Op zoek naar de koning van British Columbia - deel 2/2
Op één van de vroege ochtenden hoorden we tijdens het inslaan van wat lokale vliegen - je hebt er natuurlijk nooit genoeg al heb je er veel - dat er een Grizzly encounter was geweest aan de rivier, minder dan 200 meter van een plaats waar wij ook al eens met de raft waren geland. We hebben de gids die het overkwam zelf gesproken. Die man zag er helemaal niet goed uit; wel fysiek ongeschonden maar mentaal nog flink beschadigd. De beer was een kijkje komen nemen toen hij een zalm aan het bereiden was aan de rivier; wat natuurlijk vragen om moeilijkheden is. Nou was dat een jonge beer en de gids was er in geslaagd de beer af te schrikken met een bijl (“I swung an axe at him”). Mijn vader had dat verhaal met enig scepsis stilzwijgend aangehoord en hem toen plotseling gevraagd: “let me guess: you sell axes, don’t you?”. Dus dat was wel even lachen. Gids Jeroen verzekerde ons dat hij de bewuste gids kende en dat het verhaal van de ontmoeting ongetwijfeld klopte.
Hoe dan ook, daags erop stond ik vrij diep in de rivier, maar een halve kilometer of zo van de plaats van dat incident, en ik haak een King. Ik begon maar vast naar de kant te waden want ik had wel een beeld van wat er te gebeuren stond. En ja, de vis schoot opeens als een kogel naar de snelle secties van de rivier. Dus het bekende ritueel volgde: lijn strakhouden en langs de oever mee rennen om de vis bij te houden. Nou komt er een moment – als de vis niet losschiet natuurlijk - dat de vis binnen moet komen en dat doe je niet door de lijn zo veel mogelijk op de reel te krijgen; je verliest dan alle rek, die er toch al zo beperkt is met een vliegenlijn en volglijn (de leader is meestal maar tot anderhalve meter lang) en dus moet je naar achteren gaan lopen, net zolang tot je de vis kunt “beachen”. Nou vindt zo’n zalm dat helemaal niks, dat beachen, en dus zijn dat hachelijke taferelen waarbij het water hoog opspat omdat de zalm z’n laatste runs maakt op dertig centimeter water… een schitterend gezicht! Maar ik denk dat ik bij dat naar achteren lopen op de rivierbank nog nooit zo vaak over m’n schouders naar achteren heb gekeken als tijdens die dril. Zo’n verhaal met een Grizzly kruipt dan toch onder je huid. De beer bleef weg, de vis kwam binnen en die woog rond de 30 pond. En dan zit je wel even na te genieten hoor!
De dag erna haakte ik op de rand van de snelle stroming en een wat rustiger gedeelte weer een naar het zich liet aanzien grote vis. Omdat de vis een beetje bleef bokken en trekken maar eigenlijk niet van z’n plaats kwam dacht ik in eerste aanleg aan een grote Chum. Ik riep dan ook naar Derek: “Chum!”. Derek keek naar de hengel, waarvan zes, zeven ogen in het verlengde van de lijn stonden, en riep terug: “Could be a Chinook, I’ve seen this before”. De vis bleef rustig. Minuten verstreken maar van de vis naar mij toe krijgen was geen sprake, het had er eerder de schijn van dat de vis helemaal niet wist dat hij gehaakt was. Ik bewoog maar vast richting de oever en kwam aan land. Achter mij hoorde ik “Ja!”. Ik keek naar Pa die een meter of vijftig verderop met een dubbelgevouwen hengel stond te gebaren dat Derek moest komen. “You hold this fish, right, as I’m gonna help your dad, OK?” zei Derek. Hij verdween richting Pa.
Na een halve minuut komt mijn Abel reel tot leven en begint de reel in een misselijk makend tempo lijn af te geven. Ik houd de boel zo strak als mogelijk – dat is maatwerk, de leader heeft een trekkracht van twintig pond dus als het buigen of barsten wordt dan is het 100% zeker de hengel die barst – maar er is geen houden aan. Nadat meer dan de helft van de backing is verdwenen besluit ik, gids of geen gids, te gaan rennen. Na driehonderd meter over de keien en twee bomen ben ik op gelijke hoogte met de vis en kan ik de lijn flink verkorten. Weer een schot richting zee. Weer rennen, wat met waadpak en waadschoenen over blokken en stronken niet direct heel comfortabel is. Pa en Derek kan ik inmiddels niet meer zien. Nu wordt het penibel, want de rivierbank waarop ik sta eindigt over een meter of twintig met een onderbreking door een zijrivier.
