbertje tot de haak is klein. Kan ik de dobber en het aas makkelijk neerleggen in een open stukje water tussen het riet, wier of plompenbladen, dan houd ik zo’n 30 tot 40 cm aan. Moet ik het echter tussen de rietstengels in laten zakken of in een heel klein gaatje in het wier plaatsen dan hou ik slechts 15 à 20 cm aan. Het stuitje boven de dobber zet ik dan nog eens 15 à 20 cm hoger. De karpers laten zich niet afschrikken door een dobbertje dat zo dicht bij het aas ligt. Sterker nog, ik heb al vaak meegemaakt dat mijn dobber wordt gepakt in plaats van de hondenbrok. Als er karper op de hondenbrokken zit, probeer ik een patroon te ontdekken van de wijze waarop de vissen het aas benaderen. Vaak komen ze op hetzelfde plekje terug en benaderen ze dat steeds van dezelfde kant. Als ik een patroon denk te zien plaats ik mijn aas op de plek waar ik vis terug verwacht. Dan begint het wachten.

De visser

Botshol, een prachtig moerasgebied ten zuidwesten van Abcoude

Er is verslaving in mijn staren
zodra ik uitgooi komt in mij
het woelen en het zoeken tot bedaren
mijn oog rust op de dobber, maar het is meer
dan rusten, het is alsof ik eindelijk
vrij ben op één plek te blijven,
en zo verstijft mijn blik - ik wacht niet
op het bijten van een vis - ik lijm
het ogenblik. Ik hoef niets hoef niet
te kijken. Bepaal mij tot de rimpelingen
bemoei mij niet in diepte door te dringen.
Los van wat boven of wat onder mij
verschijnt, verdwijnt, los van wat was
en los van wat nog te gebeuren staat.
De gladde kleuren die het vlakbij water glanst
zijn mij al veel te veel gebeuren
en kijk daar komt de eerste ring
van één of ander verre dompeling.
Wat kan ik beter doen dan niets,
dan niet bewegen. Zelfs het geringste
opslaan van een oog haalt onherstelbaar
overhoop en brengt teweeg en brengt teweeg.

Uit de bundel “Botshol” van Judith Herzberg, 1980.

Ultra-lichte therapie

De priemende lichtbundels van de koplampen zwaaien door het duister van de vroege ochtend als de laatste bocht naar de snelweg wordt genomen. De auto accelereert langzaam met de trailer en boot terugtrekkend aan de trekhaak. Door het donker van de nacht, met nu en dan flarden mist die oplichten in de lichtstralen, op weg naar een dag vissen met de boot op groot water. Je weet nooit wat het zal worden maar de kans is redelijk groot dat er spannende dingen beleefd gaan worden. De gedachten en vurige wensen gaan naar kromme hengels die een grote snoek nawijzen, dieper krommend met krijsende slip als een sterke vis lijn neemt. Het ultieme genot, zeker als dat ook nog in een mooie omgeving plaats vindt. Voor dat ultieme genot is het al die voorbereiding van bij elkaar harken en inpakken van de spullen waard. Het is het waard om vroeg op te staan en een aardig stukje te rijden naar de stek waar je vismaat ook al even hoopvol klaar staat met een gezicht van “ik heb er vreselijk veel zin in”. De boot wordt ingeladen en te water gelaten op weg naar het lonkende avontuur. Als al die moeite niet beloond wordt met harde aanslagen, kromme hengels en krijsende slips is dat jammer. Eigenlijk is het even een mentale dreun die je moet verwerken op de reis terug en het thuis weer uitladen en opbergen van al die spullen die de visdag zouden moeten doen slagen. Als je een drietal visdagen op rij hebt waarbij jij en je vismaat het geluk gewoon flink tegen hebben, dan ben je even uit het grote water geslagen en lig je uitgeteld en geestelijk wat geknakt op de zeer voelbare begane grond. Op zo’n moment ben je toe aan therapie. Een therapie die je weer het plezier van het vissen bezorgt.

