Ultralichte jeugdherinneringen

In juni 1968 verhuisde ik met mijn ouders vanuit Rotterdam naar Rodenrijs, toen nog een lintdorp in de uitgestrekte polders van het Delfland. Ik was twaalf jaar en had al wat met een vast hengeltje gevist in de vijvers in het Kralingse Bos. Voor ons nieuwe huis liep de Rodenrijse Vaart en die was soms zo vol van kringen van happende ruisvoorns dat het leek alsof het op het wateroppervlak regende. Een mirakel, ik wist niet hoe ik het had! Een naburige tuindersknecht bracht me met het vissen met de vaste hengel vakkundig op het goede spoor. Schreiners boekje ‘Vastslaan en strakhouden’, dat ik in september ‘68 voor mijn dertiende verjaardag kreeg, hielp me vervolgens op weg naar de werphengelsport en voor de rest nam ik mijn ontwikkeling in eigen handen. Zo werd ik al snel een verwoed sportvissertje.

Mijn solide fundament als sportvisser: Jan Schreiners pocket 'Vastslaan en strakhouden' en het 'Groot Sportvissersboek'. Met de jaren stukgelezen en later zelf opnieuw in de band gezet, die inmiddels ook al weer verschoten is.

De ruisvoorns ging ik met een primitief volglas werphengeltje achterna. Letterlijk soms, terwijl de scholen zich al maar verder de polder in verplaatsten en ik, er achteraan, al maar later al maar verder van huis raakte. Zo zwierf ik door tot ik een stipje aan de horizon was - en mezelf, als voormalige stadsjongen, ook zo voelde. Dat klinkt nogal transcendentaal, maar het was eind jaren zestig en toen kon je daar goede sier mee maken. De polders waar ik viste waren indertijd nog uitgestrekt en verlaten en ik zag er niet tegenop als ik op een zomerdag moegelopen was om in het weiland langs de kant van de Bovenvaart een kwartiertje een tukkie te doen. Languit, ogen dicht en zo’n beetje soezend luisteren naar de grutto’s en weg was je. Onschuldige tijden.

Ruisvoornvissers rond 1960, de rechter met een ultralicht hengeltje en een Luxor molen. Mannen om te benijden.

Op een dag kreeg ik door dat er in de vaart ook baarzen te vangen waren, aan spinners. Dat zag ik een oudere jongen doen. De plaatselijke LTB - de winkel van de Boerenbond - had wel een paar kleine Veltic en Olympique stroomspinnertjes, en zo was ik al snel ‘in business’. Spinner dicht langs een stenen loswalletje vissen of onder een brug doorwerpen en… BENG! Verslavend was dat. Je kon daar dag na dag in opgaan zonder dat het verveelde. Tot je opeens weer een school ruisvoorns aan de oppervlakte zag happen en je je weer een tijdlang met evenveel overgave op de vlokvisserij stortte. Ja, die ruisvoorns en baarzen waren mijn favorieten en dat is eigenlijk nooit meer overgegaan.

Als het op ruisvoorn- en baarsvissen met de werphengel aankwam, was volgens Jan Schreiner de ultralichte visserij het ultieme werk. Ik twijfelde daar geen moment aan. Dat wilde ik dus ook wel. Maar ultralicht materiaal was duur, en vooral een ultralichte hengel liep behoorlijk in de papieren. Er waren wel enkele redelijk geprijsde ultralichtjes, zoals van Mitchell, maar die hadden een reelhouder en dat mocht niet van Schreiner: zo’n onding hoorde op een spinhengel beslist niet thuis, zei hij stellig - zoals hij alles nogal stellig zei.

Reclame van Ronald Fenger voor ruisvoorn- en baarsmateriaal. Uit het maandblad 'De Sportvisser' van juli 1971.

Nu stond er in die tijd - voorjaar 1970 - bij de toen befaamde Rotterdamse hengelsportzaak van Ronald Fenger wel een heel mooi holglas stokje met reelringen in het rek, een Hardy Fibalite 2 lb Spinning. Maar dat kostte tachtig gulden en viel daarmee ruim boven het budget. En aan de bruine houten sprietjes ernaast, splitcane hengeltjes van Pezon & Michel, hingen kaartjes met prijzen die je ook na twee keer lezen nog onwaarschijnlijk voorkwamen.

“Maar je kunt natuurlijk ook zelf een hengel bouwen”, zei meneer Fenger, “dat scheelt stukken”. Hij liet me een eendelig viergrams Conolon glasblankje zien en de bijbehorende ogen, reelringen (natuurlijk!) en al wat er verder nodig was. Hij becijferde de kosten - het blankje kwam op vijftien gulden, de overige materialen op ongeveer twee tientjes - en dat was te behappen. Daarna legde hij het nodige uit over kurken verlijmen en schuren, wikkelingen takelen en de harde en zachte kant van de blank bepalen en hij zette netjes streepjes op de blank waar de ogen moesten komen. Ik ging secuur aan de slag en mijn eerste zelfbouwhengel werd een succes. Ik vis er ruim veertig jaar later af en toe nog steeds mee. De kurken greep heb ik in al die jaren wel een keer moeten vervangen, maar de oorspronkelijke, veel te dikke wikkelingen - lekker stevig, vond ik - heb ik om sentimentele redenen laten zitten.

Mijn eerste ultralichte uitrusting: een zelfgebouwde viergrammer van Conolon glas, een Noris Shakespeare 2200 Deluxe molentje en wat vliegspinnertjes en viergrams lepeltjes.

Na nog wat sparen kon ik ook het ultralichte molentje aanschaffen waar ik op uit was, een Noris Shakespeare 2200 Europa-klasse Deluxe. Een chique mond vol, maar terecht. Het donkerblauwe juweeltje kostte 35 gulden. Spoeltje 100 meter 0,14 mm Rhodia nylon erbij voor het vlokvissen en 0,16 mm voor het spinnen, wat pauwenpennetjes en voor het hele ondiepe water kleine groenwitte steekdrijvertjes, en een zakje arendsklauwhaakjes. Klaar.

Wat al zo leuk was, werd daarna alleen nog maar plezieriger en spannender. Ruisvoorns en baarzen werden op dat ultralichte spulletje geweldige sportvissen. Je hield bij het vlokvissen soms je hart vast als je drijvertje met een ruk naar onder getrokken werd en je moest aantikken. Wat voor geweld zou er nu weer losbarsten? En met spinnen was het nog erger, want dan wist je niet eens van te voren wanneer de schok kwam. Vooral als er een snoek op mijn spinner dook, kneep ik ‘m soms, want ik viste met een dun lijntje en kunstaas was duur. Ik leerde het dus wel af om overhaast te werk te gaan en de vissen al te gretig naar de kant te dirigeren.

Vond ik zelf het kunstaasvissen al bloedstollend, mijn jongere broer werd het één keer zelfs echt teveel. Hij viste op een warme zomerdag dromerig zijn spinner binnen tot vlak voor zijn voeten. Dat was het moment waarop er met een enorme plons een snoek op dook. De snoek miste, maar broertje - toen heel jong nog - was zich werkelijk lam geschrokken. Hij durfde niet verder te vissen, puur uit angst om nóg eens zo vreselijk te schrikken. Mijn empathie was op die leeftijd nog niet zo ver ontwikkeld, dus ik heb hem schandelijk staan uitlachen en hem er ook nadien nog behoorlijk mee gepest. Niet zo fraai.

Broederlijk bijeen in het rusthuis van de oude glorie: links de Pelican 75 van mijn jongere broer, rechts mijn eigen ABU Cardinal 33, gekocht in 1977.

Zo viste ik opgewekt de jaren zeventig door. Mijn materiaal werd mettertijd uitgebreid. Er kwam onder meer een snel tiengrammertje bij, ook zelf gebouwd van Conolon glas en ook nog steeds trouw in dienst, en een ABU Cardinal 33 molentje.
Ergens rond het midden van de jaren zeventig kwam vismaat Ger Schuit - tegenwoordig in hengelsportkringen bekend als Mr. Pikefly - aanzetten met de eerste twistertjes. Vers uit Amerika. En ronduit belachelijk! Tot hij me meenam naar een plas bij Zwartewaal, een zandafgraving met diep helder water, en me min of meer opdrong om zo’n onnozel gevalletje ook eens te proberen. Vooruit dan maar. De baarzen knalden erop alsof ze er al jaren op hadden liggen wachten. Weer wat geleerd.

Een vette polderbaars op een oud verschoten fotootje. De knaap van 42 cm vergiste zich lelijk in een Luxor Succes spinner.

Maar voor de polder met z’n vuile bodem hield ik het toch liever op spinners. Die voorzag ik van een fleur en ik hing ze zodanig aan mijn spinstangetje - feitelijk een zelfgemaakt antikinkvaantje met een tot 15 cm verlengd stangetje - dat vaantje en fleur bij het binnenvissen allebei omhoog wezen en de boel dus maar zelden vastliep. Dat werkt nu al veertig jaar probleemloos.