Ik draai de slip nog twee tandjes aan. Nu staat de bovenste twee meter hengel naar de vis gevouwen en voel ik het laatste beetje kracht uit mijn TCX wegvloeien. Breuk hangt heel nadrukkelijk in de lucht. In de verte komt Derek weer aangehold. Ik vrees hevig voor een laatste run naar zee; als de vis nu nog één keer besluit het ruime sop te kiezen en de hoofdstroom bereikt gaat het beslist fout. Maar de vis lijkt juist met de kop stroomopwaarts te liggen, ik kan hem inmiddels op een meter of dertig uit de kant in de oppervlakte zien slaan. Op instructie van Derek loop ik ver naar achteren, blokkeer ik uiteindelijk de slip en zie ik hoe Derek de vis in het net krijgt. Ook zie ik hoe hij zijn handen voor z’n mond slaat en dan naar mij op de oever roept: “That’s a big girl, man!”
Ik draai de volglijn op en kijk in het net. Een grote Chinook. Ik kan de vis vervolgens nauwelijks voor de foto omhoog houden want ik krijg mijn hand er ook niet goed onder, ze is veel te breed. Na een lengte en omtrek maat te hebben genomen is de conclusie dat de vis “in the low forties, but definitely in the forties” zit. Ze haalt net geen één meter tien…
Dat ik, terug bij Pa, die mij omstandig feliciteert en zich verontschuldigt voor het feit dat zijn knieën echt geen halve kilometer gestruikel langs de oever toelaten, op de eerstvolgende worp weer een King haak en land - maar nu een kleine, iets gekleurde, wat er op duidt dat de vis even in de “tidal section’ heeft gezeten alvorens op te trekken - doet er niet meer toe. Genoeg is genoeg. We poseren met de kleine Chinook en gaan daarna langdurig ons geluk overdenken.
Wat moet je verder nog van zo’n trip beschrijven? Dat vliegvissen ontstellend productief kan zijn en niet alleen moeilijk doen is? Dat we op de laatste middag ons helemaal klem hebben gevangen aan Chum’s en haast elke worp een vis tussen 12 en 20 pond opleverde? Dat we uiteindelijk meer dan 200 zalmen hebben gevangen? Ik denk het niet.
Wat nog wel onderbelicht is gebleven, is de natuur. Sprookjesachtig mooi. De rivier, de bomen, de besneeuwde toppen erachter, de stilte, de vele arenden in de lucht, de vogeltjes die over het wateroppervlak scheren. De wolkenluchten. Alles even mooi… Met als rode draad de altijd aanwezige rivier, soms laag, soms hoog, altijd mooi en indrukwekkend. Het verblijf in de Pioneer Lodge is ons goed bevallen. Onze hoop dat wij in navolging van Rusland een paar kilo kwijt zouden raken werd echter niet bewaarheid. Daarvoor leggen Pip & Jezz je te zeer in de watten, het was beslist “truly excellent” en de ambiance droeg belangrijk bij aan de hele ervaring.
Het team van Jeroen, dat verder wordt gevormd door Derek, Manon en David, is op en top professioneel en resultaatgericht, niet alleen in termen van vis maar ook van het welzijn van de vissers, die hier nu eenmaal klanten zijn. We zijn dan ook bepaald onder de indruk van de Skeena River Lodge experience maar zijn enigszins bevreesd dat wanneer op grote schaal bekend wordt wat Jeroen hier presteert het vissen met hem er niet eenvoudiger op gaat worden. Hij heeft het nu al erg druk maar dat zal alleen maar erger worden nu ook zijn internationale faam snel toeneemt.
En ja, we hebben nu het plaatje van het zalmvissen completer gekregen. Niet dat we nu experts zijn, maar we zijn inmiddels, en niet zonder succes, zowel in het walhalla voor de Atlantische zalm geweest, Kola, als in het epicentrum van de Pacifische zalm, de Skeena regio. Een paar woorden nog daarover. Wat Rusland biedt is naast het vissen ook introspectie, om niet te zeggen een welhaast psychedelische trip. De taal, de grauwheid van Rusland, de leegte van oost Kola, de onvermijdelijke wodka, het niet donker worden, het draagt allemaal bij aan het gevoel van desoriëntatie. Als je daar aan de rivier zit, honderden kilometers van zelfs maar een rudimentair bewoonde wereld, met alleen een afspraak met een helicopter om je weer op te halen, dan ben je je bewust van het feit dat dit alles niet meer alleen over een hobby gaat. En de omgeving daar appelleert hevig aan dat gevoel; en daar zijn, in die leegte, voelt heel natuurlijk aan. Het verblijf daar is dan ook een soort van bewustwording: dit is nu wat we als mens honderdduizenden jaren achtereen hebben gedaan, en niet het vissen in zo’n gebied voelt daarom als buitenissig, onze moderne maatschappij lijkt dat te zijn.