Roofruiser

Dat moment heb ik aan het begin van het roofvisseizoen van 2005 gehad. In de eerste week ben ik samen met vismaat Wim Kok drie dagen weg geweest. We zouden hem flink raken. Lukt ook altijd wel eigenlijk de eerste weken. We gingen die drie dagen naar drie verschillende stukken groot water, voor de afwisseling. Elk stuk water kenden we door en door. Maar het mocht allemaal niet echt baten. Mooie missers gehad op oppervlaktekunstaas. Prachtig zo’n vlak raam in de golven bij windkracht vier. Maar minder prachtig als die “oppervlakte-vervlakking” slechts een oppervlakkig contact blijkt en de vurig gewenste gebogen hengel niet volgt. Een dreun op een 4 meter diep “gejerktrolde” jerkbait op een potentiële grote snoekbaarsstek direct gevolgd door lijn die door de zwaar afgestelde slip wordt getrokken en dan weer direct gevolgd door een terugverende hengel. Een dag die heet en windstil begint en dan na een uur opeens een koudeval van 15 graden met hagel en harde wind. Van dat soort acute veranderingen houden de vissen niet en dat laten ze merken ook door niets van zich te laten merken. Na drie dagen alle trucs uit de kast en vrijwel al het kunstaas uit de dozen zaten Wim en ik elk op één snoekbaarsje, ondermaats wel te verstaan. We hebben het maanden niet durven vertellen, maar hier is het dan.

Na die drie dagen moest ik dus in therapie om zo snel mogelijk weer positief te denken over het vissen. De perfecte therapie voor die groot- water- dip bleek om met opgewonden bonkende hartslag een ernstig kromme hengel vast te houden die steeds verder buigt om een vis na te wijzen die de slip laat krijsen. Een ultra-lichte hengel buigt het snelst. Elk water herbergt veel meer kleine snoeken dan 80-plussers. Tel die twee bij elkaar op en je staat met een ultra-lichte spinhengel in een water te vissen waar de vis bereikbaar is voor een dergelijke lichte combinatie. Gewoon water in de buurt. Sierwater in de bebouwing, of een mooi helder polderslootje buiten uit. Snoekjes worden snoeken, baarzen worden van bijvangst gewilde prooi, en soms worden ruisvoorns roofruisers. Het belangrijkste: ik stond weer als een schooljongen te genieten van avontuur in water vlak bij huis. En dat gewoon na slechts een paar honderd meter fietsen. Vistripjes van een uurtje bleken genoeg om veel spannende dingen mee te maken. Ik ging eigenlijk weer een beetje terug naar de tijd zoals ik was begonnen met kunstaasvissen: begin jaren tachtig van de vorige eeuw was de 10 grams spinhengel de standaard, de 25 grams plughengel voor de grootwildjagers en de 5 grammer voor de lekkerbekken die met zowat het schuin op de mond van vrijwel elke vangst een drilavontuur wilden maken. Lekker overzichtelijk. Je had niet de keuze aan kunstaas waarmee we tegenwoordig gezegend zijn. Ik zeg gezegend want ik zou het vissen met jerkbaits voor geen geld willen missen, want het blijft mijn favoriete manier van kunstaasvissen. En op groot water kan dat behoorlijk kromme jerkbaithengels opleveren, als die niet van het type biljartkeu zijn.

Sensatie aan de Fair Play Rapier

Maar we dwalen weer af naar het begin van de noodzaak van de ultra-lichte therapie: vissen op groot water zonder het gewenste resultaat. In die tachtiger jaren tijd dus was de 5 grammer voor de smulpapen. Ik smulde mee met een 5 grams Hardy. Die waren in de tijd dat we op de drempel stonden van het grafiet tijdperk nog van holglas. Met dat Hardy stokje van 1,80 meter heb ik leuke dingen beleefd. Stond ik met rode oren in de polder snoeken van een halve meter te drillen. Prachtig! Later op een SNB-manifestatie in Heiloo liet Bert Schouten me een ragfijn en bloedmooi licht spinhengeltje zien, van grafiet en daarom met een hele dunne diameter. Ik was meteen verliefd op dat ragfijne hengeltje dat veel avontuur beloofde met die ranke verschijning van 2,15 meter lang maar liefst. En dat voor een 5 grammer! Het geld werd bij elkaar gespaard en in Heiloo ingeruild voor mijn zwarte droomhengeltje. Nog veel meer mooie avonturen volgden. Op groot water werd dit hengeltje ingezet op baars. Echt grote baars op groot water neemt niet zo makkelijk klein kunstaas als een 3,5 grams Roadrunnertje met twisterstaart. Snoekbaarzen van 50-60 cm doen daar minder moeilijk over, en doen er een flinke schep boven op met het hoepelrond trekken waarbij de bovenste ogen van de hengel gewoon onder water verdwenen.

Lees verder »

« Vorige pagina