Ook het vlokvissen bleef een bron van genoegen. Ruisvoorns waren target nr. 1, maar aangezien ik in het meestal vrij heldere water van de veenpolders goeddeels op zicht kon vissen, liet ik bijna geen enkele potentieel broodetende vis die ik in de gaten kreeg ongemoeid. Alleen van flinke karpers in de nabijheid van waterplanten zag ik af; dan zat verspelen er ál te dik in.

Uw vissertje, veel jonger nog, met een verrassing tijdens het vlokvissen op ruisvoorn: een kroeskarper met sluierstaartgroei. Vastgelegd op een oude polaroidfoto.

Maar brasems en graskarpers van het formaat tot zo’n 60 cm moesten er wel aan geloven. Soms was er een verrassing in de vorm van een zeelt of een kroeskarper. Die laatste vis ving ik ook wel een enkele keer aan kunstaas, zelfs eens aan een behoorlijke Heddon River Runt plug. Het arme beest had de plug van achteren gepakt en het ding zat een paar centimeter in z’n bek alsof hij een bolknak aan het paffen was. Het kostte me de grootste moeite om hem te onthaken. Maar mijn merkwaardigste kroeskarpervangst was toch wel een exemplaar met sluierstaartvinnen.

Met of zonder dergelijke verrassingen, het trouwe viergrammertje verveelde nooit. Het was een soort universele sleutel tot de polder. Eenmaal binnen in die wereld kon je er letterlijk en figuurlijk alle kanten mee op.
Zo werd het ultralichte vissen voor mij een belangrijk onderdeel van mijn jeugd. Een gelukkige jeugd. Soms zie ik nog wel eens jongetjes met dezelfde totale overgave vissen, ook al is hun materiaal soms primitief. Ik denk dan: genieten maar, jongens, want zo mooi als nu wordt het misschien nooit meer, ook al heb je later de duurste spullen.

——————————

TIPS. Voor wie er niet al vanuit zijn jeugd mee bekend is, wil ik nog wel een paar klassieke hengelsportboeken noemen die aardig aansluiten bij het tijdsbeeld en de manieren van vissen die in dit stukje beschreven werden. Twee boeken, beide van Jan Schreiner, kwamen al aan de orde: het Groot Sportvissersboek (1969) en de pocket Vastslaan en Strakhouden (1961). Ook de andere Elsevier-pockets van Schreiner, zoals Tussen ruisend riet en plompeblad (1963), zijn nog steeds de moeite waard. Boeiend en terecht geliefd is vooral ook zijn paperback Werphengel wel en wee (1968). Een zwak heb ik tot slot voor het kleine boekje Kijk op vissen (1965) van Hans van Assumburg (pseudoniem van C.J.M. Fens) met een gastoptreden van Ronald Fenger: leuk geschreven en met veel afbeeldingen van materiaal uit die tijd. Al deze boeken zitten nog steeds royaal binnen hun houdbaarheidsdatum, dat frisse proef je, en goed nieuws is bovendien dat ze allemaal tweedehands voor (ruim) onder de tien euro nog vrij gemakkelijk verkrijgbaar zijn.

Flitsend Nylon - de lijn zelf

Deze website dankt zijn naam aan het beroemde boek Flitsend Nylon van Jan Schreiner, waarvan de eerste druk verscheen in oktober 1950. De naam van dat boek kon niet beter gekozen zijn. Het was immers, zoals de ondertitel luidde: ‘Het eerste Nederlandse boek over het vissen met de werphengel’. En die werphengelsport dankte zijn opkomst en bloei voor het overgrote deel aan de uitvinding van een lijn die zich vanaf werpmolens goed en gemakkelijk liet werpen: de lijn van enkeldraads polyamide, een materiaal dat de naam ‘nylon’ kreeg.

De nylon lijn kwam pas op de markt toen de werpmolen al bestond. In Nederland was de Franse Luxor werpmolen al eind jaren dertig verkrijgbaar en de Engelse Illingworth zelfs al in de jaren twintig. Maar op de nylon lijn moest hier tot na de Tweede Wereldoorlog worden gewacht. Tot die tijd was de hengelaar die met een reel of werpmolen viste vooral aangewezen op lijnen van gevlochten zijde of op een enkeldraads uit zijderupsen gewonnen product, het ’silk’ of ‘gut’, dat voor gebruik eerst geweekt moest worden. Die lijnen waren vooral op een werpmolen lastig te gebruiken. De nylonlijn was een uitkomst, zowel vanwege zijn betrouwbaarheid en relatieve duurzaamheid als vanwege het feit dat hij glad en veerkrachtig en dus enigszins springerig was, wat het werpresultaat belangrijk ten goede kwam. De nylon lijn hoefde bovendien niet regelmatig geïmpregneerd te worden en het lastige voorweken behoorde nu ook tot het verleden.

Een Amerikaanse uitvinding

‘Nylon’ was een Amerikaanse uitvinding. Het materiaal, met de verkorte chemische naam ‘polyamide 66′ (ook wel polyamide 6.6 of 6-6), werd ontwikkeld door een researchgroep van het chemische bedrijf DuPont in Wilmington, Delaware. Deze groep stond als geheel onder leiding van de chemicus dr. Wallace H. Carothers, die formeel als de uitvinder van het nylon geldt. Het is echter feitelijk een ander lid van zijn team, dr. Gerard J. Berchet, aan wie deze eer toekomt. Berchet was namelijk degene die vanaf begin 1935 het specifieke onderzoek naar synthetische polymeren leidde en die het chemische proces uitvoerde dat op 28 februari 1935 leidde tot de vervaardiging van de stof ‘polyamide 66′.

De eerste commerciale toepassing van nylonvezels, oktober 1938

De geboortedatum van ons nylon is dus 28 februari 1935 - schrijf het op de verjaardagskalender, want de gebeurtenis is het zeker waard om te vieren. Het materiaal werd aanvankelijk aangeduid als ‘fibre 66′. Het werd, na een periode waarin het in het diepste geheim gereed gemaakt werd voor productie, op 20 september 1938 gepatenteerd op naam van het bedrijf DuPont en op die van dr. Carothers - een postuum eerbetoon, want Carothers, die aan depressies leed, had in april 1937 zelfmoord gepleegd. Pas een maand na het patenteren, in oktober 1938, kreeg het materiaal na lang wikken en wegen (een verhaal apart) een commerciële naam: via ‘norun’, ‘nuron’, nulon’, en ‘nilon’ kwam men uit op ‘nylon’. Die naam werd al snel zozeer een begrip, dat hij mettertijd feitelijk van handelsnaam tot materiaalnaam is gepromoveerd.

Nylonvezels werden voor het eerst commercieel toegepast bij de fabricage van tandenborstels, ter vervanging van het tot dan toe gebruikte varkenshaar. Dat was in oktober 1938. Precies een jaar later, in oktober 1939, werden ze al op kleine schaal gebruikt voor het weven van dameskousen: de ‘nylons’. En nog in datzelfde jaar werden er voor het eerst vislijnen van gemaakt. Dat waren overigens geen enkeldraadse maar gevlochten nylon lijnen. Deze lijnen werden voor DuPont vervaardigd door de Ashaway Line & Twine Manufacturing Co. in Rhode Island. Maar ze voldeden maar matig, omdat ze in die vroege staat van ontwikkeling nog te stug en te dik waren en daarmee inferieur aan de gevlochten zijden lijnen.
Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog de export van Japanse zijde naar Amerika gestaakt werd, zette DuPont vanaf november 1941 zijn productie van nylon geheel in voor militaire doeleinden, zoals de fabricage van parachutes en nylon koord, maar later ook van zgn. karkassen voor luchtbanden, enz. Direct na de oorlog kwam nylon weer beschikbaar voor civiele producten, waaronder gevlochten vislijnen. Toen wat later ook de eerste enkeldraadse nylon vislijnen in Amerika op de markt kwamen, werden die aanvankelijk vooral verkocht in korte lengtes, als leadermateriaal of onderlijn.

Het eerste nylon in Nederland

Wanneer kregen de Nederlandse sportvissers nu precies voor het eerst de beschikking over de nylon vislijn? Dat bleek een lastige opgave om uit te zoeken. Jan Schreiner noemt het materiaal al in zijn boekje De kunst van het ’snoeken’ uit 1947. Hij heeft het daarin over “Een ondersim van Nijlon 5, 24/100 mm, het doorschijnende ‘glazen’ draadje”, dat hij in combinatie met een heel dun staaldraadje gebruikte om lastig vangbare snoeken te verleiden. Nylon was er toen dus al wel, maar misschien nog alleen als onderlijnmateriaal. Het stond ook vast dat het materiaal pas na de oorlog in Nederland kon zijn ingevoerd, dus op z’n vroegst in de tweede helft van 1945, maar vermoedelijk later, omdat het wat betreft import uit Amerika niet tot de producten behoorde waaraan in die periode van grote schaarste het eerst behoefte was, terwijl de productie van nylon in Europa (onder licentie van DuPont) nog moest worden opgestart. Het is dan ook het meest aannemelijk dat de nylon vislijn pas ergens in de loop van 1946 in Nederland op de markt is gekomen.