Maar dat gezegd hebbende is onze conclusie dat voor wat betreft de vissen zelf de Skeena regio superieur is aan Kola. Want aantallen, formaat, de kracht, alles valt dan in het voordeel uit van de Pacifische zalm. Maar… er is wel een maar. Want die Pacifische zalm moet diep worden gezocht en dus, afgezien van de steelhead, worden bevist met zware sinktips. Dat moet je liggen, en het is heel wat anders dan met een drijvend lijntje een Atlantische zalm verleiden, die de vlieg ook niet zelden van de “surface” wil halen. Wat je als eleganter, gracieuzer en ook visueel aantrekkelijker kan zien. Daarom geven veel vissers op Atlantische zalm niets om Pacifische zalm; de “manier waarop” spreekt hen simpelweg niet aan.
De ook vaak gehoorde tegenwerping van de hardcore Atlantische zalmvisser dat hij niet wil vissen op een vis die na het optrekken dood gaat moet iedereen maar even op zich laten inwerken.
Wij zelf hebben dat ook gedaan en we zijn tot de slotsom gekomen dat we daar geen boodschap aan hebben; de vis wordt “fresh from the ocean” gevangen, net als een Atlantische zalm, en we spannen ons natuurlijk tot het uiterste in voor een “safe release”.
Die zalm zwemt weer weg, het water spat daarbij hoog op en wat er daarna gebeurt is niet aan ons mensen maar aan de natuur. En als (zalm)vissen ons iets heeft bijgebracht dan is het het besef dat het is zoals het is. De natuur heeft altijd het laatste woord.
Een ‘Berb’ op z’n Limburgs
John Riegman is een van onze leden die regelmatig op barbeel vist. Met het Limburgse landschap als jachtgrond, weet hij zich verzekerd van een sfeervolle omgeving en een serieuze kans op bronzen barbelen. Zijn laatste verslag was er een van een uiterst succesvolle dag…
Om 03:30 uur de wekker gezet met de bedoeling om net voor zonsopgang op de plaats van bestemming aan te komen. Die plaats van bestemming is een van de vele mooie Limburgse beken. Even voor half zes arriveer ik op de eerste stek en neem ik nog even snel de van te voren bedachte tactiek door. Direct een lading voer op de stek het water in of simpel beginnen met een stukje kaas? Het is nog vroeg en mogelijk ligt er een barbeel op de stek te wachten. Ik besluit te kiezen voor het stukje kaas, althans, een tot bolletje gekneed hoopje geraspte kaas. Dat valt wat makkelijker uit elkaar bij het aanslaan en bij het zetten van de haak.
Het bolletje kaas, gekneed rond een haak maatje 8, gaat te water samen met een schuivend lood montage. Op 60 centimeter plaats ik een stuitje, rubber kraaltje en de quick connector met het lood. Dan afwijkend, op ongeveer een meter van het eerste stuitje, nog een stuitje met een olivette loodje van 4 gram. Het enigszins afgeplatte wartellood weegt zo’n 20 gram. Het olivette loodje daarachter moet de eerste meters lijn daarna op de bodem houden om te voorkomen dat de barbeel in de lijn zwemt en schrikt of valse aanbeten veroorzaakt.
Geduldig wachten is in het prachtige landschap geen straf. Een half uur na het te water laten van de montage komen de eerste tikken op de top. Even aankijken, het kan ook kopvoorn zijn. Dan is er ineens die actie en versnelling in gebeurtenissen die geen twijfel laten bestaan. De plotselinge, harde ruk aan de hengeltop en de aanslag die volgt in een reflex… hangen! Een “berb” (op zijn Limburgs), kan niet missen. Binnen milliseconden na die bevestiging volgt direct een pittige strijd. De barbeel zoekt alle lastige hoeken van de stek op. Slechts met moeite worden die vluchten gepareerd. Het spel duurt enkele minuten, dan glijdt er een prachtige barbeel in het uitgestoken landingsnet. De eerste van de dag, vroeg en snel en met 64 cm en ruim 3 kilo een mooi exemplaar. Hopelijk de belofte van meer.
Na amper een half uur is het opnieuw raak op dezelfde stek. Tussentijds heb ik met de baitdropper wat voer geplaatst. Gekiemde hennep, casters, maden en geraspte kaas. Het blijft een lekkere mix voor de barbelen. Op het vers geknede bolletje kaas volgt dus nog voor 8 uur al de tweede vis. Met 65 centimeter iets langer en minstens net zo mooi. Geweldig!
Vervolgens weer een stuk of 10 baitdroppers met aas te water gelaten op dezelfde stek, wie weet zitten er nog meer. In de hoop op het vangen van een mooie kopvoorn tuig ik nog een andere hengel op. Voorzien van een aantal maden als haakaas gaat ook deze te water. Net als ik even een moment vind om uit te rusten van de inspanningen, zie ik in mijn ooghoeken die bewuste hengeltop al heen en weer gaan gevolgd door een harde ruk. Opnieuw sla ik aan en maak contact met alweer een barbeel. Dit kan niet waar zijn?! De hengel is een stuk lichter maar heeft gelukkig voldoende ruggengraat om de barbeel veilig en snel uit te drillen. Deze derde vis in korte tijd meet 63 centimeter.
In de periode die daarop volgt sla ik nog een aantal keer mis op kleine aanbeten en valt het vervolgens een tijd stil. Die rust wordt echter even plotseling doorbroken als ze begonnen is. Opnieuw wordt met een harde ruk mijn hengel bijna uit de steunen gerukt. In een reflex sla ik aan, maar de vis heeft zich al geprikt op de haak. De eerste vissen waren sterk, maar de weerstand die ik voel bij dit exemplaar slaat werkelijk alles. Alsof ik een onderzeeboot heb gehaakt, er is geen houden aan! Eerst schiet de vis naar het midden van het water, gelukkig denk ik nog. Dan draait hij zich pijlsnel om en schiet onder de bomen door. Ik vrees het ergste. Enkele woeste rukken onder het hout maken een einde aan de dril. De lijn is gebroken, helaas.
Ik besluit toch nog even verder te vissen en laat het laatste voer te water met de baitdropper. Het apparaatje bevalt prima en heeft als voordeel dat het voer dicht bij de bodem wordt losgelaten en pas dan met de stroming wordt meegevoerd. Daardoor verspreid het aas zich niet over al te grote afstand maar blijft het in de buurt van de stek. Een prima techniek. Van het laatste beetje geraspte kaas kneed ik een enkel bolletje op de haak. Voor de verandering voeg ik er een aantal casters aan toe. Tot mijn grote verbazing sta ik binnen een kwartier opnieuw met een hoepel ronde hengel in mijn handen. Een herkansing voor de verspeelde kanjer en mijn vierde barbeel van de dag! Het blijkt ook nog eens de grootste met 72 centimeter. Geweldig afsluiter van een dag om nooit te vergeten! Hoe groot zou die kanjer zijn geweest…?
Op zoek naar de koning van British Columbia - deel 1/2
We kijken uit het raampje van het kleine Air Jazz toestel dat ons van Vancouver naar Terrace brengt, een vlucht van iets minder dan twee uur. We, dat zijn mijn vader, Willem, en ik. Beneden biedt het landschap een onherbergzame indruk. Bergen; besneeuwde toppen; en daar tussen groen en rivieren. Het vliegtuigje landt op het vliegveld van Terrace dat door niemand als zodanig zou worden bestempeld; het heeft meer weg van een parkeerterrein. Een leeg parkeerterrein wel te verstaan.
We denken nog even terug aan de aanleiding voor ons bezoek aan juist deze plek. Vorig jaar waren we in juni aan de Varzuga, in Kola, Rusland. Daar werden we onder meer “gegidst” door Jeroen Wohe. We hadden daar, door weersomstandigheden, een moeilijke week. En alhoewel Jeroen zelf ook een zwakke plek heeft voor Rusland, en begrijpelijk, gaf hij ons ter plaatse het advies: “Kom ook eens naar BC, dan heb je het volledige plaatje en kun je je pas definitief een oordeel vormen over het zalmvissen”. Want los van het weer, gaat het in Rusland om Atlantische zalm, afgezien dan van Kamchatka, in BC en Alaska gaat het over Pacifische zalm. En dat is nog een ander verhaal.
We hadden eigenlijk al daar, aan de Varzuga, besloten dat we dat hele zalmavontuur als het even kon inderdaad maar gingen verlengen in British Columbia. En zo komt het dat we nu bijna tienduizend kilometer van huis zijn. Om zalm te vangen. Onder regie van de Skeena River Lodge van Jeroen, die ter plaatse daarvoor ruime mogelijkheden biedt. Afhankelijk van het seizoen trekt er in de Skeena regio Chinook (de bekende King’s of ook Spring Salmon, zoals ze in Canada zeggen), Chum, Pink, Coho, Sockey en steelhead op. Wij hebben eigenlijk min of meer gekozen voor de Chum Salmon run, ook wel Dog Salmon genoemd, met als bijprogramma de op zijn eind lopende Chinook run en natuurlijk de alom tegenwoordige Pink Salmon, de Pink’s. Op de Chinook’s durfden we niet uitsluitend en alleen te gokken. Als je eerder gaat doe je dat qua grote vis eigenlijk wel, omdat de (ook flink grote) Chum dan nog niet voldoende optrekt.