Wantrouwen bij de heer Pier

Dat vermoeden wordt ondersteund door een berichtje in het maandblad De Nederlandsche Hengelsport van november 1946. Daarin schreef een zekere heer J. Pier uit Amsterdam:

“Nu er overal Nylon-vischlijnen te koop worden aangeboden, moge het wellicht dienstig zijn er op te wijzen, dat “Nylon” een weinig betrouwbaar materiaal is. Deze synthetische vezel, gemaakt uit kolen, water en lucht, is zeer onregelmatig van samenstelling. Daardoor kan een nieuwe lijn bij bijv. de tweede karpervangst eenvoudig afbreken. Bij de eerste maal treedt een rek van ca. 20 pCt. op. Deze rek blijft en hier of daar ontstaat tevens een zwakke plek. Voor zeelt, snoek, snoekbaars of karper is het m.i. niet raadzaam Nylon te gebruiken, want de teleurstelling blijft niet uit. Voor de kleinere vischsoorten is het echter prachtig.”

Wantrouwen dus bij de heer Pier, maar tegelijk ook de belangrijke mededeling dat ‘Nylon-vischlijnen’ nu - dus in het najaar van 1946 - al overal te koop worden aangeboden. En gezien de formulering was dat kennelijk nog niet zo lang het geval. Ik vermoed dan ook dat de nylonlijn omstreeks het begin van het visseizoen 1946, dus vanaf ongeveer juni 1946, voor de Nederlandse sportvissers beschikbaar is gekomen. Wie nadere informatie hierover heeft, al zijn het bijvoorbeeld maar puzzelstukjes in de vorm van advertenties uit die tijd, wordt van harte uitgenodigd te reageren.

De eerste nylonlijnen die in Nederland werden geïmporteerd, waren van Frans fabrikaat. In Frankrijk maakte het bedrijf Rhodia onder licentie van DuPont het originele nylon, d.w.z. lijnen van ‘polyamide 66′ met de gepatenteerde en beschermde merknaam ‘nylon’. Enkele jaren later, in 1949, kwamen er ook vislijnen uit Duitsland op de markt. Die waren gemaakt van het sterk op nylon lijkende ‘polyamide 6′, een materiaal dat op 29 januari 1938 door dr. Paul Schlack van het chemiebedrijf IG-Farben in Berlijn was uitgevonden en dat gepatenteerd werd onder de handelsnaam ‘perlon’. De voortrekker bij de fabricage van perlon vislijnen was dr. Karl Plate, de grondlegger en naamgever van het Duitse bedrijf dat de bekende Platil-lijnen ging maken.

Frans Rhodia nylon, ca. 1950

Uit Amerika werden aanvankelijk vrijwel geen enkeldraads nylon vislijnen naar Europa geïmporteerd. Daar concentreerde DuPont zich nog geruime tijd op de productie van het halffabrikaat (de dunne draden) voor de fabricage van gevlochten vislijnen: lijnen van nylon en wat later ook van de in 1948 ontwikkelde kunstvezel dacron. Door het wijdverbreide gebruik van de reel in Amerika, die daar veel populairder was dan de werpmolen, was de belangstelling voor deze gevlochten lijnen, die beter voor de reel geschikt waren, daar tot lang na de oorlog veel groter dan voor het stuggere massieve nylon. Pas in 1958 kwam DuPont met een sterk verbeterde - vooral meer soepele - lijn van enkeldraads nylon, onder de merknaam Stren.

Nylon door de jaren heen

Aanvankelijk was het nylon naar de huidige maatstaven nog erg zwak in verhouding tot zijn diameter. Jan Schreiner geeft in de 1e druk van Flitsend Nylon (1950) de breeksterktes op, en die zijn identiek aan de waarden die vermeld staan achterop een houten spoeltje nylon uit die tijd van het merk Water Queen, een van de Franse merken waaronder het fabrikaat van Rhodia werd verkocht. Deze waarden zijn als volgt:

Trekkracht van Rhodia (DuPont) nylon in 1950

0,10 mm   0,50 kg       0,20 mm   1,40 kg
0,12 0,65 0,22 1,65
0,14 0,80 0,24 2,00
0,16 1,00 0,26 2,35
0,18 1,20 0,28 2,70

Nylon van 0,20 mm diameter had toen dus een trekkracht van 1,4 kg, vermoedelijk gemeten in droge staat. Dat was in 1976 al opgelopen naar 2,0 kg voor het Rhodia nylon. Dit Franse nylon was over het algemeen wat soepeler dan het Duitse product, dat volgens de eigen opgave weer wat meer trekkracht had. Platil Universal uit 1976 trok bijvoorbeeld bij 0,20 mm 2,5 kg, terwijl het extra sterke Platil Stark bij die diameter toen al 2,9 kg trok. Een goede nylonlijn van een betrouwbaar merk dat niet al te veel liegt, trekt bij 0,20 mm tegenwoordig al ruim 4 kg. Kortom, nylon is in de afgelopen zestig jaar geleidelijk aan ongeveer drie keer zo sterk geworden.
Het onderscheid tussen Franse (nylon) en Duitse (perlon) vislijnen is overigens inmiddels vervaagd. Van de Duitse lijnenproducent Monofil-Technik vernam ik dat wereldwijd de meeste polyamide kwaliteitslijnen tegenwoordig gemaakt worden van polyamide 6/66 (PA 6/66), een zgn. copolymeer, waarvan ieder molecuul bestaat uit een deel PA 6 (perlon) en een deel PA 66 (nylon).

Duits Perlon, ca. 1950

Deze sterk toegenomen trekkracht per diameter van nylon heeft ook consequenties voor de verhouding tussen de lijndikte en hengel. Hoewel de trekkracht van nylon inmiddels verdrievoudigd is, blijken in tal van boeken en tijdschriften en op websites de vertrouwde verhoudingen die Jan Schreiner al in de jaren vijftig heeft geformuleerd nog ruimschoots onveranderd aanwezig. Bijvoorbeeld: op een 10-grammer hoort 0,20 mm nylon thuis, op een 8-grammer 0,18 mm, op een 4-grammer 0,14 mm, enz. Daar mag onderhand wel eens over worden nagedacht. We kunnen het inmiddels in principe met veel dunnere lijnen af, waardoor we een stuk verder zouden kunnen werpen, terwijl we dan ook minder last hebben van zijwind of stroming in het water. Maar we kunnen ook een kleinere stap zetten en kiezen voor enigszins lichtere lijnen, terwijl we tegelijkertijd de slip wat losser zetten dan voor die lijn passend is. We belasten de hengel dan ongeveer evenveel als vroeger, met het zwakkere en dikkere nylon, maar we werpen verder met de toch wat dunnere lijn en houden tegelijkertijd nog wat reserve over voor hangers of kritieke situaties. Het is allemaal net wat men wil, niets moet, maar het is in ieder geval wel een overdenking waard.

Trekkrachten en diameters

Het is plezierig dat het nylon in de loop der tijd zo veel aan trekkracht gewonnen heeft, maar het is erg jammer dat de commercie daar nog eens een schep bovenop heeft gedaan. In de onderlinge wedijver om zoveel mogelijk trekkracht per diameter aan te bieden, wordt namelijk door tal van merken soms ontstellend gelogen. Diameters worden meestal dunner voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn en trekkrachten worden soms zo enorm aangedikt dat het bijna lachwekkend wordt. Wat moeten we nog geloven? Niet veel, vrees ik.
Toch bestaan er, voor zover ik het kan beoordelen, in ieder geval twee, weliswaar niet objectieve, maar toch redelijk betrouwbare opgaven van wat een goede nylonlijn (polyamide monofilament) tegenwoordig maximaal aan trekkracht kan hebben. Namelijk die van het Duitse bedrijf Stroft en van de eveneens Duitse fabrikant Monofil-Technik, die tegenwoordig onder meer de Platil-lijnen maakt. Zij bereiken die waarden in hun meest hoogwaardige lijnen, resp. Stroft-GTM en Platil-Souverän. Nogmaals, beide firma’s beschouwen hun eigen producten en gaan daarmee uit van hun eigen kunnen, maar ze hebben in hun publicaties wel steeds blijk van gegeven van openheid en het nastreven van correcte metingen, terwijl hun bevindingen ook overeenkomen met de waarden die we bij andere gerenommeerde merken en in onafhankelijke tests tegenkomen. Die huidige maximale waarden zijn als volgt:

Diameter     Stroft GTM     Platil-Souverän
     
0,10 mm     1,4 kg     1,2 kg
0,12     1,8     1,6
0,14     2,2     2,2
0,16     3,0     2,7
0,18     3,6     3,3
0,20     4,2     4,0
0,22     5,1     4,6
0,25     6,4     6,2
0,28     7,3     7,4

Deze waarden zijn onderling niet helemaal gelijk, maar ze geven toch een goed beeld van wat men maximaal van een nylon lijn kan verwachten, ervan uitgaand dat de opgegeven diameter redelijk klopt. Dat laatste betekent dat die diameter binnen de productietolerantie van 0,01 mm blijft en dus niet meer dan 0,01 naar boven afwijkt - afwijkingen naar beneden komen bij de diameters van vislijnen net zo weinig voor als bij de slager, waar het ook altijd toevallig ‘een onsje meer’ is. Helaas wordt eerlijkheid bij de opgaven van diameters en trekkrachten niet beloond, maar stellen de eerlijke lijnmerken zich juist op achterstand ten opzichte van hun in mindere of meerdere mate liegende concurrenten. Alleen goede, onafhankelijke metingen en daaraan verbonden keurmerken, zoals verstrekt door de EFFTA (European Fishing Tackle Trade Association), kunnen daar op termijn misschien wat verbetering in brengen. Een kijkje op de website met tests van de EFFTA is overigens ontnuchterend. Zo is er bijvoorbeeld een lijn (Falcon Planet) waarvan als diameter 0,20 mm wordt opgegeven, maar die nagemeten ruim 0,26 mm dik blijkt te zijn, terwijl de beweerde trekkracht van 6,35 kg het bij nameten niet verder brengt dan 3,70 kg. Dergelijk bedrog is helaas geen uitzondering. Les: zet bij voorbaat altijd vette vraagtekens bij de opgaven op nylonspoeltjes of in advertenties.

'Fun for everyone' met nylon leadermateriaal van Dupont, begin jaren '50

Wat nu te doen bij gebrek aan zekerheid? Kies, naar mijn smaak, in ieder geval voor een lijn van een gerenommeerd merk, en daarvan dan vaak nog liever de aloude, beproefde standaardlijn dan een met veel tam-tam aangeprezen opgefokte variant. En laat je vooral niet verleiden door onwaarschijnlijke beloften over geweldige trekkrachten. De beste grondstoffen en productiemethoden leiden in het beste geval ongeveer tot de resultaten in het hierboven afgebeelde tabelletje. En die resultaten zijn mettertijd slechts geleidelijk aan verbeterd, dus geloof niet te snel in de revolutionaire doorbraken die advertenties steeds weer melden. Overigens is trekkracht niet allesbepalend. Bedenk dat soepelheid en veerkracht misschien wel te prefereren vallen boven extra trekkracht, die doorgaans ook met meer stugheid gepaard gaat. Daarover zo iets meer.

Zelf gebruikte ik vroeger, in de jaren zeventig, graag nylon dat door Rhodia was gefabriceerd, maar dat ook onder allerlei andere merknamen te koop was, bijv. als Tortue Nacrita. Het was fijn spul: soepel en betrouwbaar. Dat gold ook voor Platil. Daarna probeerde ik op aanraden eens Maxima Chameleon, dat me inderdaad goed beviel, vooral nadat ik er met 0,17 mm eens een half matras mee naar boven kreeg. Aan Maxima bleef ik jarenlang hangen, tot ik in de loop van de jaren negentig in de gaten kreeg dat die lijn door andere merken toch wel erg werd ingehaald wat betreft trekkracht per diameter. Tegenwoordig gebruik ik meestal Berkley Trilene XL, vooral omdat het een heel soepele lijn is met weinig geheugen: dat werpt prettig en zorgt voor een goede aasaanbieding. De lijn heeft daarbij een flinke trekkracht per diameter en is betrouwbaar. Maar ook een goed merk als Berkley is op zichzelf helaas nog geen garantie dat ál zijn producten deugen, want ik had teleurstellende ervaringen met een andere lijn van dit merk (Trilene Maxx). Ongetwijfeld zijn er lijnen van andere merken die net zo goed, of voor bepaalde doeleinden zelfs beter zijn, dan die waar ik voor heb gekozen.

Rek en soepelheid

Tenslotte nog een belangrijk punt. Ik vind zelf, zoals gezegd, de soepelheid van een lijn erg belangrijk. Het kan zijn dat een soepele lijn van bijv. 0,25 mm beter werpt en voor een betere presentatie zorgt dan een voorgerekte extra sterke lijn van 0,22 mm, die dezelfde trekkracht heeft, maar die uiteindelijk - hoewel dunner - toch stugger is. Ik vind ook de veerkracht van een lijn belangrijk, omdat ik meestal relatief dunne lijnen gebruik in verhouding tot de vissen die ik wil vangen en dan helpt de rek goed bij het opvangen van krachtsexplosies en bij het drillen. Maar voor kunstaasvissen kan ik me de voorkeur voor een lijn met minder rek voorstellen - hoewel ik zelf ook dan de soepelheid belangrijker vind. Bij afstandvissen ligt de keuze voor een lijn met weinig rek wel voor de hand.

Beproefde lijnen uit het verleden

Maar wat je ook kiest, houd altijd in gedachte dat soepelheid en rek precies dezelfde eigenschappen van een enkeldraads - dus massieve - lijn zijn. Of misschien beter gezegd: het zijn twee gezichten van één eigenschap, namelijk van elasticiteit. Dat valt gemakkelijk te begrijpen als je je de lijn sterk vergroot voorstelt als een staaf van rubber. Als je die in een halve cirkel buigt, wordt het materiaal in de ‘binnenbocht’ samengeperst en in de ‘buitenbocht’ opgerekt. Tegelijkertijd wordt ook de diameter wat vervormd: van rond naar ovaal. Het gemak waarmee dat allemaal gaat, is afhankelijk van de elasticiteit van het materiaal, dus van de rek. Hoe meer rek hoe soepeler de staaf buigt. Voor een lijn van massief nylon geldt precies hetzelfde principe (voor gevlochten lijnen níet). Rek en soepelheid in massieve nylon vislijnen zijn dus onverbrekelijk met elkaar verbonden. Een heel soepele lijn met weinig rek is dan ook een tegenstrijdigheid en dus onzin, ook al staat het in tal van advertenties. Ik meen dat Richard Walker dit allemaal al lang geleden eens heeft uitgelegd, maar helaas zonder wijdverbreid en blijvend succes. Ook ik reken daar maar niet op.

De oorsprong van het ultralichte spinnen

Het ultralichte spinnen is in Nederland vanaf het einde van de jaren veertig van de vorige eeuw tot ontwikkeling is gekomen. Verreweg het meeste baanbrekende en propagerende werk is daarbij verricht door de grote man van de Nederlandse hengelsport in de twintigste eeuw, Jan Schreiner. De oorsprong van het ultralichte spinnen ligt echter in Frankrijk en de uit dat land geïmporteerde materialen en technieken zijn van belangrijke invloed geweest op de manier waarop de ultralichte kunstaasvisserij bij ons werd en wordt beoefend.

Drie Fair Play ultralichte spinhengels uit de jaren zestig (afbeelding uit het 'Groot Sportvissersboek')

Wat verstaan we in dit artikel eigenlijk onder ultralicht spinnen? Het begrip ’spinnen’ is het gemakkelijkst te omschrijven. We nemen het wat ruimer dan alleen het vissen met spinners en rekenen er het vissen met al het denkbare kunstaas toe - voorzover dat natuurlijk met ultralicht materiaal te werpen en te vissen valt. Dan het begrip ‘ultralicht’. Als je uitgaat van de vissoorten waar je op uit bent, is dat een relatief begrip. Je kunt ultralicht vissen op baars, met een 4-grams spinhengeltje, maar je kunt ook ultralicht op haai gaan, bijvoorbeeld met een 40-grams plughengel of een baitcaster. In dit artikel gaan echter we niet uit van vissoorten maar van hengels, meer precies van spinhengels. Daarmee nemen we het begrip ultralicht dus niet relatief maar absoluut. Naar wat volgens de Nederlandse traditie het meest gebruikelijk is, rekenen we er de spinhengels toe met een maximaal werpgewicht tot en met 6 gram. Sommigen leggen die grens liever bij 5 gram en in andere landen gelden weer andere grenzen, al is het verschil vaak maar minimaal. In Amerika bijvoorbeeld kiest men algemeen voor een bovengrens van 1/4 oz. wat overeenkomt met 7 gram. Alles daaronder heet ultralight. De keuze van zo’n grens is natuurlijk niet van levensbelang en berust ook niet op een of andere noodzakelijkheid, het gaat er alleen maar om dat we een afspraak maken over de afbakening van wat we ‘ultralicht’ noemen, zodat tenminste duidelijk is waar we het met die term over hebben.