We hadden de verhalen rond de King’s veiligheidshalve wel zeer uitvoerig bestudeerd. Het eerste wat ons opviel is dat je vaak foto’s van King’s ziet op heel weinig water en dat de vissen erg donker van kleur zijn. Dat komt omdat de vissen dan op de paaigronden zijn aanbeland waar ze ook zullen sterven. Daar aangekomen verdedigen de vissen fanatiek hun “Redds”, de kuilen in het gravel waar de eitjes zijn afgezet. En dus zijn ze eenvoudig te vangen. Veel strijd geven ze na de paai niet meer. Zo vissen is absoluut “not done”. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat de zalmen juist vers van zee worden gevangen, liefst met de zeeluis nog rond de anaalvin. Die zeeluis gaat maar een paar uur mee in zoet water en dient dus als bewijs van de onmiddellijke herkomst van zee. “Chromers” noemen ze die vers optrekkende vis. Het grote voordeel daarvan is dat de vissen dan werkelijk oersterk zijn.
Een King, zo van zee, is maar moeilijk met de vlieg te verleiden en toch is dat ons doel. “Fly Only” is het motto van onze reis en van onze lodge. Jeroen runt een vliegvisserslodge, dus meer smaken heeft hij ook niet. Elke zalmsoort heeft zo z’n eigen route in de rivieren; de Pink’s trekken dicht langs de oever, maar ook weer niet te dicht vanwege de arenden, maar een King zoekt zich een andere weg, in sneller stromende stukken. Dat pleit nu ook niet direct voor “de vlieg”, maar de tegenwoordige lijnsystemen zijn heel veelzijdig en Jeroen en zijn gidsen hebben zich min of meer gespecialiseerd in deze materie en leggen je precies uit waar de vis zwemt en waar ze rusten. De rest is techniek. De Skeena valt na aankomst ter plaatse echter af als ons jachtgebied. Het is een natte zomer in BC en het regent al enige tijd hevig. Dat heeft, zoals altijd, impact op de rivieren: ze zwellen en worden “bruin”. Voor de vlieg heb je echter een zeker doorzicht nodig, want het pakken van de vlieg gebeurt immers “op zicht”. Jeroen heeft daarom besloten float trips te maken met een raft op een andere rivier. Die ziet er veel beter uit en hij heeft daarmee de week voor ons ook het nodige succes gehad. We prijzen ons gelukkig met de uitwijkmogelijkheden.
In de lodge – we zijn ondergebracht in de Pioneer Lodge van Jezz en Pip Crosby omdat we hebben gekozen voor een wat luxere verblijfsvariant, mijn vader wordt immers dit jaar 74 – sorteren we onze spullen nadat we zijn geïnstrueerd over de alom aanwezige beren. Het belangrijkste is de uitdrukkelijke instructie “nooit weg te hollen”. Het is voor ons wel een beetje een abstract verhaal, we hebben moeite om te schakelen van het uitkijken voor het verkeer naar het uitkijken voor beren.
We hebben allebei een 14 voets hengel voor een # 9 bij ons, merk Sage, met een werpvermogen van ca. 35 gram, met daarnaast twee back-up hengels voor dezelfde lijn uit hetzelfde huis om ingeval van breuk meteen verder te kunnen. Hetzelfde geldt voor de zalmreels. Ook hebben we nog een leuk licht Switch spulletje en wat éénhandig materiaal bij ons voor de Pink’s, die zo tussen 6 en 12 pond zwaar worden. De wekker gaat de volgende morgen al om 05.00 uur, wat het regime van de week zal blijken te zijn. Ter compensatie worden we getrakteerd op een majestueuze zonsopgang.
Jeroen pikt ons al vroeg op en een goed uur later is de raft via een backchannel op weg naar de rivier zelf. Het weer is matig; het regent een beetje maar daarvoor is het hier dan ook een “ coastal rainforest”. Als je niet van regen houdt heb je hier niets te zoeken, zal Derek Barber, de Assistant Guide van Jeroen, later zeggen. Ons interesseert het niet, we hebben de ademende waadpakken aan en onze waadjacks en zijn daarmee geheel “waterproof”.
Het is wat droger als Jeroen de raft laat landen op een rivierbank en we tuigen op. In het achterhoofd zitten de cursusdagen aan het Oostvoorne, de masterclass met Menno van Dam en de vele uren die we zelf nog in het werpen hebben gestoken.