Waaraan dankt het ultralichte spinnen zijn bestaansrecht? Of anders gezegd: wat is het nut of de aantrekkingskracht van deze manier van vissen, die immers meer risico’s op het verspelen van vis of het vastraken van kunstaas met zich meebrengt dan wanneer er zwaarder materiaal wordt ingezet? Het ultralichte spinnen staat in feite op twee benen. Ten eerste heeft het een functioneel doel en om die reden is het ook ontstaan: het maakt het mogelijk om bijzonder lichte kunstaassoorten te werpen en aan een vis te presenteren, die met grover geschut of aan opvallender materiaal in bepaalde omstandigheden moeilijker of helemaal niet te verleiden zou zijn geweest. Ten tweede - maar zeker niet minder belangrijk - is het ultralichte spinnen een methode die een hoge mate van raffinement en fijnzinnige perfectie met zich meebrengt, en dat geldt ook voor de materialen die erbij worden gebruikt. Voor degene die daar gevoelig voor is, heeft deze visserij alleen al daardoor zoveel genoegen te bieden, dat de functionaliteit desnoods op de tweede plaats mag komen. Je kiest dan voor ultralicht spinnen ook al is een andere methode op dat moment misschien effectiever, een keuze puur dus voor het plezier - en daar gaat het toch in de eerste plaats om.

Frankrijk

Zoals gezegd steunde het ultralichte vissen in Nederland, toen het hier vanaf het einde van de jaren veertig van de twintigste eeuw tot ontwikkeling kwam, vooral op de ontwikkelingen die eerder in dat decennium hadden plaats gehad in Frankrijk. Daar had dr. Pierre Barbellion in 1941 in zijn boek Lancer léger et poissons de sport voor het eerst de term lancer extra-léger (extra licht werpen) gebruikt voor het werpen van gewichtjes van 1,5 tot 3 gram. Dit gebeurde met behulp van ragfijne splitcane werphengeltjes met een werpvermogen van rond de 2 gram. Het was in de jaren veertig en vijftig zowel in Frankrijk als in Nederland gebruikelijk om werphengels behalve naar hun werpvermogen ook te klasseren naar hun ‘arbeidsvermogen’: de minimale belasting waaronder een horizontaal gehouden hengel 90 graden naar beneden buigt (wat de Engelsen test curve noemen). Het maximale werpgewicht voor 7-voets splitcane spinhengels werd dan vastgesteld als zijnde 1/50 deel van het arbeidsvermogen. De hengeltjes die Barbellion gebruikte voor het ‘extra lichte werpen’ hadden een arbeidsvermogen van niet meer dan 90 of 100 gram. Ze werden onder meer ingezet om met kleine spinnertjes en ander licht kunstaas op forel of baars te jagen.

Dr. P. Barbellion, 'Lancer léger et poissons de sport' (1941), 2e druk 1946

De term lancer ultra-léger (ultralicht werpen) werd in de literatuur voor het eerst gebruikt door Pierre Lacouche in zijn boek Le lancer léger de surface uit 1945. Het jaar daarop publiceerde Sylvain Massé het boek Au léger - ultra-léger, waarin hij het ultralichte werpen definieerde als het werpen met gewichten tot en met 2 gram. Daarbij werden in die tijd lijnen gebruikt van 0,09 tot 0,14 mm bij een trekkracht van ongeveer 0,5 tot 0,8 kg. De categorie daarboven was dan het lancer extra-léger met gewichten van 3 tot 6 gram en lijnen van 0,14 tot 0,18 mm, gevolgd door het lancer léger met gewichten van 7 tot 10 gram en lijnen van 0,18 tot 0,22 mm. Maar tegenwoordig wordt de term lancer extra-léger niet of nauwelijks meer gebruikt. Het ultralichte werpen wordt nu in Frankrijk algemeen gedefinieerd als het gebruik van werphengels met een werpgewicht tot 3 gram. Werpgewichten daarboven, van 4 gram oplopend tot 10 gram, worden tot het lichte werpen gerekend, gevolgd door het middelzware en zware werpen. Overigens, laat iemand zich geen vooral geen zorgen maken als hij alle termen, gewichten en begrenzingen inmiddels niet meer kan bijbenen.

In Frankrijk werd in de eerste decennia na de oorlog een heel scala aan fijne ultralichte splitcane spinhengeltjes gebouwd, met arbeidsvermogens van 60, 80, 90 en 100 gram (dus met maximale werpgewichten oplopend van 1,2 tot 2 gram). De leidende fabrikant hiervan was de gerenommeerde firma Pezon & Michel, die in 1948 haar eerste ultralichte splitcane spinhengeltjes op de markt bracht. Dezelfde firma produceerde inmiddels ook een voor die tijd superieure lichte werpmolen: de oorspronkelijke Luxor (model 1936), een molentje van 225 gram met kunststof spoel, dat al snel werd gevolgd en verdrongen door de iets degelijker en forser uitgevoerde versie met aluminium spoel, de Luxor-Luxe (260 gram). De producten van Pezon & Michel kwamen ook op de Nederlandse markt en met die materialen ook de vismethodes die ermee mogelijk waren. In de eerste druk van Jan Schreiners invloedrijke boek Flitsend Nylon (1950) zien we bijvoorbeeld al 7-voets Luxor spinhengels van Pezon & Michel afgebeeld, waarvan indertijd behalve 24, 18 en 12-grams modellen ook een 6-grammer verkrijgbaar was; in de 2e druk uit 1952 is bovendien een 4-grammer afgebeeld.

Nederland

Ultralicht materiaal, zoals afgebeeld in Jan Schreiner, 'Flitsend Nylon', 2e druk 1952

De meest omvangrijke ontwikkeling die zich tot op heden in de Nederlandse hengelsport heeft voltrokken, een ware stroomversnelling feitelijk, had plaats in ruwweg de periode 1950-1970. Het vissen met werphengels en werpmolens, dat in ons land voordien nog slechts door weinigen werd toegepast - met als pionier A.M.J. Dresselhuys in de jaren twintig - vond in die twee decennia algemeen ingang. Allerlei nieuwe materialen kwamen beschikbaar, in de eerste plaats de nylon lijn, en fundamenteel nieuwe technieken werden gepropageerd en toegepast. Bovendien veranderden de inzichten en de mentaliteit ten aanzien van het vissen. Vissen werd nadrukkelijk spórtvissen: het genieten van het vissen zelf werd steeds belangrijker en het terugzetten van vis won terrein op het meenemen, dat altijd zo vanzelfsprekend was geweest. Doordat de buit niet meer allesbepalend werd gevonden, kón er ook meer aandacht komen voor de manier waarop de vis gevangen werd en telde niet meer alleen het eindresultaat in de vorm van een flink gevulde bun of juten zak. Sterker nog, de manier van vangen kwam voor velen voorop te staan. Helaas kreeg deze mentaliteitsontwikkeling later, vanaf de jaren zeventig, echter weer de wind tegen, vooral door invloed van het uit Engeland overgewaaide specimen hunting.

Dé grote man achter de evolutie - zo niet revolutie - van de Nederlandse hengelsport in de eerste dertig jaar na de oorlog was zonder twijfel Jan Schreiner. En zoals aan het begin al werd vermeld, was hij ook verreweg de belangrijkste man die in ons land het ultralichte kunstaasvissen heeft gepropageerd en tot ontwikkeling heeft gebracht. De ontwikkeling waarvoor Schreiner zich heeft ingezet omvat zowel de vistechnische vernieuwingen als de hierboven genoemde mentaliteitsverandering. Die twee elementen zijn nauw met elkaar verbonden. Zonder die mentaliteitsverandering, waarbij het genoegen van de vismethode belangrijker werd gevonden dan de hoeveelheid gevangen vis, zou het ultralichte vissen immers ondenkbaar zijn. Het zou als een veelal te weinig productieve en te riskante methode beschouwd worden en geen recht van bestaan hebben.

Jan Schreiners baanbrekende boek 'Flitsend Nylon' (1950), 2e druk 1952

In zijn boeken publiceerde Jan Schreiner het eerst over ultralicht vissen in 1950. In dat jaar verscheen zowel de eerste druk van zijn standaardwerk Flitsend Nylon als het kleinere boek De pen duikt weg…! Om met het laatste boek te beginnen, hierin noemt Schreiner onder andere het vissen met kleine spinner-vlieg-combinaties. Die leveren volgens hem, “hoewel eigenlijk gemaakt voor ultralicht werk op forel, vooral in het vroege voorjaar vaak zeer goede resultaten op op de baars.” Hij viste die spinnertjes dan met 0,14 tot 0,18 mm nylon op hengeltjes van 4 of 6 gram werpvermogen en soms zelfs wel eens met 0,12 mm op een 2-grammertje. Ook op de snoekbaars zette hij wel eens een klein ‘Tarantella’-spinnertje in, met 0,14 mm nylon op een 6-grammertje. Voor 1950 is dat inderdaad ultralicht vissen. Vooral als je je bedenkt dat zo’n 0,14 mm lijntje toen niet meer trekkracht had dan 0,8 kilo!

In de eerste druk van Flitsend Nylon worden ook al dergelijke prestaties genoemd: “Met kunstaas dat bv. 3 à 5 gram weegt, kan men een snoek van 10 pond en zwaarder vangen. Met een tweepondslijn en een ultralichte hengel - ik ving er eens een van 10 pond aan een hengeltje dat 70 gram woog - kan men zo’n snoek overwinnen.” Maar het was toen, in 1950, kennelijk nog wel erg een visserij in de marge - een apart hoofdstuk heeft Schreiner dan nog niet aan het ultralichte spinnen gewijd. Dat voegde hij wel toe aan de tweede druk, die in 1952 verscheen. Daarin schrijft hij na een bevlogen romantische intro onder meer:

“Wij gaan ultra-licht spinnen. Dat splitcane-rapier, waar ik het al eerder over had, is een eersteklas 6½ ft stokje met een maximum-werpvermogen van 4 g en het nylon dat ge daar ziet glanzen, meet onder de micrometer geen honderdste millimeter meer dan 12/100. Het lokaas is een grappig klein spinnertje met een blad van 10 mm, waarachter een vliegje is gemonteerd op een enkel haakje. De enige bezwaring die hier nog bij komt is één enkel gespleten hageltje van middelmatige grootte.
Het werpen met dit lichte gewicht is zeer moeilijk en kan beschouwd worden als de hoogste vorm van lanceren. U kunt het gerust op één lijn stellen met het werpen van de vlieg.”

De ultralichte materialen die Schreiner in deze tweede druk van Flitsend Nylon liet afbeelden, geven een idee van wat er op dat gebied indertijd (1952) in Nederland verkrijgbaar was. Er zijn drie ultralichte hengels te zien: een ‘Luxor 200′ van Pezon & Michel met een werpvermogen van 4 gram, volgens Schreiner geschikt voor de voorn en brasemvisserij, en twee ultralichte spinhengels van het Nederlandse merk B&R (Bertram & Roelfs). De B&R hengels zijn een model ‘Tarantella 300′, een 6-grammer “voor het vissen op baars en snoek, buldobvissen, makreel, brasem en voorn”, en een ‘Zephyr 200′, een 4-grammer voor baarsspinnen en het vissen op voorn en brasem. Alle genoemde hengels zijn van splitcane. Nadat Jan Schreiner met zijn compagnon Willem Persoon enkele jaren later een eigen hengelsportzaak was gestart (’Hengelsporthuis Flitsend Nylon’ aan het Kleine Gartmanplantsoen in Amsterdam, geopend op 1 september 1956) begon hij ook zelf hengels te bouwen, onder de merknaam ‘Fair Play’. Daaronder waren ook ultralichte spinhengels, aanvankelijk vermoedelijk in splitcane, maar begin jaren zestig in ieder geval al in holglas.

Fair Play ultralicht spinhengeltje met 4 gram werpvermogen

Als ultralicht molentje vinden we al in de eerste druk van Flitsend Nylon (1950) de Alcedo Micron afgebeeld, een fraai Italiaans stukje techniek van maar 190 gram. Een paar jaar later kwam Pelican, een merk uit dezelfde Turijnse fabriek als Alcedo, met een ultralicht model, de Pelican 50, dat veel verkocht werd. Maar ook de al eerder genoemde kleine Luxor molen werd, hoewel wat zwaarder, indertijd veel voor het ultralichte werk gebruikt.

Zo kwam het ultralichte kunstaasvissen in Nederland langzaam maar zeker op de kaart te staan. Aanvankelijk, in de jaren vijftig, was dat nog op kleine schaal, maar naarmate in de jaren zestig de welvaart toenam, kwamen de relatief toch vrij kostbare materialen die voor deze visserij nodig waren voor steeds meer sportvissers binnen handbereik. Ik sluit graag af met een kort maar gloedvol pleidooi van Jan Schreiner uit 1969, te vinden in zijn Groot Sportvissersboek:

“Mij beperkend tot ultralicht spinnen kan ik dit zeggen: zo’n ultralichte uitrusting moet worden beschouwd als onmisbaar gereedschap. Zeker voor de sportvissers die de poldervisserij minnen. Want met een klein spinnertje, waarmee correct wordt gevist, schiet men maar zelden naast de roos.
Is dat nu zo, Schreiner?
Bij mijn ziel en zaligheid, het is zo.
Als het echt om ziel en zaligheid zou gaan, slechts te behouden door in de polder wat vis te vangen, zou ik als veiligste wapen een ultralichte hengel en een klein spinnertje kiezen. Om het risico - voor ziel en zaligheid - zo klein mogelijk te maken.”

——————————

TIPS. Boeken speciaal over het ultralichte spinnen zijn er in de Nederlandse taal jammer genoeg niet, op een enkele ‘print-on-demand’-uitgave na. Het ultralichte geweld speelt zich hier behalve aan de waterkant vooral af op websites, waarvan ik het weblog Struinen door de polder van Peter Linzell graag noem; deze site bevat ook links naar verwante websites. Een Amerikaanse publicatie die ik kan aanraden is het boeiende en prachtig verzorgde boek Ultralight Fishing van Tim Lilley (in te zien op Amazon.com).

Fair Play: oude liefde roest niet…

Het verhaal is al vaker verteld: de historie van Fair Play hengels begint in de tweede helft van de jaren ‘50 met een winkel in hengelsportmateriaal aan het Kleine Gartmanplantsoen in Amsterdam.

Het gebruikte merk Fair Play werd overigens pas wat later, in 1969, geregistreerd toen de winkel verhuisde naar het huidige vestigingsadres aan de Roelof Hartstraat 32.

Mijn eigen historie met Fair Play begint in de eerste helft van de jaren 70, toen ik als jongetje van veertien mijn eerste zelfstandige stappen in de winkel deed. En, enigszins in tegenspraak met die leeftijd: niet zonder eerbied.
Want daaraan vooraf ging het lezen van de nodige boeken van Jan Schreiner, die bij mijn vader keurig op een rijtje in de kast stonden, met voor mij als meesterstuk “Werphengel Wel en Wee” uit 1969. De veel geroemde pen van Schreiner was zeker destijds ongeëvenaard en zijn verhalen maakten op mij dan ook diepe indruk.

Lang vervlogen tijden

In die tijd, wonende in Amsterdam, en met als transportmiddel alleen een fiets, was mijn hengelsportwereld klein en werd die wereld voor mij geregeerd door Koning Jan en kroonprins John, die met zijn vader sinds 1964 ook fysiek inhoud gaf aan het begrip Schreiner & Zn.

Het was tegen deze achtergrond welhaast onontkoombaar dat mijn eerste met vakantiewerk vergaarde muntjes in 1975 opgingen aan een spiksplinternieuw ultralicht geel holglas Fair Play spinhengeltje. Daar waren overigens, ook toen al, hele polemieken in de winkel over de hengels en ook de noodzaak van de bussen aan vooraf gegaan. Die bussen waren voor mij overigens niet de halszaak die de Schreiners er zelf van maakten; ik was gegrepen door het evangelie van het lichter vissen zoals dat door de meester werd verkondigd en had wat minder oog en oor voor zaken als de bussen en de met de hengels opgediende mechanica. Ik wilde gewoon vissen met een maximum aan kansen en plezier.

En voor dat recept was je aan de Roelof Hartstraat natuurlijk aan het goede adres. Het concept van het sportvissen als spel en de onmiskenbare romantiek daarvan, belichaamd door ondermeer een hoepelrond gebogen hengel, de tikkende slip, de juiste verhoudingen tussen hengel, lijn en werpgewicht; het had mij allemaal volledig in de greep en ik voelde mij bevoorrecht dat ik de materie zo nadrukkelijk doorgrondde. Met ongekend vertrouwen zwierf ik met mijn kersverse bezit dan ook langs het hoofdstedelijke water.

De auteur in 1976

Niet zonder succes; in dat voor mij eerste echte Fair Play jaar ving ik op een stomp spinnertje van 25 millimeter een snoek van 87 centimeter. Had ik het licht al gezien, nu werd ik van volgeling voorganger en ging het hek geheel van de dam. Bijbaantjes brachten al snel andere Fair Play’s in huis, zonder uitzondering lekker licht in relatie tot de te beoefenen visserij, zoals een Winston karperhengel voor 18-20/100. Ik vond namelijk 22/00 wat aan de al te stevige kant. Als onweerlegbaar bewijs voor de juistheid van de Fair Play stelling in zake lichter vissen en meer vangen ving ik verschrikkelijk veel vis, wat niet los kan worden gezien van het feit dat ik als scholier ook heel veel tijd had.