We zullen de vis diep, langs de bodem, moeten zoeken. Afhankelijk van de zalmsoort en de plek in de rivier kan dat variëren. De hengels zijn opgetuigd met drijvende Skagit lijnen, in deze contreien ontwikkelde vliegenlijnen met een gewicht van ongeveer 650 grains (ca. 40 gram) die de hengel iets overbelasten, wat kan omdat de lijn deels op het water ligt bij de worp, en die met een speciale worp in gang worden gezet en daarbij door hun massa aan de Skagit geluste 15 voets sinktips en de daaraan verbonden korte leader met zich meenemen. Vroeger wierp men met geheel zinkende lijnen, maar die moet je elke keer na de worp weer omhoog rollen voordat je de nieuwe worp kunt inzetten. Die Skagit lijnen zijn kort, acht meter of zo, en ze drijven dus, maar door de energie van de worp transporteren ze de soms als een steen zinkende sinktips, die wel tot 20 gram kunnen wegen, met redelijk gemak. Die tips werp je dus als gewicht niet met de hengel, ze hangen voor het maken van de worp in het water of liggen zelfs op de bodem, maar door de energie van de worp worden ze opgetild. Het voordeel is dat je dus blijft werken met een drijvende lijn, wat het werpen enorm vergemakkelijkt. Door een hele set verschillende sinktips in te zetten, zowel qua lengte als zinksnelheid, kun je inspelen op de situatie ter plaatse. Op de reel zit achter de Skagit lijn een meter of vijftig dunne en gladde volglijn, die bij de worp wordt losgelaten zodat afstanden rond 30 meter binnen bereik komen. En achter die volglijn zit 300 meter backing, op advies van Jeroen niet de gebruikelijke 30 lbs dacron maar braid met een hogere treksterkte, in ons geval 80 lbs. Je wilt namelijk onder geen beding dat de backing qua treksterkte de zwakste schakel is, want dan verlies je ingeval van breuk alles. Het is enige dagen voor onze aankomst nog gebeurd, net zoals er de nodige hengels zijn gebroken en reels in de bekende soep zijn gedraaid.
Ik kijk naar Pa. Hij heeft de Skagit uit het topoog, stript meters volglijn naast zich in het water, maakt een rolworp stroomafwaarts en de lijn ligt daarmee strak. Dan maakt hij een Snap-T, waarmee de lijn in één keer stroomopwaarts van hem ligt en omdat de lijn nu met de stroming op hem afkomt heeft hij op hetzelfde moment met de hengel en dus de Skagit een halve cirkel over het water geschreven, de hengel naar achteren gebracht waardoor de zogenaamde D-loop ontstaat die de hengel oplaadt en, als hij het gewicht van de lijn en de oppervlaktespanning voelt, de voorwaartse worp ingezet. De lijn vliegt over de rivier en de vlieg, een roze Intruder, komt perfect haaks op de stroom neer. Het water grijpt de sinktip en de vlieg aan de leader en neemt die met de stroom mee. De Skagit drijft erachter aan, volgt het onderwater gebeuren en nu de lijn natuurlijk door de stroomdruk strak trekt, drijft de Skagit langzaam door die stroom naar het ondiepe water waar Pa staat terwijl de vlieg aan het einde van de lijn onderweg de zogenaamde “swing’ maakt. De bedoeling van de swing is dat de vlieg tijdens die swing in het zicht komt van een optrekkende vis of soms ook een “holding” vis, die ter plaatse rust alvorens verder op te trekken. Als alles weer strak stroomafwaarts ligt en er geen vis is gevonden volgt de Snap-T weer. Er zijn dan misschien twintig seconden verstreken na de vorige worp. Op de swing na de tweede voorwaartse worp is er al contact, een ruk en de eerste Pink, een vis van een pond of zes, vecht tegen de druk. Meters worden van de spoel gerukt, de veertienvoeter staat minuten lang helemaal krom op de Pink. Een goed begin.
Ik kijk het allemaal aan en moet zelf nog beginnen! De volgende uren vangen we een heel stel Pink’s als Pa opeens een vis vast heeft die na wat gemor plotseling een schot neemt van een meter of honderd. Jeroen komt Pa van dichtbij coachen en na een half uur, waarin de vis steeds opnieuw een meter of negentig, honderd uitloopt komt de vis eindelijk binnen bereik van het net en blijkt het een King van een pond of 25. Jeroen meldt Pa dat hij geluk heeft dat deze King zich zo rustig hield en dat hij er niet op moet rekenen dat het de volgende keer weer zo gaat. Het zal Pa een zorg zijn en hij poseert trots als een pauw met z’n King.