De devotie, want zo kun je het misschien wel noemen, nam in die tijd wel enigszins verontrustende vormen aan. Inherent aan de toewijding was dat ik het een beetje overdreef; ik viste soms zelfs met 12 of 14/100 gericht op karper met een brasemhengel – al was de passende nuance van Schreiner dat die visserij natuurlijk wel plaatsvond in cultuurwater - en op “edelkarper”.

Ik kan in het licht van het bovenstaande misschien niet geheel als strikt objectieve beschouwer worden aangemerkt, maar voor mij zijn de holglas hengels zoals die grofweg tussen 1970 en 1980 zijn gemaakt het summum van de Fair Play hengelbouw. Het zijn uitgekristalliseerde hengels ten opzichte van de eerdere perioden; er zijn veelal betere blanks gebruikt, er is sprake van meer innovatieve ontwerpen en ook zijn de hengels beter qua details als geleideogenverdeling. Eigenlijk waren ze niet of nauwelijks voor verdere verbetering vatbaar.

Niet alleen zijn de hengels superlicht, hebben ze vrijwel altijd reelringen, ook zijn ze voorzien van de dunste hardverchroomde ogen en meestal van de onvolprezen duraluminium busjes. Iets zwaardere hengels, zoals de karperhengels, zijn voorzien van een in eigen beheer ontwikkelde messing bus die werd geblauwd.

De hengels uit die tijd, die ik toen als perfect en vrijwel overal inzetbaar heb ervaren, blijken als mijn wereld zich verruimt en grenzen letterlijk wegvallen niet als enige zaligmakend. Maar misschien was het wel gewoon zo dat ik ooit het juiste water bij de hengels zocht en dat ik later die hengels meenam naar water waar ze minder perfect voor waren. Ik kwam op een punt dat andere merken een kans kregen hun waarde te tonen.

Wie veel vist ontwikkelt als hengelsporter niet alleen een bepaalde stijl, maar ook en vooral eigen voorkeuren en overtuigingen. Ik denk dat, op dat punt aangekomen, de gidsrol die Fair Play in het begin van menige hengelsportcarrière onmiskenbaar heeft vervuld voor velen ophield te bestaan. Zo zijn bijvoorbeeld veel vlieg- en karpervissers andere wegen ingeslagen; ook mij is het als vliegvisser zo vergaan. Wat overigens niet wil zeggen dat ik niet meer met Fair Play hengels viste.

Als ik na al die jaren nu nog eens terugblik stel ik vast dat het Fair Play assortiment groot is geweest en nog altijd is. Natuurlijk kan niet elk hengel ontwerp even geslaagd worden genoemd, maar voor welke hengelbouwer geldt dat wel? Daarbij valt over smaak niet te twisten, al denken we daar met z’n allen in relatie tot hengels natuurlijk heel anders over….

Glas in alle kleuren

Belangrijker is de vaststelling dat sommige hengels echte klassiekers zijn geworden en onmiskenbaar verbonden zijn met onze Nederlandse hengelbouwhistorie.
De ultralichte en lichte spinhengels in holglas, de drie grams Floret voorop, en de brasem- en vlokhengels voor 10-12/00 bijvoorbeeld; de lange lichte karperhengels; maar ook een veel moderner grafiet twee grammertje als de Rapier heeft inmiddels cultstatus verworven.
Andere bijzondere hengels zijn de grafiet brasemhengel voor 10-12/100 en de lange vlokhengel van hetzelfde materiaal. Unieke hengels met een heel herkenbare signatuur.

Mijn persoonlijke slotsom is dat ook vandaag de dag Fair Play nog altijd een perfecte keus is, een keus die ik zelf maak voor een aantal modellen bedoeld voor de ultralichte visserij. Voor mij schijnt daar de Fair Play ster - net als toen - het helderst.

Niet alleen gebruik ik af en toe nog het materiaal waarmee het allemaal begon, maar ook bezit ik een aantal van de hedendaagse hengels uit het atelier van John; die overigens zelf nog altijd vist, wat niet van elke hengelbouwer gezegd kan worden maar wat ik zelf vanuit het oogpunt van de beleving wel sympathiek en daarmee een pluspunt vind.

En daarmee kom ik op het gegeven dat veel van de keuze om juist met Fair Play hengels te vissen vooral met gevoel en ook met smaak te maken heeft. Mij spreekt de consistent door de decennia heen gehanteerde stijl, zowel qua ontwerp alsook qua afwerking, erg aan.
En juist in deze tijd, na een periode waarin een kritische beschouwer componenten als de gebruikte geleideogen vaak terecht als (te) zwaar van gewicht taxeerde, zijn hengels als mijn persoonlijke favoriet, de grafiet vlokhengel in de lengte van 235 cm, maar ook bijvoorbeeld de Rapier en de Floret weer helemaal up to date. Voorzien van bijvoorbeeld de lichtere REC Recoil ogen, mooi kurk en geblauwde busjes zijn dit opnieuw geslepen klassieke juwelen.

Opnieuw geslepen juweel

Ook is er tijd en ruimte voor echt “custom” werk, wat natuurlijk bij een product in deze prijsklasse van handbouw past, maar bijvoorbeeld ook, en dat is niet alledaags, ten aanzien van kleurstellingen van de blanks. Zo beschikken sommige sportvissers inmiddels over moderne Fair Play hengels in retro Schreiner kleuren als geel en groen.

Vijfendertig jaar na dato ben ik dan misschien ongevoelig geworden voor het verhaal dat rond de hengels wordt verteld; feit is dat vele modellen simpelweg voor zichzelf spreken. Met mij is er een grote groep vissers die, vaak door jarenlange ervaring wijs geworden, uit de collectie z’n eigen keuze kan maken.

In een hengelsportwereld die met harde hand wordt geregeerd door investerings-maatschappijen, marketingafdelingen en de daarmee opgelegde continue vernieuwing, en waarin hengels naar het soms lijkt alleen maar nieuw of tenminste licht, strak en hard moeten zijn, betrap ik mij er zelf op dat ik net als destijds af en toe weer volop geniet van hengels die vooral ouderwets werpen en buigen en ook qua afwerking eigengereid of misschien wel gewoon een beetje wars zijn van de moderne tijd.

Echte hengels; oude liefde roest niet!

Met de Franse slag

Franse vissers hebben bij ons de naam vooral wedstrijdvissers te zijn, pikeurs met de vaste stok, jongleurs met ragfijn nylon en scherp uitgelode pennetjes. Die bijna spreekwoordelijke finesse beperkt zich echter niet tot de arena van het wedstrijdgebeuren, want Frankrijk is ook de bakermat van het “lancer léger”, het lichte werpen, waarmee Jan Schreiner ons uitgebreid liet kennismaken in zijn “Flitsend Nylon”.

Vaak wordt gedacht dat het ultralichte spinnen in Nederland is uitgevonden. Zeker is dat Jan Schreiner de schatkamer van het ultralichte spinnen voor ons Nederlanders heeft ontsloten. Maar even zeker is dat de sleutel hem door de Fransen werd aangereikt; hun vroege vistechnische raffinement leidde immers al voor de Tweede Wereldoorlog tot (ultra)lichte spinhengels. Gemaakt van, hoe kan het ook anders in die tijd, “bambou refendu”, bij ons beter bekend als splitcane.

Wie aan Frankrijk denkt, ultralicht werpen en aan splitcane kan niet om Pezon et Michel heen, de beroemde fabriek uit Amboise, die met name tussen 1935 (het jaar waarin namelijk de eerste twee Franse werpmolens werden geïntroduceerd, de Vamp en de Capta) en 1975 glorieerde. Maar om die fabrikant op het toppunt van zijn kunnen te brengen was echter een Franse hotelier en sportvisser nodig, de legendarische Charles Ritz.

Nog steeds in trek bij de kenners

Charles Ritz, inderdaad die van de beroemde hotels, was een sportvisser in hart en nieren en ook nog eens financieel onafhankelijk. Hij kon daarom reizen om te vissen, in die tijd ongewoon, en viste dan ook overal, met de bekendste vissers van zijn tijd, zoals Lee Wulff, Frank Sawyer, die van de nimf ja, maar ook met royalty en beroemdheden; zo was hij bijvoorbeeld bevriend met Ernest Hemingway. In 1958 richtte Ritz de hoogst exclusieve Fario Club op, met als leden de crème de la crème van de internationale hengelsportwereld, en als clubhuis The Ritz aan de Place Vendome in Parijs… Ritz was kortom gek van (vlieg)vissen en vooral ook van materiaal, en geldt ondermeer als de uitvinder van de parabolische hengelactie, de telescoophengel en nog wel wat meer.