Hoe het normaal wel verloopt maak ik zelf in de middag mee als het eerst lijkt alsof ik vast zit aan de bodem. Ik sta vrij diep maar uit het trekken aan de top en het tikken van de slip maak ik op dat het vis is die op enige afstand over de bodem schuifelt, nog even twijfelend over wat hem of haar te doen staat. Maar niet voor lang. Want dan gebeurt waar ik over heb gelezen: onder water drukt iemand op de knop “Ignition” en als een torpedo schiet de vis van me weg, dwars over de rivier, terwijl de reel luid gierend onophoudelijk tientallen meters afgeeft. Als ik al zeker 150 meter kwijt ben en de reel steeds harder gaat aflopen kijk ik vertwijfeld naar Jeroen en de schreeuw om advies is nadrukkelijk van mijn gezicht te lezen. “Hiervoor ben je naar BC gekomen”, roept Jeroen alleen. Echt niet, denk ik, om gespoeld te worden zeker… maar terwijl ik dat overpeins veert de hengel terug en is de vis los. Tja. De vliegen hebben geen weerhaken, de vis zwemt tijdens de dril heen en weer, de stroom is zeer sterk en zo zijn er tal van factoren die maken dat de vlieg gemakkelijk los kan komen. Een landingspercentage tussen 10 en 60% wordt voor de King’s als “business as usual” gezien dus dit losschieten is geen verdere analyse waard anders dan het checken en zonodig wat aanscherpen van de haak. Pa heeft een uur later dezelfde ervaring maar heeft het genoegen de vis meermalen te zien springen, wat niet bevorderlijk is voor de zenuwen omdat de vis overduidelijk aan de zeer forse kant is vergeleken met zijn eerste King. Ook deze schiet, maar nu sneller, los en als Pa zijn lijn indraait meldt Jeroen dat het zo te zien om “een veertiger” ging. We zijn sprakeloos.
Na weer de nodige Pinks overdenken we de dag en kijken we elkaar eens aan en lezen we in elkaars ogen de wederzijdse vraag: wat gebeurt hier? Derek, die ons de volgende dag begeleidt, zet mij meteen neer op een stek aan de andere kant van de rivier en meldt mij dat ik door de keuze van de vlieg minder “takes” ga krijgen maar dat hij me op een briefje geeft dat de aanbeten die ik krijg van Chinooks zullen zijn. Ik zie af van het briefje, geloof hem zo ook en maak m’n worpen terwijl ik de vlieg, stapje voor stapje de pool afwerkend, laat swingen. In het uur dat volgt heeft Pa continue een kromme hengel en vangt hij Pink’s. Daar zit een vis van bijna tien pond bij. Ik krijg maar drie keer beet maar dat uur blijft mij denk ik heel lang bij. De eerste King blijft even staan en accelereert dan als een dragster naar de overzijde van de plaatselijk brede rivier. Nog nooit heb ik m’n reel zo snel zien afspoelen. De vis komt in de hoofdstroom, slaat een hoek, springt hoog op en is los. “Big fish!” roept Derek. Schrale troost, denk ik. “At least you had the fun part of it!”, roept Derek nog. Daar denk ik anders over. De tweede van de dag heb ik tien minuten later al vast. Weer gaat de vis in een onwaarschijnlijk tempo de rivier af, ik gil “King!’, waarop Derek mij onmiddellijk de oever op dirigeert om beter te kunnen inspelen op de vis, maar na 200 meter stopt de King en kan ik wat lijn terugkrijgen. Na een goed half uur trekken en draaien van beide kanten en een stuk meelopen langs de oever krijg ik de vis in het zicht en niet veel later heeft Derek de King in het net. Hij geeft mij het net en meldt over de mobilofoon aan Jeroen, die met het tweede koppel elders op de rivier zit, dat er een “chrome bullet, fresh from the ocean” binnen is.
“Is it the old man or the young guy”, hoor ik vragen. “It is Wim, the young guy”, meldt Derek en ik hoor de tevredenheid aan de andere kant luid en duidelijk. Vader en zoon allebei een King, dat is maar vast geregeld! En het voordeel van met je vader vissen is dus dat je zelf jong bent en altijd blijft!