Zijn inbreng als consultant van Pezon et Michel leidde na de Tweede Wereldoorlog tot de waarschijnlijk meest geroemde series van Pezon et Michel: de PPP vliegenhengels, waarover later misschien nog eens meer, en de Télebolic spinhengels.

Beide door Ritz ontworpen series waren op één in het oog springend punt al een radicale breuk met de gelijkdelige vliegen- en spinhengels die Pezon et Michel al sinds de dertiger jaren produceerde. Ze kenmerkten zich namelijk vooral door hun wel erg ongelijke delen: de top was werkelijk veel langer dan het achtereind, wat volgens Ritz, die een reputatie op te houden had als casting expert, bedoeld was om meer snelheid en precisie in het werpen te brengen.

De Télebolic spinhengels verschenen medio jaren ‘60 van de vorige eeuw op de Nederlandse markt, waren gemaakt van speciaal gehard splitcane (het zogenaamde bambou trempé) en gewikkeld in groen met donkerrode accenten. De ogen waren van het hardverchroomde Luxor type, het handvat was geheel van kurk, overigens in eerste aanleg ook in een speciale dunne (19 mm) uitvoering verkrijgbaar, met natuurlijk daarop twee reelringen. De hengels waren afgewerkt met Luxor afdekplaatje, cone en stootdop, waarbij de kleur van het afwerkingmateriaal blank of roze (latere versies) was. Een gebronsde bus met rode stipjes voor de juiste positie (splitcane houdt er niet zo van om gedraaid te worden, vandaar) completeerde het geheel. Het foedraal was hetzij beige, dan wel oranje, met daarop gestikt het P&M embleem. Alleen latere modellen hadden voor het tientallen centimeters kortere achtereind een op maat gemaakt stuk hout in de bus, zodat in het foedraal de delen even lang waren.

De voor het Nederlandse (polder)water meest geschikte modellen

Alle hengels waren voorzien van een serienummer, dat ondermeer de exacte bouwdatum weergeeft, en de type aanduiding “BB” met daarachter een cijfer. Alhoewel er ook zware modellen in deze serie bestaan zijn de bekendste en voor de Nederlandse (polder)wateren meest geschikte modellen de BB0, BB1 en BB2.

In “200 Ruisvoorntips” uit 1977 passeerden deze stokjes al de gezamenlijke revue van Kees Ketting en Henk Peeters, die niet veel woorden nodig hadden om voor een vlokhengel hun keus uit deze drie hengels te bepalen: “wij vinden de BB0 iets te slap,en de BB2 iets te stijf, vandaar dat we het liever houden op de BB1″.

Kees Ketting, die destijds al bekend stond als een liefhebber van Pezon et Michel, beschreef de hengels in het kader van een terugblik nadien nog eens in een paar zinnen in het verenigingsblad van “De Vissende Verzamelaar”: “De hengels zijn vinnig en werpen uiterst precies. Vooral de BB1 en de BB2 waren destijds zeer in trek als vlok- en als ultralichte kunstaashengel voor de polder. (Bij de kenners zijn ze dat nog steeds)”.

Voor we eens naar deze hengels kijken zet ik de belangrijkste kenmerken ervan even op een rijtje:

    BB 0: 1.67 meter, gewicht 85 gram, werpgewicht 0,5 tot 3 gram
    BB 1: 1.67 meter, gewicht 110 gram, werpgewicht 1,5 tot 4 gram
    BB 2: 1.83 meter, gewicht 135 gram, werpgewicht 3 tot 7 gram

De BB0 is echt een heel licht hengeltje. Het werpvermogen ligt op 3 gram, en ook een stomp spinnertje van 20 mm is hieraan nog heel goed te voelen, wat overigens niet van veel spinhengeltjes gezegd kan worden. Mijn exemplaar is van 1970, heeft het dunne handvat en wordt gebruikt met 10/00 gewone nylon. De actie is, inderdaad, wat aan de zachte kant voor een spinhengel en daarom is deze van de drie hengels het meest geschikt voor de vlok. Maar er kan wel degelijk mee gespind worden, al zorgt een snoek van 60 cm voor tamelijk klamme handen, niet alleen omdat er nauwelijks druk uit te oefenen valt met een anderhalfponds lijntje, maar ook omdat het een fragiel houten hengeltje betreft dat om enig beleid in het gebruik vraagt - en dus de angst voor splinters om de oren al snel de kop opsteekt.

De BB1 was in Nederland, afgezet tegen het destijds toch niet misselijke prijskaartje, waar je zowat twee handgebouwde holglas hengels van destijds toonaangevende winkeliers van kon kopen, toch een vrij populaire hengel en daarom een regelmatige verschijning in onze polders. Dit is ten opzichte van de BB0 een universeler te gebruiken 4 grams hengel, snel en ook strak, en ideaal voor het vissen met bijvoorbeeld de stompe 20-25 mm Terribles. Als het hengeltje in actie komt is het moeilijk om er niet verliefd op te worden, want wat werpt dit hengeltje zuiver en wat is het heerlijk “nerveus”. Ook verschaft deze hengel net wat meer zelfvertrouwen dan de BB0 bij het drillen van snoek tussen zeg 50 en 70 cm.

De BB2 is een lichte, meer all-round, spinhengel voor de polder, zes voet lang, met een vermogen van een gram of 7, misschien wel een grammetje meer, wat vandaag de dag nog altijd een perfecte keus is als de wind opsteekt of de keus moet vallen op een iets grotere spinner. Ook komt een klein plugje binnen het bereik van de mogelijkheden, maar de magie waarmee het ultralichte spinnen is omgeven gaat aan deze hengel een klein beetje voorbij, omdat hij, bespannen met 18/00 en een Luxor Rafale spinner eigenlijk meer een lichte dan een ultralichte spinhengel is. Maar dit is wel een mooie hengel als we net niet uitkomen met de lichtere familieleden; en met een werpvermogen van 7 gram is het een plezierige tussenmaat, die bij mij nog geregeld, vooral in de herfst, uit het foedraal komt.

Afgewerkt met Luxor afdekplaatje

Want ook nu nog, bijna 50 jaar na hun introductie, komen deze hengels overal ter wereld nog geregeld uit de foedralen. Daar is een reden voor; juist op deze lengtes en met dit vermogen doet het voornaamste bezwaar van splitcane – het gewicht – zich niet zo gelden en is dat gewicht onder de noemer “massa” bij het ultralichte spinnen een pluspunt bij het zetten van de haak. Vistechnisch zijn ze nog altijd bij de tijd, en onmiskenbaar gaat er een blijvende aantrekkingskracht uit van deze hengels, die een sensatie waren bij hun introductie en vele hengelbouwers tot inspiratie hebben gediend. Maar dat niet alleen, want wie ze ter hand neemt blijft maar zelden ongevoelig voor hun charme. Ze zijn, zo lijkt het, niet alleen gelakt met vernis maar ook met sfeer en romantiek en velen van ons weten dat ook in deze moderne tijd op waarde te schatten.

En ja, toegegeven, dit soort lichte sprietjes van splitcane hebben wel een beetje een gebruiksaanwijzing. Ze buigen niet graag verder door dan de bedoeling is, vinden het fijn om goed afgedroogd te worden na gebruik en ook wordt het op prijs gesteld als er af en toe wat tegengestelde rek- en strekoefeningen worden gedaan na heftige inspanning. Ze vragen kortom wat aandacht, maar belonen de bezitter daarvoor in ruime mate met deels ondefinieerbaar genot, waarin ook een deel van de attractie schuilt.

Wie vandaag de dag deelgenoot wil worden van dat genot moet weten dat eind jaren ‘90 de hengels nog enige jaren als kostbare heruitgave in de catalogus van Pezon et Michel prijkten. Wat mij betreft missen die de charme van hun roemrijke voorgangers. Wie juist interesse heeft in die klassiekers ziet op Marktplaats en eBay de hengels nog geregeld opduiken. Met uitzondering van exemplaren in echte, dus ongeviste, nieuwstaat worden er doorgaans geen torenhoge prijzen voor betaald. Een mooie hengel met foedraal verwisselt veelal tussen 100 en 150 euro van eigenaar, en daarmee zijn ze nu eigenlijk een stuk bereikbaarder dan ze bij introductie waren.

Alle reden dus om het eens “met de Franse slag” te gaan proberen, en als ik zelf dit gezegde lees - of hoor - dan dwalen in ieder geval mijn gedachten menigmaal af naar de foedralen met deze klassieke ultralichte hengels van Pezon et Michel, die ik hierbij - misschien wel opnieuw - aan u heb willen voorstellen.

Volgende pagina »