Vanaf de middag van de tweede dag hebben we, met die King’s op zak, de aandacht vistechnisch wat verlegd en beginnen we Chums te vangen, de Dog Salmon. Dat is een zwaar onderschatte vis. Die beesten worden zomaar een metertje of meer groot, brengen gemakkelijk 20 pond op de schaal – en meer - en niet alleen attaqueren ze de vlieg kei- en keihard, ze vechten ook een gemeen robbertje en het kan zo maar een half uur duren voordat het net tevoorschijn kan komen. Maar het gebeurt ook dat er 150 meter van je reel wordt gescheurd en dat je in beweging moet komen om grip te houden: op de laatste middag dacht ik een King vast te hebben die mij in één run verloste van dik 200 meter en terwijl ik langs de oever holde, met een kromme hengel, probeerde over aangespoelde bomen te klimmen terwijl de hengel uit mijn handen werd getrokken en de slip maar bleef huilen, zou ik waarschijnlijk gespoeld zijn als Derek niet ver voor mij uit was gerend, tot zijn middel de rivier in was gewaad en met meer geluk dan wijsheid de vis in één keer had “genet”. Een Chum van één meter en 25 pond, helemaal vers van zee, die na het pakken van de vlieg zoals dat heet echt helemaal “ballistic” ging.
In de dagen die volgden hebben we ons echt letterlijk pijn in de armen staan vangen aan die Chum’s. Soms ook was het een uurtje rustig, maar altijd weer trokken er nieuwe scholen vis de rivier op en als die op de plaats waar de raft lag arriveerden was het raak, en niet zo’n beetje ook. We verlangden soms echt even naar rust…
- Deel 2 van dit fantastische avontuur volgt binnenkort! -
Engelse kopvoorn
Tom Scholte trakteerde op het forum met een verslag van zijn jaarlijkse trip naar Engeland. In een zoektocht naar grote Engelse kopvoorn toog de reis dit keer naar de Hampshire Avon en de Stour. Niemand minder dan John Stearl begeleidde hem voor een dag naar stekken waar een visser alleen maar van kan dromen. Glashelder water, prachtige vissen en vreselijk spannend om continue op zicht te vissen. Maar zien en vangen zijn twee verschillende dingen, zo bleek. Toch gaat het soms een heel enkele keer precies zoals je het wilt.
De meeste ‘chub’ kwam op maïs. Een korrel of twee op een haak maatje 10 of kleiner. Daarvoor een meter fluor carbon voorslag van 6 lbs en verder helemaal niets, geen lood en geen dobber. Hoewel erg moeilijk in te gooien, zeker met een beetje wind, wel uiterst subtiel en zo natuurgetrouw als maar mogelijk. Tom schrijft:
“Vervolgens zie je dat ze het pakken en zoals gebruikelijk sla je in een reflex aan… mis! Blijkbaar houden ze de bek nog even open en daardoor sla je de haak er weer uit. Dit is gefilmd en bewezen door John Searl en Paul Witcher. John vertelde dit maar ondanks die wetenschap is het erg moeilijk om die reflex te negeren. Om succes te hebben moet je dus een langzame aanslag maken iets wat je niet gewend bent. Bovendien is het water glashelder en zien ze je al van verre aankomen. Het is dus allemaal kruip en sluip tactieken.”
Aanpassing van vaardigheden bleek de belangrijkste sleutel tot succes. Hij ving er daarnaast ook een paar op grote afstand door een stuk luncheon meat als aas zonder dobber of lood naar de vis toe te laten stromen. Traditiegetrouw werd de grootste vis helaas verspeeld, pal onder de kant in een paar takken. De kopvoorn bleef nog heel even aan de lijn zitten, maar door de hoge oevers konden ze de vis niet bereiken en werd de strijd uiteindelijk in zijn nadeel beslecht. De gebruikte Chapman The Hunter 12 ft. splitcane en centrepin met 6lbs lijn pasten naadloos in het klassieke decor.
Rubberrust
De afgelopen 2 rubberloze maanden ben ik weinig actief op het forum maar ook weinig actief aan de waterkant. Druk, druk en nog eens druk. Nog even en dan mag ik weer rubberen, lekker weer de stekelvissen gaan plagen. Wat doet je als je tussentijds niet mag tjoeperen met een rubbertje? Dan ga je achter de ruisers en de zeelten aan. Normaal pak ik ook nog wel wat karpermomenten mee, maar daar kwam het helaas niet van. De weinige keren dat ik aan de waterkant aanwezig was heb ik wel flink kunnen genieten. Dikke ruisvoorns op de korst waren in april zeer goed van de partij. Evenals de zeelt - waar ik toch heel wat jaartjes naar heb gezocht - waren en zijn zeer goed vangbaar. Zelfs bij mij in de omgeving. Al met al, weinig maar wel prachtige momenten beleefd langs de waterkant de afgelopen 2 maanden. Ik kan met een goed gevoel weer achter de baarzen aan gaan jagen straks!































